Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200907117/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een paardenhouderij van [appellant sub 2] aan [locatie] te [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/316
OGR-Updates.nl K21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907117/1/M2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een paardenhouderij van [appellant sub 2] aan [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college het door [appellanten sub 1] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de paardenhouderij aan [locatie].

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en anderen (hierna: [appellant sub 1] en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 oktober 2009.

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college het besluit van 25 augustus 2009 gewijzigd en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd.

Naar aanleiding van het besluit van 22 december 2009 hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief van 18 januari 2010 en [appellant sub 2] bij brief van 25 januari 2010 de gronden van hun beroepen verder aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 25 februari 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door ing. T. van de Beek, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. R.H. van Dijke, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door J. Korterink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college de bij besluit van 25 augustus 2009 opgelegde last onder dwangsom vervangen door een nieuwe last. Bij dit nieuwe besluit op bezwaar is niet aan de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegemoetgekomen, zodat de door hen ingestelde beroepen, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht worden mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

Nu bij besluit van 22 december 2009 een nieuwe last onder dwangsom is opgelegd, komt aan het besluit van 25 augustus 2009 geen betekenis meer toe. Niet gebleken is dat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] nog belang hebben bij een afzonderlijke beoordeling van het besluit op bezwaar van 25 augustus 2009. Gelet hierop zijn de beroepen, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 25 augustus 2009, niet-ontvankelijk.

In het navolgende wordt het besluit van 22 december 2009 aangeduid als het bestreden besluit.

2.2. De voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 24 november 2009 in zaak nr. 200907117/2/M2 geoordeeld dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen, behoudens voor zover het is ingediend door [appellanten sub 1], niet-ontvankelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans een ander standpunt in te nemen en verwijst voor de motivering van dat standpunt naar genoemde uitspraak.

2.3. [appellant sub 2] stelt dat [appellanten sub 1] niet als belanghebbenden beroep kunnen instellen, omdat niet vaststaat dat zij ter hoogte van hun woning milieugevolgen van de paardenhouderij ondervinden.

2.3.1. De Afdeling heeft bij uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nrs. 200903667/1/M2 en 200903667/2/M2 over hetzelfde geschilpunt geoordeeld dat [appellanten sub 1] als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans een ander standpunt in te nemen en verwijst voor de motivering van dat standpunt naar genoemde uitspraak.

2.4. Het college heeft geconstateerd dat door [appellant sub 2] op het perceel [locatie] paarden worden gehouden. Dit is in strijd met de voor de inrichting geldende vergunning. Bij het bestreden besluit is besloten ter zake een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij is bepaald dat [appellant sub 2] in de inrichting aan het [locatie] geen paarden mag huisvesten. Het college heeft [appellant sub 2] een termijn tot 1 januari 2010 (hierna: de begunstigingstermijn) gegeven om de paarden elders te huisvesten.

2.5. Vaststaat dat [appellant sub 2] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan [locatie] paarden hield zonder een daartoe vereiste vergunning. Gelet hierop werd gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat het college ter zake in beginsel handhavend kon optreden.

2.6. [appellant sub 2] stelt dat in dit geval artikel 5:36 van de Algemene wet bestuursrecht (oud) in de weg staat aan handhavend optreden met een last onder dwangsom.

2.6.1. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.

2.6.2. Ingevolge artikel 5:36 van de Algemene wet bestuursrecht (oud) mag een last onder dwangsom niet worden opgelegd zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken. Dit artikel is op het huidige geding niet van toepassing, reeds omdat er in dit geval geen beslissing tot toepassing van bestuursdwang is genomen. In zoverre bestond er voor het college geen beletsel om een last onder dwangsom op te leggen.

2.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat bijzondere omstandigheden bestaan die aan handhavend optreden in de weg staan.

