Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200906813/1/R3 en 200906813/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "De Feestpôle Gaastmeer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906813/1/R3 en 200906813/2/R3.

Datum uitspraak: 11 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de stichting Stichting Ús Doarpshûs en [appellant sub 2] (hierna in enkelvoud: de Stichting), gevestigd respectievelijk wonend te Gaastmeer, gemeente Wymbritseradiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wymbritseradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "De Feestpôle Gaastmeer" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2010, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door B. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Gaastmeer Bouw B.V., vertegenwoordigd door [directeur], als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van zeven woningen op een perceel in de dorpskom van Gaastmeer. Het plangebied wordt omsloten door bestaande bebouwing aan de [locaties].

2.3. De Stichting, exploitant van het dorpshuis aan de [locatie], stelt dat bij de woningen in het plangebied geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd vanwege de activiteiten in het dorpshuis. In dat verband wijst zij erop dat in het plan wordt afgeweken van de aanbevolen afstand van 30 meter tussen woningen en een dorpshuis zoals aangegeven in de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt volgens de Stichting voorts dat vanwege de activiteiten in het dorpshuis de geluidsbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen met 9 dB wordt overschreden. De raad heeft volgens haar niet gemotiveerd waarom desondanks sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen. Bovendien blijkt niet dat in de afweging het gebruik van een speelveldje dat grenst aan het dorpshuis is betrokken.

2.3.1. De gevolgen van het plan voor het dorpshuis en de effecten van de activiteiten in het dorpshuis op de voorziene woningen in het plangebied zijn onderzocht in het "Akoestisch onderzoek dorpshuis Gaastmeer in verband met geplande woningbouw op de locatie ‘De Feestpôle’", gedateerd 16 september 2008 en opgesteld door WNP raadgevende ingenieurs (hierna: het akoestisch onderzoek), en in de notitie "Geluidsbelasting op de omgeving vanwege de activiteiten in het dorpshuis te Gaastmeer in relatie tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat" van 18 mei 2009, eveneens opgesteld door WNP raadgevende ingenieurs (hierna: de notitie).

2.3.2. Niet in geschil is dat het dorpshuis onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) valt. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het ten gehore brengen van versterkte muziek met een niveau van 95 dB(A) zal leiden tot een equivalent geluidsniveau van 44 dB(A) op de gevel van de dichtst bij gelegen woning in het plangebied. Vanwege de herkenbaarheid van muziekgeluid bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op de gevel van de dichtst bij gelegen woning 54 dB(A). De toelaatbare waarde wordt in dat geval overschreden met 4 dB in de dagperiode, 9 dB in de avondperiode en 14 dB in de nachtperiode.

Uit het akoestisch onderzoek volgt voorts dat in de representatieve bedrijfssituatie in het dorpshuis geen versterkte muziek ten gehore wordt gebracht met een zodanig geluidsniveau dat de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarden op de woningbouwlocatie worden overschreden. In het dorpshuis vinden slechts enkele keren per jaar festiviteiten plaats waarbij wel versterkte muziek met een niveau van 95 dB(A) ten gehore wordt gebracht. Deze incidentele activiteiten, waarvoor op grond van een gemeentelijke verordening toestemming kan worden verleend, vallen niet onder het Activiteitenbesluit.

Voorts vindt wekelijks een repetitie van de muziekvereniging plaats in het dorpshuis waarbij eveneens tot een geluidsniveau van 95 dB(A) ten gehore wordt gebracht. Aangezien dit geen versterkte muziek is, wordt deze activiteit bij de beoordeling of het dorpshuis aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit voldoet niet betrokken, aldus het akoestisch onderzoek.

2.3.3. De raad heeft zich op basis van de notitie op het standpunt gesteld dat ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het dorpshuis in de representatieve bedrijfssituatie aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit voldoet en dat festiviteiten waarbij versterkte muziek ten gehore wordt gebracht en waarbij de geluidgrenswaarden zullen worden overschreden slechts enkele keren per jaar plaatsvinden. Ten aanzien van de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen als gevolg van de wekelijkse repetitie van de muziekvereniging heeft de raad een afweging gemaakt waarbij hij het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van het voorkomen, de hoogte van het geluidsniveau, de noodzaak dan wel de onvermijdelijkheid van de activiteit (maatschappelijk belang), de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet voorkomen van incidentele bedrijfssituaties heeft betrokken.

2.3.4. Anders dan de Stichting stelt heeft de raad gemotiveerd waarom hij ondanks de geluidsbelasting vanwege de wekelijkse repetitie van de muziekvereniging vindt dat in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Stichting heeft haar standpunt dat een wekelijkse geluidsbelasting als hier aan de orde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de weg staat niet nader onderbouwd. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat de raad, anders dan de Stichting stelt de Handreiking Industrielawaai niet van toepassing acht in de onderhavige situatie, maar dat hij voor de te maken belangenafweging aansluiting heeft gezocht bij de factoren die in die Handreiking worden genoemd om een hogere geluidsbelasting af te wegen. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de voorzitter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van de notitie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden bereikt. De voorzitter acht daarbij van belang dat uit de notitie volgt dat ter plaatse van de nieuwe woningen kan worden voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 30 dB(A) etmaalwaarde voor de avondperiode.

Dit betekent tevens dat de raad de afwijking van de in de brochure Bedrijven en Milieuzonering aanbevolen afstand tussen een dorpshuis en woningen heeft gemotiveerd.

