Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7773

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200808654/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008, kenmerk 2008/38646, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel (hierna: de raad) bij besluit van 21 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Centrum Reuver".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808654/1/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008, kenmerk 2008/38646, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel (hierna: de raad) bij besluit van 21 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Centrum Reuver".

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [appellant A] en [appellant B], zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. A.G.J. van Loon, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellanten] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Weliswaar heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld, maar de wijzigingen hebben geen betrekking op artikel 4, zes lid, van de planvoorschriften.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

2.3. [appellanten] betogen dat het ontwerpplan ten onrechte tweemaal ter inzage heeft gelegen en dat het vastgestelde plan ten onrechte niet binnen vier weken na het besluit van de raad ter inzage is gelegd.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat de raad in zijn nadere stuk heeft vermeld dat de publicatie van de eerste terinzagelegging in de Staatscourant door een fout niet voorafgaand aan de terinzagelegging heeft plaatsgevonden. Om aan de wettelijke vereisten te voldoen, heeft de raad het ontwerpplan opnieuw ter inzage gelegd en heeft daaraan voorafgaand een nieuwe publicatie plaatsgevonden. De tweede terinzagelegging van het ontwerpplan diende er derhalve toe een gebrekkige kennisgeving te herstellen. Gelet hierop is de handelwijze van de raad niet onjuist. Het betoog faalt.

2.3.2. [appellanten] voeren terecht aan dat de in artikel 26 van de WRO gestelde termijn is overschreden. Overschrijding van de termijn waarbinnen een bestemmingsplan door de raad ter inzage moet worden gelegd, heeft tot gevolg dat, ingevolge artikel 50, derde lid, van de Woningwet, de plicht tot aanhouding van een beslissing op een aanvraag om een bouwvergunning vervalt. De wetgever heeft echter niet beoogd aan overschrijding van deze termijn het gevolg te verbinden dat reeds om die reden goedkeuring aan het plan zou moeten worden onthouden. Hetgeen door [appellanten] is aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.4. Voorts betogen [appellanten] dat ten onrechte verschillende versies van het plan ter inzage hebben gelegen. Hierbij wijzen zij erop dat het plan bij de vaststelling is gewijzigd en dat deze wijzigingen niet van tevoren ter inzage hebben gelegen.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Deze wijzigingen hoeven in beginsel niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan ter inzage te hebben gelegen. De raad kan in een dergelijke situatie volstaan met het ter inzage leggen van het plan zoals dat bij de vaststelling is gewijzigd. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan voorligt, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is.

Het plan

2.5. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het centrumgebied van de kern Reuver. Dit centrumgebied concentreert zich rondom de Rijksweg en de daarop aansluitende wegen. [appellanten] wonen in het plangebied aan de [locatie 1].

Het college heeft het plan goedgekeurd.

Inhoudelijke aspecten

Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 2]

2.6. [appellanten] richten zich met hun beroep tegen de gebruiksmogelijkheden waarin het plan voorziet voor de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" aan de [locatie 2]. Zij betogen hiertoe onder meer dat bij de horecagelegenheid op dit perceel ten onrechte een terras is toegestaan. Dit was op grond van het vorige plan niet mogelijk en zal leiden tot een toename van geluidoverlast en stankhinder, en aantasting van de privacy en het woongenot zoals onder meer bedoeld in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellanten]. Bovendien wordt ten onrechte en in strijd met de aansluitende bestemming een overschrijding van de bestemmingsgrens toegestaan. Tevens komen zij op tegen de verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten behoeve van horeca op het voornoemde perceel waarin is voorzien via de vrijstellingsbepaling die is opgenomen in artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften. In de vrijstellingsbepaling zijn onvoldoende waarborgen voor een goed woon- en leefklimaat opgenomen, aldus [appellanten].

2.6.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het gebruik van gronden als terras bij een horecagelegenheid ook op grond van het vorige plan was toegestaan. In het bestemmingsplan kunnen geen voorschriften worden opgenomen om geluidhinder van terrassen te beperken. Dit valt onder de werking van milieuwetgeving en de Algemene Plaatselijke Verordening, aldus het college.

Over de bepaling in artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften, stelt het college dat de opgenomen voorwaarden zeer concreet zijn en dat bij de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid de eventuele effecten op het woon- en leefklimaat altijd moeten worden meegewogen.

