Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200903980/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903980/1/M2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Hof van Twente,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.B.G. Kamst en C.B.M. Arkink, zijn verschenen. Verder is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D. Pool en [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het college stelt dat het beroep, voor zover het is ingesteld door [drie personen], niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit vanwege de afstand tussen hun woningen en de inrichting. Vergunninghoudster heeft ter zitting betoogd dat de beroepsgronden inzake de categorie-indeling en de afstandmeting in het kader van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie), de beroepsgrond inzake het als gevolg van de MRSA-bacterie dreigende gevaar voor de gezondheid van omwonenden en de beroepsgrond over geluidvoorschriften 2.2 en 2.3 niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat op deze punten geen bedenkingen zijn ingebracht.

2.1.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (hierna: de Wet uov) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (hierna: de Aanpassingswet) in werking getreden.

Het bij deze wetten behorende overgangsrecht is geregeld in artikel IV van de Wet uov, zoals dat artikel luidt na wijziging bij de Aanpassingswet. Ingevolge artikel IV, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals het gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet uov van toepassing ten aanzien van besluiten die zijn aangevraagd vóór dat tijdstip.

De op het bestreden besluit betrekking hebbende aanvraag is op 14 juni 2005, dus vóór de inwerkingtreding van de Wet uov op 1 juli 2005 aangevraagd. Op het geding zijn daarom de bepalingen van de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht zoals die luidden vóór deze bij de Wet uov en de Aanpassingswet werden gewijzigd, van toepassing.

2.1.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.1.3. Gelet op artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door - onder meer - degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Vaststaat dat [drie personen] tijdig bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat er geen aanleiding bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, voor zover het door de genoemde personen is ingesteld.

2.1.4. [appellant] en anderen hebben de gronden inzake de categorie-indeling en de afstandmeting in het kader van de Wet stankemissie alsmede de beroepsgrond inzake het dreigende gevaar voor de gezondheid van omwonenden niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellant] en anderen redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van de beroepsgrond inzake de geluidvoorschriften 2.2 en 2.3 overweegt de Afdeling dat, anders dan vergunninghoudster stelt, deze beroepsgrond wel zijn grondslag vindt in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat de geluidvoorschriften te ruim zijn en dat deze niet kunnen worden nageleefd. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de beroepsgronden over geluidhinder onvoldoende duidelijk gemotiveerd zijn.

2.2.1. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5.

Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevat.

2.2.2. De Afdeling overweegt dat voor het standpunt van het college geen steun in het recht kan worden gevonden. Het door [appellant] en anderen ingediende beroepschrift bevat beroepsgronden over geluidhinder in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. Er bestaat dan ook gelet op artikel 6:6, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met deze bepaling geen reden om het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Bekendmaking

2.3. [appellant] en anderen betogen dat niet op juiste wijze mededeling is gedaan van het ontwerp van het bestreden besluit. In dit verband stellen zij dat zij ten onrechte geen kennisgeving in de zin van artikel 13.4, aanhef, en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, hebben ontvangen.

2.3.1. Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, moet, indien de aanvraag om een vergunning of een ontheffing betrekking heeft op een inrichting of werk, van het ontwerp van het besluit gelijktijdig met de terinzagelegging mededeling worden gedaan door een niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting of het werk, voor zover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.

2.3.2. In de directe omgeving van de inrichting zijn gebouwde eigendommen, onder andere woningen van derden, gelegen. Niet in geschil is dat aan de gebruikers van de gebouwde eigendommen geen niet op naam gestelde kennisgeving in de zin van artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, is gezonden. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, tot stand gekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet is gebleken dat eventuele belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Het beroep is reeds hierom geslaagd, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding tevens nog op de beroepsgronden over geluidhinder in te gaan.

Geluid

2.4. [appellant] en anderen voeren aan dat de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet toereikend zijn ter bescherming tegen geluidhinder. Volgens hen is ten onrechte geen onderzoek verricht naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Zij betogen verder dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan omdat daarbij geen rekening is gehouden met de geluidbelasting van het afvoeren van vleeskuikens, terwijl deze activiteit wel is aangevraagd.

2.4.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Milieubeheer en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving gelden als richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor een stille woonwijk met weinig verkeer gelden als richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Voor bestaande inrichtingen moeten volgens hoofdstuk 4 van de Handreiking de richtwaarden voor woonomgevingen steeds opnieuw worden getoetst. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid of, op basis van een bestuurlijke afweging, tot een etmaalwaarde van 55 dB(A) waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

2.4.2. In vergunningvoorschrift 2.1 zijn geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen van 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.3. Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving. Het college is er evenwel van uitgegaan dat het gelet op het karakter van de in de omgeving van de inrichting gelegen autoweg N 347 aannemelijk is dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid hoger is dan de in de Handreiking gestelde richtwaarden voor een landelijke omgeving. Gelet hierop heeft het college aansluiting gezocht bij de richtwaarden voor een stille woonwijk met weinig verkeer.