Volgens [appellant sub 2] bestond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concreet zicht op legalisatie, omdat de inrichting aan het [locatie] na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Partiële Herziening Bestemmingsplan Buitengebied (percelen [locatie])" zal worden verplaatst naar [naam straat] ongenummerd. Op grond hiervan behoorde het college volgens hem van handhavend optreden af te zien.

Verder betoogt hij dat hij door de last onder dwangsom onevenredig wordt getroffen in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.8.1. De wijziging van het bestemmingsplan ziet op functieverandering van het perceel [locatie]. Het perceel zal bestemd worden voor woonbebouwing. Hiermee wordt het houden van paarden op het perceel niet gelegaliseerd, zodat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie bestond.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat handhaving onevenredig is, omdat de inkomsten en het houden van het paardenpension noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van het bedrijf, het houden van de paarden geen overlast kan opleveren, hij afspraken heeft met de eigenaren van de paarden en de situatie slechts van beperkte duur is, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheden, wat daar ook van zij, voor rekening en risico voor [appellant sub 2] dienen te komen aangezien hij de inrichting heeft geëxploiteerd, wetend dat hij dit deed zonder de daarvoor vereiste vergunning. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit handhaving zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoorde te worden afgezien. Het college heeft terecht handhavend opgetreden.

De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat de omschrijving van de last onder dwangsom onduidelijk is, omdat niet blijkt op welke overtreding en op welk perceel de last betrekking heeft.

De Afdeling overweegt dat uit het dictum volgt dat de last betrekking heeft op het [locatie] en ziet op het zonder milieuvergunning houden van paarden, zodat de last onder dwangsom in zoverre voldoende nauwkeurig is omschreven.

De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant sub 2] stelt dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is en niet in overeenstemming is met de door het college ter zake gehanteerde leidraad. [appellanten sub 1] betogen dat de dwangsom op een te laag bedrag is vastgesteld.

2.10.1. Het college heeft een dwangsom opgelegd van € 1.000,00 voor elke dag na 1 januari 2010 dat niet wordt voldaan aan de last met een maximum van € 50.000,00.

Het college staat op het standpunt dat het zonder vergunning houden van dieren moet worden beschouwd als 'het in werking zijn van een inrichting zonder vergunning' in de door hem gehanteerde "Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen". Het dwangsombedrag is in overeenstemming met deze leidraad. Er is geen grond om dit standpunt onjuist te achten. Er is ook geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

De beroepsgronden falen.

2.11. [appellant sub 2] voert aan dat de begunstigingstermijn bij het besluit van 22 december 2009 ten onrechte niet is verlengd.

2.11.1. Bij het bestreden besluit heeft het college de eerder opgelegde last onder dwangsom vervangen door een nieuwe last. Bij het opleggen van een last moet een begunstigingstermijn worden gesteld die voldoende is om vanaf het moment van oplegging van de last daaraan uitvoering te geven zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Bij de op 22 december 2009 opgelegde last heeft het college (opnieuw) een begunstigingstermijn gesteld tot 1 januari 2010, waarbinnen de door [appellant sub 2] gehouden paarden elders moeten worden ondergebracht. Naar het oordeel van de Afdeling staat vast dat deze begunstigingstermijn van enkele dagen niet voldoende is om uitvoering te geven aan de last. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (oud).

De beroepsgrond slaagt.

2.12. De beroepen zijn niet-ontvankelijk voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 25 augustus 2009. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is verder niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het is ingediend door [appellanten sub 1], en is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is gedeeltelijk gegrond. De Afdeling ziet aanleiding om op na te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een veroordeling in de proceskosten van [appellanten sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het besluit van 25 augustus 2009 en voor zover het is ingediend door anderen dan [appellanten sub 1];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 25 augustus 2009;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 22 december 2009, voor zover het de duur van de daarin opgenomen begunstigingstermijn betreft;

V. bepaalt dat als laatste dag van de begunstigingstermijn geldt: 1 juni 2010;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 december 2009;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en van [appellanten sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 910,25 (zegge: negenhonderdtien euro en vijfentwintig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

262-628.