Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200906124/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een hooiberg op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906124/1/H1.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 juli 2009 in zaak nr. 09/171 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een hooiberg op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 19 februari 2008 herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een hooiberg op het perceel.

Bij uitspraak van 5 juli 2009, verzonden op 13 juli 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Vos, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Dijk en E. Kok, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan dient ter legalisering van een op het perceel opgerichte hooiberg.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voordat het besluit van 19 februari 2008 is genomen, van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het bouwwerk, omdat de beslistermijn is verlopen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet. Hij voert daartoe aan dat door het nemen van het voorbereidingsbesluit van 5 juli 2007 geen aanhoudingsplicht is ontstaan als bedoeld in artikel 50, eerste en tweede lid, van de Woningwet. Volgens [appellant] heeft de gemeenteraad bij het nemen van dat besluit zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) oneigenlijk gebruikt, omdat op dat moment reeds een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage was gelegd.

2.2.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

Ingevolge het vierde lid vervalt een voorbereidingsbesluit indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 25 beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn.

Ingevolge artikel 26, voor zover thans van belang, wordt het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het vierde lid, is, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid, de bouwvergunning van rechtswege verleend.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, zoals deze bepaling luidde en voor zover thans van belang (hierna: de Ww), houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

Ingevolge het tweede lid, duurt de aanhouding totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21, vierde of zesde lid, van de WRO, is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25 van die wet is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26 van die wet is overschreden dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid de bouwvergunning eveneens verlenen indien het bouwplan in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunnen geen bezwaar hebben.

Ingevolge het achtste lid, voor zover thans van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46, na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, na de bekendmaking van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het vijfde lid, of na de terinzagelegging, overeenkomstig het zevende lid.

2.2.2. Bij besluit van 13 juli 2006 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeenteraad) voor het gebied waarbinnen het perceel is gelegen een voorbereidingsbesluit genomen, dat op 21 juli 2006 in werking is getreden. Vervolgens heeft voor dat gebied een ontwerp van het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006" van 16 maart 2007 tot en met 27 april 2007 ter inzage gelegen. Gelet op het bepaalde in artikel 50, zesde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 25 van de WRO, is het voorbereidingsbesluit van 13 juli 2006 op 28 augustus 2007 komen te vervallen. De gemeenteraad heeft bij besluit van 5 juli 2007 voor het gebied waarbinnen het perceel is gelegen een nieuw voorbereidingsbesluit genomen dat op 20 juli 2007 in werking is getreden.

Naar ter zitting door [appellant] is meegedeeld, heeft hij tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Geen grond bestaat voor het oordeel dat door het voorbereidingsbesluit van 5 juli 2007 geen aanhoudingsplicht in het leven is geroepen.

De aanvraag om bouwvergunning van [appellant], die, naar niet in geschil is, niet in strijd is met het toentertijd geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1958, derde wijziging", is na die datum bij het college ingekomen op 17 augustus 2007. Het college was derhalve wegens de gelding van het voorbereidingsbesluit van 5 juli 2007 gehouden die aanvraag aan te houden. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat geen bouwvergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Paardenpension (Rp)".

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor één hooiberg.

Ingevolge artikel 10.2.2, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover thans van belang, dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 10 m2 mag bedragen.

Ingevolge artikel 10.2.2, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover thans van belang, dat in afwijking van het bepaalde onder a een hooiberg is toegestaan, aanvullend op de aldaar genoemde oppervlakte van 10 m2, waarbij de oppervlakte van de hooiberg niet meer dan 50 m² mag bedragen. De situering ervan is uitsluitend toegestaan in het denkbeeldig verlengde in oostelijke richting van de zijgevels van het op de plankaart als zodanig bestemde paardenpension.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hooiberg op het perceel, in strijd met artikel 10.2.2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, niet is gesitueerd in het denkbeeldig verlengde in oostelijke richting van de zijgevels van het op de plankaart als zodanig bestemde paardenpension.

2.4.1. Het betoog faalt. Het college heeft terecht uit de bouwaanvraag afgeleid dat de zijgevels van het op de plankaart als zodanig weergegeven paardenpension, de zuid- en noordgevels betreffen. Door middel van het denkbeeldig doortrekken van de lijnen van die zijgevels in oostelijke richting heeft het college op juiste wijze het vlak geduid waarbinnen een hooiberg, gelet op artikel 10.2.2. aanhef en onder c, van de planvoorschriften, is toegestaan. Daarbij heeft het college terecht doorslaggevend geacht dat blijkens de tekst van deze bepaling de hooiberg slechts is toegestaan in het verlengde van de zijgevels. De aanduiding van de windrichting is daaraan ondergeschikt. Aangezien de door [appellant] opgerichte hooiberg buiten dit vlak is gesitueerd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bouwaanvraag in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren.

2.5.1. Dit betoog faalt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen vrijstelling voor het bouwplan heeft verleend, nu het niet wenst af te wijken van het recent vastgestelde bestemmingsplan waarmee het bouwplan in strijd is. Dit standpunt van het college is niet onredelijk.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

17-543.