Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
201000828/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 21 januari 2010 heeft DMH bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een werkplan voor de verwerking van asbesthoudende afvalstoffen in bijzondere situaties, als bedoeld in voorschrift 3.35.2 van de bij besluit van 2 april 2002 aan haar krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor haar inrichting op het adres Baanhoekweg 92a te Dordrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000828/1/M1.

Datum uitspraak: 12 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Derde Merwedehaven B.V. (hierna: DMH), gevestigd te Terneuzen, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 21 januari 2010 heeft DMH bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een werkplan voor de verwerking van asbesthoudende afvalstoffen in bijzondere situaties, als bedoeld in voorschrift 3.35.2 van de bij besluit van 2 april 2002 aan haar krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor haar inrichting op het adres Baanhoekweg 92a te Dordrecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2010, heeft DMH de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 22 januari 2010 heeft het college goedkeuring aan het werkplan onthouden.

Tegen dit besluit heeft DMH bezwaar gemaakt.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 maart 2010, waar DMH, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Piek, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [partij], de Stichting Werkgroep Derde Merwedehaven, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht, vertegenwoordigd door D.M. Roza, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit van 22 januari 2010 heeft het college alsnog beslist op het verzoek van DMH om goedkeuring van een werkplan voor de verwerking van asbesthoudende afvalstoffen in bijzondere situaties. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening heeft uitsluitend nog betrekking op dit reƫle besluit.

2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het werkplan ziet op de verwerking van een partij met asbest verontreinigde grond, afkomstig van een saneringslocatie nabij Ouderkerk aan den IJssel. Ter zitting is gebleken dat deze partij afvalstoffen inmiddels elders is verwerkt. Nu het werkplan geen betrekking heeft op de verwerking van andere partijen asbesthoudende afvalstoffen, bestaat naar het oordeel van de voorzitter in zoverre geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.3. DMH betoogt dat niettemin een spoedeisend belang bestaat, omdat zij voornemens is op korte termijn een werkplan ter goedkeuring over te leggen voor de verwerking van een of meer andere partijen asbesthoudende afvalstoffen. Zij vreest dat het college daaraan op dezelfde gronden goedkeuring zal onthouden.

2.3.1. De voorzitter ziet in de door DMH uitgesproken vrees dat het college op dezelfde gronden als in het bestreden besluit ook goedkeuring zal onthouden aan een - nog in te dienen - werkplan voor de verwerking van een andere partij asbesthoudende afvalstoffen, daargelaten dat de voorzitter voor die vrees geen enkel concreet aanknopingspunt is gebleken, geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het thans bestreden besluit van 22 januari 2010 rechtvaardigt. Nu het college ter zitting heeft toegezegd de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit en de beslissing omtrent de goedkeuring van een eventueel volgend werkplan zo veel mogelijk te zullen bespoedigen, kan ervan worden uitgegaan dat, wanneer een volgende partij asbesthoudende afvalstoffen aan DMH ter verwerking zal worden aangeboden, op het bezwaar zal zijn beslist of binnenkort zal worden beslist en een besluit omtrent de goedkeuring van een nieuw werkplan zal zijn genomen. In verband met dat besluit kan DMH desgewenst verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening. Ook in zoverre is er geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2010

483.