2.6.2. In de plantoelichting is in paragraaf 4.3 het terrassenbeleid vermeld. Hierin is vermeld dat de Drank- en Horecawet van toepassing is op het oprichten van terrassen. Terrassen (zonder overkapping of afscheiding) behoren niet tot de bouwwerken geen gebouwen zijnde. In deze gevallen is dan ook alleen een terrasvergunning noodzakelijk.

2.6.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Centrumdoeleinden (C)" bestemd voor horecadoeleinden.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften zijn horecadoeleinden uitsluitend toegestaan ter plaatse en (in de) omvang van de op het tijdstip van ter visie legging van dit ontwerpplan bestaande horecabedrijven. Nieuwvestiging en/of uitbreiding is uitsluitend door middel van vrijstelling toegestaan.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders onder nader aangegeven voorwaarden vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2, onder c ten aanzien van horecavestigingen teneinde nieuwe vestigingen en/of uitbreiding van bestaande horecavestigingen toe te laten op de begane grond en/of de eerste verdieping.

2.6.4. De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Centrum Reuver en overige winkelgebieden" uit 1990 (hierna: het vorige plan) geen verbod was opgenomen voor het gebruik van gronden als terras bij horecadoeleinden. Ter zitting is komen vast te staan dat ter plaatse van de [locatie 2] reeds lange tijd een café is gevestigd dat regelmatig gebruik maakt van een terras aan de straatzijde. Uit de in 2.6.3 genoemde planvoorschriften volgt dat in het plan alleen de bestaande horecagelegenheden in de bestaande omvang als zodanig zijn bestemd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een toename van geluidoverlast en stankhinder en een aantasting van de privacy en het woongenot van [appellanten].

Wat betreft de mogelijkheid om door middel van vrijstelling de horecagelegenheid uit te breiden, overweegt de Afdeling dat de in artikel 5, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften voorziene vrijstellingsbevoegdheid door voldoende objectieve voorwaarden wordt begrensd. Voorts betreft de vrijstellingsbepaling een bevoegdheid en geen plicht. In de besluitvorming omtrent de toepassing van de vrijstelling dient het college van burgemeester en wethouders derhalve na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, waaronder die van [appellanten], de vrijstelling van de voorschriften is gerechtvaardigd. Het college heeft derhalve in het betoog van [appellanten] geen aanleiding behoeven te zien om aan de vrijstellingsbepaling goedkeuring te onthouden.

Voor zover [appellanten] willen betogen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt dat een gedeelte van de Pastoor Vranckenlaan ter hoogte van het perceel [locatie 2] wordt ingericht en gebruikt als terras, merkt de Afdeling op dat dit betoog onjuist is, omdat dit gebruik in strijd is met artikel 13 van de planvoorschriften dat op de bestemming "Verkeersdoeleinden (Vw)" waarin het plan ter plaatse voorziet, betrekking heeft. De vraag of bedoeld gebruik ingevolge het vorige plan was toegelaten, is in deze procedure niet aan de orde.

2.7. [appellanten] betogen tevens dat op het perceel [locatie 2] ten onrechte via vrijstelling een wintertuin of serre mogelijk is. Bij de voorbereiding van het plan is onvoldoende rekening gehouden met hun belangen, omdat een wintertuin onder meer zal leiden tot milieuhinder, parkeeroverlast en verlies van uitzicht, zo stellen [appellanten].

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheid een nadere belangenafweging dient plaats te vinden waarbij de belangen van [appellanten] worden meegewogen. Bovendien is in artikel 5, vijfde lid, onder e, sub 8, van de planvoorschriften de voorwaarde opgenomen dat geen onevenredige negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat van de omgeving mag optreden.

2.7.2. De raad stelt dat in het rapport 'Analyse en uitgangspunten bestemmingsplan "Centrum Reuver"', dat door de raad is vastgesteld op 18 april 2005, is beschreven dat wintertuinen en soortgelijke aanbouwen een meerwaarde kunnen hebben voor de aantrekkelijkheid van het centrum. Ook vanuit toeristisch perspectief kunnen deze voorzieningen volgens het rapport een duidelijke meerwaarde opleveren. Door middel van aanduidingen op de plankaart is gespecificeerd waar dergelijke gebouwen kunnen worden toegestaan, aldus de raad.

2.7.3. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders onder nader aangegeven voorwaarden vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.a, onder 5, voor het bouwen van aan- en/of uitbouwen ten behoeve van serres en/of wintertuinen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of op het aangrenzende bestemmingsvlak.

