Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200905322/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij gezamenlijk besluit van 27 juni 2007 hebben de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes (hierna: de burgemeester en het dagelijks bestuur), ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellante] een exploitatievergunning en een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet te verlenen ten behoeve van [discotheek].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905322/1/H3.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2009 in zaak nr. 07/4866 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes.

1. Procesverloop

Bij gezamenlijk besluit van 27 juni 2007 hebben de burgemeester van Amsterdam en het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes (hierna: de burgemeester en het dagelijks bestuur), ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellante] een exploitatievergunning en een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet te verlenen ten behoeve van [discotheek].

Bij besluiten van 15 november 2007 en 20 november 2007 hebben de burgemeester onderscheidenlijk het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) als grondslag voor de weigering tot vergunningverlening vervalt.

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten vernietigd voor zover deze onbevoegd zijn genomen en de besluiten voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en het dagelijks bestuur hebben een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 26 oktober 2009 en 11 november 2009 heeft [appellante] beperkte toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010, waar de burgemeester en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.W. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 27, derde lid, kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

Ingevolge het vierde lid kan, voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) bedoeld in artikel 8 van de Wet bibob om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar.

Ingevolge het zesde lid hebben bestuursorganen eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Justitie bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het Bureau een advies kan worden uitgebracht.

Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Ingevolge artikel 9 heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit BIBOB worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob, aangewezen inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 1994, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2.2. De burgemeester en het dagelijks bestuur hebben verlening van een exploitatievergunning en een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet aan [appellante] geweigerd, omdat volgens hen is gebleken van situaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob en artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. Zij hebben hieraan ten grondslag gelegd dat, gelet op de bevindingen in het door het Bureau uitgebrachte advies van 11 september 2006 en het nader advies van 22 mei 2007, ernstig gevaar bestaat dat de [echtgenoot] van [appellante], tot wie zij volgens de burgemeester en het dagelijks bestuur in een zakelijk samenwerkingsverband staat, door te investeren in de discotheek inkomsten uit zijn handel in drugs zal witwassen. Ten aanzien van [bedrijfsleider], tot wie [appellante] volgens de burgemeester en het dagelijks bestuur eveneens in een zakelijk samenwerkingsverband staat, bestaat in mindere mate ook gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Voorts heeft [appellante] volgens de burgemeester en het dagelijks bestuur ter verkrijging van de vergunningen opzettelijk getracht de herkomst van de financiering van de discotheek te verhullen door het verstrekken van onjuiste gegevens en het geven van tegenstrijdige verklaringen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank verdergaande consequenties had moeten verbinden aan haar oordeel dat de besluiten van 15 november 2007 en 20 november 2007 deels onbevoegd zijn genomen.

2.3.1. Het betoog faalt. De burgemeester was niet bevoegd te beslissen op het bezwaar tegen de weigering van het dagelijks bestuur een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet te verlenen. Evenmin was het dagelijks bestuur bevoegd te beslissen op het bezwaar tegen de weigering van de burgemeester een exploitatievergunning te verlenen. De besluiten van 15 november 2007 en 20 november 2007 zijn voor het overige echter bevoegdelijk genomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de besluiten, voor zover ze bevoegdelijk zijn genomen, in rechte stand kunnen houden. Daarvan uitgaande heeft zij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:72, eerste lid, van de Awb gehandeld door te oordelen dat die besluiten alleen dienen te worden vernietigd voor zover ze onbevoegd zijn genomen.

2.4. Thans staat ter beoordeling of de rechtbank de besluiten van 15 november 2007 en 20 november 2007, voor zover deze bevoegdelijk zijn genomen, terecht in stand heeft gelaten. [appellante] betoogt in dat verband dat de rechtbank niet, althans onvoldoende, is ingegaan op de door haar aangevoerde feiten en omstandigheden. Nu zij deze stelling niet verder heeft onderbouwd, zal de Afdeling zich bij haar beoordeling beperken tot de door [appellante] wel onderbouwde gronden.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [echtgenoot] strafbare feiten heeft gepleegd, nu hij nimmer is veroordeeld voor handel in drugs. Daarenboven heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat zij in relatie staat tot de volgens de rechtbank door [echtgenoot] gepleegde strafbare feiten.

2.5.1. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te hebben kennis genomen van het advies van het Bureau van 11 september 2006, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat uit dat advies blijkt dat in de Centrale Justitiële Documentatie van het Ministerie van Justitie is geregistreerd dat [echtgenoot] in 2001 en 2003 is veroordeeld voor delicten in het kader van de Opiumwet, waaronder handel in drugs.

Volgens de burgemeester en het dagelijks bestuur heeft het Bureau deze veroordelingen in het nader advies van 22 mei 2007 bevestigd. [appellante] heeft geweigerd de Afdeling toestemming te geven om van het nader advies kennis te nemen. Hoewel het een betrokkene vrij staat om te weigeren toestemming te geven, komen de gevolgen van deze weigering volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2005 in zaak nr. 200407247/1, in beginsel voor risico van degene die de toestemming heeft geweigerd. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd kan geen reden worden gevonden hierop een uitzondering te maken. Door haar weigering de Afdeling toestemming te geven om van het nader advies kennis te nemen, heeft [appellante] de Afdeling de mogelijkheid ontnomen om te beoordelen of uit dat advies inderdaad blijkt dat het Bureau de veroordelingen heeft bevestigd. De Afdeling zal daarom uitgaan van de bevindingen over de veroordelingen zoals neergelegd in het advies van 11 september 2006. Te dien aanzien wordt overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat die bevindingen niet juist zijn. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat [echtgenoot] strafbare feiten heeft gepleegd.