2.4.4. De in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden overschrijden de hiervoor genoemde richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A). Het college heeft voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek verricht naar het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid. Nu het college dit heeft nagelaten heeft het in zoverre in strijd gehandeld met het door hem gekozen uitgangspunt, de Handreiking. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.4.5. Ten aanzien van de geluidbelasting vanwege de afvoer van slachtrijpe vleeskuikens overweegt de Afdeling het volgende.

Blijkens het bij de aanvraag behorende rapport van 20 juli 2007 waarin de resultaten van het door adviesbureau Van der Boom B.V. uitgevoerde akoestisch onderzoek zijn neergelegd (hierna: het akoestisch rapport), is bij de berekening van de totale geluidbelasting vanwege de inrichting met de afvoer van slachtrijpe vleeskuikens in zowel de dag-, avond- als de nachtperiode rekening gehouden. Uit deze berekening kan worden afgeleid dat de afvoer van slachtrijpe vleeskuikens in de avond- en nachtperiode een geluidbelasting van 42 dB(A) veroorzaakt ter plaatse van de woning [locatie A], waarmee de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de avond- en nachtperiode met onderscheidenlijk 2 en 7 dB(A) worden overschreden. Uit het akoestisch rapport kan worden afgeleid dat de afvoer van slachtrijpe vleeskuikens in de nachtperiode als regelmatige afwijking van de bedrijfssituatie voor maximaal 27 keer per jaar is aangevraagd. De Afdeling stelt vast dat evenwel geen voorschrift aan de vergunning is verbonden waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld voor deze regelmatige afwijking van de bedrijfssituatie, zodat ook in die situatie moet worden voldaan aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden. Nu uit het akoestisch rapport blijkt dat in zoverre niet kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden, komt het voorschrift neer op een weigering van de gevraagde vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer. De vergunning dient zo nodig expliciet te worden geweigerd. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften 2.2 en 2.3., waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld voor het maximale geluidniveau. Volgens hen zijn de gestelde geluidgrenswaarden niet toereikend om geluidhinder te voorkomen. Voorts volgt volgens hen uit deze voorschriften dat het maximaal geluidniveau in de nachtperiode als gevolg van de laad- en losactiviteiten lager is dan het maximaal geluidniveau in de nachtperiode zonder laad- en losactiviteiten, hetgeen volgens hen niet juist kan zijn. Volgens hen moet daarom worden betwijfeld of de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

2.5.1. In voorschrift 2.2, voor zover hier van belang, is bepaald dat het maximaal geluidniveau, met uitzondering van laad- en losactiviteiten, ter plaatse van drie woningen van derden niet meer mag bedragen dan maximaal 56, 58 en 58 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

In voorschrift 2.3, voor zover hier van belang, is bepaald dat het maximale geluidniveau, ten gevolge van laad- en losactiviteiten, ter plaatse van drie woningen van derden niet meer mag bedragen dan maximaal 60 dB(A) in zowel de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.2. De in de vergunningvoorschriften 2.2 en 2.3 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.5.3. Blijkens het akoestisch rapport wordt onder laad- en losactiviteiten het laden en lossen van kuikens begrepen. In het akoestisch rapport is onderscheid gemaakt tussen de maximale geluidniveaus die als gevolg van het laden en lossen van kuikens optreden en de maximale geluidniveaus afkomstig van overige geluidbronnen. De voor de woning [locatie A] berekende geluidbelasting ten gevolge van de laad- en losactiviteiten komt overeen met de gestelde geluidgrenswaarden. De grenswaarden die gelden voor de activiteiten met uitzondering van de laad- en losactiviteiten, zijn lager dan de grenswaarden voor de laad- en losactiviteiten, zodat de stelling van [appellant] en anderen dat het maximaal geluidniveau in de nachtperiode als gevolg van de laad- en losactiviteiten lager is dan het maximaal geluidniveau in de nachtperiode zonder laad- en losactiviteiten, feitelijke grondslag mist.

De voor de woningen aan de [locatie B] en de [locatie C] berekende geluidbelasting ten gevolge van de laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode is aanzienlijk lager dan de in de voorschriften 2.2 en 2.3 gestelde geluidgrenswaarden voor deze periodes. Er bestaat reeds hierom dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de in de voorschriften 2.2 en 2.3 gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het de beroepsgronden over de categorie-indeling en de afstandmeting in het kader van de Wet stankemissie alsmede de beroepsgrond inzake het dreigende gevaar voor de gezondheid van omwonenden betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 7 april 2009, kenmerk MPM 4817;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Fransen

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

407-596.