In artikel 5, vijfde lid, onder e, sub 2, van de planvoorschriften is de voorwaarde gesteld dat de aan- en/of uitbouw alleen is toegestaan daar waar dit nader is aangeduid op de plankaart.

2.7.4. Op de plankaart zijn zes percelen, waar horecagelegenheden zijn gevestigd, voorzien van een dergelijke aanduiding. De plaatsing van deze aanduidingen is gebaseerd op het onderzoek van het gemeentebestuur naar aanvaardbare locaties voor een wintertuin of serre. In aanmerking genomen de nader aangegeven voorwaarden die in artikel 5, vijfde lid, onder e, van de planvoorschriften zijn opgenomen, in het bijzonder de voorwaarde die is genoemd onder 2.7.1, is de Afdeling van oordeel dat het college in hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien aan dit planonderdeel goedkeuring te onthouden.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 2], niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 3]

2.9. [appellanten] richten zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 3]. Zij betogen dat op dit perceel voor hoofdgebouwen ten onrechte een bouwhoogte van 9 meter wordt toegestaan terwijl maar twee bouwlagen zijn toegelaten, dat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak voor hoofdgebouwen ten onrechte is vergroot van 470 m² naar 700 m² en dat de maximale goothoogte van bijgebouwen ten onrechte is bepaald op 6 meter. Deze mogelijkheden zullen volgens [appellanten] leiden tot een inbreuk op hun privacy en een vermindering van de dag- en zonlichttoetreding. Bovendien is met vrijstelling op grond van artikel 5, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften nog een extra bouwlaag mogelijk. Deze vrijstellingsbepaling is te globaal en te vrijblijvend. Geen concrete clausules zijn opgenomen om schade aan woon- en leefklimaat te voorkomen en afstemming met milieuaspecten te garanderen, aldus [appellanten].

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vrijstellingsbepalingen voldoende objectief begrensd zijn en dat bij het toepassen van een vrijstellingsbevoegdheid een nadere belangenafweging zal worden gemaakt. Hierbij zal een eventuele inbreuk op de privacy, het beperken van de zon- en/of daglichttoetreding en het burenrecht worden meegewogen. Voorts heeft het college zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat de ruimere bebouwingsmogelijkheden waarin het plan voorziet, niet leiden tot een onevenredige aantasting van de belangen van [appellanten].

2.9.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het concentratiegebied binnen de kern Reuver maximale mogelijkheden moeten worden geboden en dat de voorziene bouwmogelijkheden zijn bedoeld om een onderlinge uitwisselbaarheid van de functies mogelijk te maken zonder dat daarvoor een procedure moet worden gevolgd. Voor het perceel [locatie 3] is het maximaal aantal bouwlagen en de toegestane bouwhoogte aangepast, zodat de regeling beter aansluit bij de bestaande bebouwing. Ook is, zo stelt de raad, de regeling ten aanzien van de toegestane goothoogte van bijgebouwen gewijzigd naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten]. Mede in verband met de beperkte ruimte binnen het concentratiegebied kan een derde bouwlaag na stedenbouwkundige goedkeuring worden overwogen. De in de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen criteria en de formulering daarvan voor de in het plan opgenomen vrijstellingsbevoegdheden worden door de raad toereikend geacht.

2.9.3. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.a, onder 1, voor een bebouwingshoogte van maximaal 4 bouwlagen, mits het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast en met uitzondering van de locatie [locatie 3] waarvoor een bebouwingshoogte van maximaal 3 bouwlagen is toegestaan, mits het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.

De Afdeling overweegt hierover dat de in artikel 5, vijfde lid, onder c, van de planvoorschriften voorziene vrijstellingsbevoegdheid door voldoende objectieve voorwaarden wordt begrensd. Voorts betreft de vrijstellingsbepaling een bevoegdheid en geen plicht. In de besluitvorming omtrent de toepassing van de vrijstelling dient het college van burgemeester en wethouders derhalve na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, de vrijstelling van de voorschriften is gerechtvaardigd. Het college heeft derhalve in het betoog van [appellanten] geen aanleiding behoeven te zien om aan de vrijstellingsbepaling goedkeuring te onthouden.