2.5.2. In hoger beroep herhaalt [appellante] haar betoog dat [echtgenoot] de geldleenovereenkomst, die zij in december 2005 had gesloten met haar schoonmoeder ter vervanging van een eerdere lening, alleen mede heeft ondertekend omdat een medewerker van de gemeente dit uitdrukkelijk als eis stelde.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet dat echter niet af aan de door [appellante] onweersproken omstandigheid dat toen zij in januari 2006, vergezeld van [echtgenoot], de Bibob-formulieren aan de betrokken medewerker kwam overhandigen en deze erop wees dat in de geldleenovereenkomst geen leningscondities waren opgenomen, [echtgenoot] ter plaatse zelfstandig een aanvullende verklaring in die geldleenovereenkomst heeft opgenomen en deze overeenkomst vervolgens heeft ondertekend. Hieruit blijkt dat [echtgenoot] zeggenschap had over de gelden. Daarin hebben de burgemeester en het dagelijks bestuur grond mogen vinden voor een ernstig vermoeden dat de € 40.000,00 die [appellante] contant heeft ontvangen ten behoeve van de discotheek afkomstig is van [echtgenoot].

[appellante] herhaalt eveneens haar betoog dat [echtgenoot] uitsluitend via het Ministerie van Justitie bij de discotheek heeft gewerkt. Uit het onderzoek van het Bureau, voor zover de Afdeling van de resultaten daarvan heeft mogen kennisnemen, is evenwel niet gebleken van enige betrokkenheid van het Ministerie van Justitie bij de werkzaamheden van [echtgenoot] ten behoeve van de discotheek. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, weerspreekt [appellante] bovendien niet dat [echtgenoot] diverse malen als woordvoerder van de discotheek is opgetreden en zich als bedrijfsleider van de discotheek heeft gepresenteerd.

Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur het ernstige vermoeden mochten koesteren dat [echtgenoot] vermogen aan zijn echtgenote [appellante] heeft verschaft ter financiering van de discotheek, dat zij in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat en dat [appellante] derhalve in relatie staat tot de door [echtgenoot] gepleegde strafbare feiten.

2.5.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt hebben mogen stellen dat er voldoende grond is voor het ernstige vermoeden dat de gelden die [echtgenoot] heeft gebruikt voor de financiering van de discotheek afkomstig zijn uit handel in drugs. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het advies van het Bureau van 11 september 2006 blijkt dat [echtgenoot] is veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet, dat hij diverse malen verdachte is geweest bij diverse strafrechtelijke onderzoeken naar handel in drugs en dat in 2004 een verdachte transactie van € 10.000,00 van hem is geregistreerd bij het Bureau politiële ondersteuning van de Landelijke Officier van Justitie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Voorts is handel in drugs naar zijn aard erop gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen en is het een feit van algemene bekendheid dat met deze handel grote winsten kunnen worden behaald. Het op zichzelf juiste betoog van [appellante] dat het standpunt van de burgemeester en het dagelijks bestuur alleen is gebaseerd op vermoedens omtrent de herkomst van de inkomsten van [echtgenoot] kan haar niet baten, nu deze vermoedens voldoende grond vinden in de in het advies van het Bureau opgenomen feiten en omstandigheden en [appellante] zelf geen duidelijkheid heeft verschaft over de herkomst van de € 40.000,00.

2.5.4. Nu vaststaat dat [echtgenoot] strafbare feiten heeft gepleegd, het ernstige vermoeden is gerechtvaardigd dat [appellante] in relatie tot deze strafbare feiten staat en dat [echtgenoot] uit handel in drugs verkregen gelden heeft aangewend of zal aanwenden ten behoeve van de discotheek, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt hebben mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob, zodat hun de bevoegdheid toekwam de gevraagde vergunningen te weigeren.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester en het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot weigering van de vergunningen mochten overgaan.

2.6.1. Dit betoog faalt eveneens. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester en het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het algemeen belang, dat is gediend bij het weren van het witwassen van crimineel verkregen gelden, zwaarder dient te wegen dan de belangen van [appellante] bij het exploiteren van de discotheek.

2.7. Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling dat zij nimmer heeft verzwegen dat [bedrijfsleider] bedrijfsleider van de discotheek is en derhalve geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob, wordt overwogen dat de rechtbank deze grond buiten bespreking heeft mogen laten nu zij met juistheid tot het oordeel is gekomen dat de burgemeester en het dagelijks bestuur reeds op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob de bevoegdheid toekwam de aangevraagde vergunningen te weigeren.

2.8. Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar betoog dat zij alle gevraagde stukken aan het Bureau heeft verstrekt, wordt overwogen dat de rechtbank deze grond eveneens buiten bespreking heeft mogen laten, nu bij de besluiten van 15 november 2007 en 20 november 2007 artikel 4, tweede lid, van de Wet bibob niet meer ten grondslag is gelegd aan de weigering de vergunningen te verlenen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

280-611.