2.9.4. In artikel 5, vierde lid, onder a, sub 1, van de planvoorschriften is bepaald dat de hoogte van hoofdgebouwen maximaal 3 bouwlagen bedraagt, met dien verstande dat de maximale goothoogte niet meer dan 9 meter bedraagt, met uitzondering van [locatie 3] waarvoor een maximale hoogte van 2 bouwlagen geldt. In het vaststellingsbesluit is hierover vermeld dat gelet op het huidige straatbeeld van de aangrenzende percelen, is besloten de regeling zoals die in het vorige plan was opgenomen, over te nemen. De raad heeft aldus naar aanleiding van de inspraakreactie de bouwhoogte voor dit perceel beperkt tot 2 bouwlagen. De Afdeling stelt vast dat de raad de toegestane goothoogte van 9 meter niet heeft aangepast aan de goothoogte van 6,5 meter die ingevolge het vorige plan was toegestaan. Ter zitting is komen vast te staan dat de raad bij de vaststelling van het plan wel heeft beoogd de maximaal toegelaten goothoogte dienovereenkomstig aan te passen.

Tevens neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 5, vierde lid, onder a, sub 8, van de planvoorschriften bepaalt dat voor woningen en hierbij behorende overige gebouwen, alsmede aan- en uitbouwen, mede in afwijking van het bepaalde onder sub 6 en 7 van dat lid, de bepalingen zoals opgenomen in artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften gelden. In het geval dat de realisering van nieuwe gestapelde woningen aan de orde zou zijn, brengt het bepaalde in artikel 4, lid 4.a, onder 1c, sub 4, van de planvoorschriften met zich dat de goothoogte van deze woningen maximaal 10 meter zou mogen bedragen en dat - in afwijking van het bepaalde in artikel 5, vierde lid, onder a, sub 1, van de planvoorschriften - ter plaatse van het perceel [locatie 3] meer dan twee bouwlagen zouden kunnen worden gerealiseerd, hetgeen door de raad echter niet is beoogd.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het plan op deze punten niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.9.5. Vast staat dat het plan niet voorziet in een maximaal bebouwingspercentage of maximale oppervlaktematen voor hoofdgebouwen ter plaatse van het perceel [locatie 3]. Dit betekent dat, naast hetgeen in 2.9.4 is overwogen, het plan, behoudens ter plaatse van een strook van ongeveer 4,5 meter langs de weg, het mogelijk maakt dat het gehele perceel wordt bebouwd met een hoofdgebouw van twee bouwlagen. Namens de raad is ter zitting toegelicht dat het vorige plan via vrijstelling ook veel bebouwing op het perceel toeliet. Voorts is ter zitting gebleken dat de bebouwingsmogelijkheden die het vorige plan door middel van vrijstelling bood, niet zijn benut. Gelet hierop en op het feit dat niet is gebleken van een afweging waarin de belangen van [appellanten] zijn betrokken, is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan in zoverre niet zorgvuldig heeft voorbereid.

2.9.6. Ingevolge artikel 5, vierde lid, onder a, sub 7, van de planvoorschriften bedraagt de goothoogte van overige gebouwen, alsmede aan- en/of uitbouwen maximaal 6 meter. In het besluit tot vaststelling heeft de raad met betrekking tot de oorspronkelijke tekst van dit planvoorschrift in het ontwerpplan overwogen dat binnen de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" abusievelijk wordt gesproken over bijgebouwen, terwijl aan- en uitbouwen zijn bedoeld. Een goothoogte van maximaal 6 meter is binnen deze bestemming volgens de raad stedenbouwkundig wel verantwoord wat betreft aan- en uitbouwen, gezien de maximaal toegestane goothoogte voor hoofdbebouwing. De bestemmingsplanvoorschriften zullen dienovereenkomstig worden aangepast, zo is in het besluit vermeld. Gelet op de begripsomschrijving in artikel 1, lid 33, van de planvoorschriften moeten onder overige gebouwen ook vrijstaande bijgebouwen worden begrepen, zodat ook vrijstaande bijgebouwen ingevolge het plan een goothoogte mogen hebben van 6 meter. Dit is echter blijkens het raadsbesluit niet de bedoeling van de raad, zodat het plan ook in dit opzicht is voorbereid en genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie 3] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Proceskostenveroordeling

2.11. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep zich richt tegen artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 7 oktober 2008, kenmerk 2008/38646, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 3];

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 7 oktober 2008;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,45 (zegge: vijfenveertig euro en vijfenveertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

177-545.