Voorts heeft de Stichting niet aannemelijk gemaakt dat bij de toekomstige woningen overlast zal worden ondervonden van het gebruik van het speel- en trapveldje dat ten oosten van het dorpshuis ligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bestaande woningen dichter bij het speelveldje liggen en niet is gebleken dat ter plaatse van die woningen thans overlast wordt ondervonden.

Het betoog faalt.

2.4. De Stichting voert voorts aan dat de door het Waterschap vereiste watercompensatie niet zal worden uitgevoerd.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vanwege verharding van oppervlak en slootdemping 300 m2 aan open water moet worden aangelegd. Deze compensatie is voorzien op gronden grenzend aan het plangebied. De voorzitter is gelet hierop van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorzien wordt in compensatie vanwege verhard oppervlak en slootdemping. Voorts is door de Stichting niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van het open water niet uitvoerbaar is.

2.5. De Stichting stelt verder dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond. Volgens de Stichting is de initiatiefnemer niet kredietwaardig en is de vraag naar woningen in Friesland afgenomen.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouw van de woningen in Gaastmeer past in het gemeentelijke woningbouwbeleid. Onderdeel van dit beleid is dat starters op de woningmarkt de mogelijkheid hebben een goed huis voor een passende prijs te kopen. De woningen in het plangebied zijn voor deze doelgroep bestemd. Binnen deze doelgroep bestaat behoefte aan woningen. Voorts heeft de raad geen reden te twijfelen aan de kredietwaardigheid van de initiatiefnemer en heeft de raad op basis van de exploitatiegegevens van de initiatiefnemer inzicht gekregen in de uitvoerbaarheid van het plan.

De voorzitter is van oordeel dat de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat het standpunt van de raad dat in Gaastmeer behoefte bestaat aan woningen voor starters onjuist is. Voorts heeft de raad kennis gekregen van de exploitatiegegevens en daaruit afgeleid dat het plan economisch uitvoerbaar is. Door de Stichting zijn geen feiten en omstandigheden aangedragen die aanknopingspunten bieden dat de conclusie die de raad getrokken heeft, onjuist is.

2.6. De Stichting stelt verder dat de situering van de woningen in het plangebied ten opzichte van de bestaande woning aan de [locatie], die door [appellant sub 2] wordt bewoond, leidt tot een aantasting van het woongenot. In dat verband wijst zij erop dat afgeweken wordt van de uitgangspunten die golden voor de bestaande bebouwing aan de [locatie] en dat niet is bepaald waar de voorgevel van de woningen in het plangebied moet worden gesitueerd. In dat verband wijst zij op onduidelijkheden in het tegelijk met het bestemmingsplan vastgestelde beeldkwaliteitplan. Bovendien is volgens de Stichting onduidelijk of de westelijke gevel van het pand [locatie] door de gemeente als voor- of als zijgevel wordt aangemerkt. Dit leidt volgens de Stichting tot rechtsonzekerheid.

2.6.1. De voorzitter overweegt dat het door de raad vastgestelde beeldkwaliteitplan geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Bezwaren daartegen kunnen in deze procedure niet aan de orde worden gesteld.

2.6.2. De gronden in het plangebied zijn bestemd voor "Woongebied". Op de verbeelding zijn drie bouwvlakken aangegeven waar respectievelijk maximaal 1, 2 of 4 woningen mogen worden gebouwd. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels dient het hoofdgebouw binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen ook buiten het bouwvlak worden opgericht.

De afstand tussen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak en de westelijke gevel van de woning [locatie] bedraagt ongeveer 13 meter. De afstand tussen het plandeel met de bestemming "Woongebied" en deze gevel van de woning [locatie] bedraagt ongeveer 6,5 tot 7 meter.

Los van het antwoord op de vraag of de westelijke gevel van [locatie] als voor- of zijgevel moet worden aangemerkt, is van belang dat de ramen in de westelijke gevel vanuit de leefruimten in de woning uitzicht geven op het plangebied. Bebouwing van het plangebied zal leiden tot een verandering van de woonomgeving van het pand [locatie]. Gelet op de afstand van het bouwvlak en bestemmingsvlak tot de gevel van de woning [locatie] is de voorzitter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een zodanig ernstige aantasting van het woongenot van de bewoners van [locatie] dat daaraan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het bepalen van de ligging van de voorgevel voor de nieuw te bouwen woningen. De Stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de bebouwingsmogelijkheden in het plangebied niet aansluiten bij de stedenbouwkundige opzet van Gaastmeer.

2.7. De conclusie is dat hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep voor zover gericht tegen het bestemmingsplan is ongegrond.

2.8. Ten slotte betoogt de Stichting dat de raad ten onrechte heeft besloten geen exploitatieplan vast te stellen. De overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer is gesloten heeft volgens de Stichting geen betrekking op de uitvoering van het bestemmingsplan.

2.8.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009, in zaaknr. 200901438/1 overweegt de voorzitter dat het beroep van de Stichting is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld zou de Stichting niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat de Stichting geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening heeft gesloten met betrekking tot gronden in plangebied, de Stichting geen eigenaar is van gronden in dat gebied en ook anderszins niet is gebleken van belangen van de Stichting die rechtstreeks betrokken zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan.

Gelet hierop kan de Stichting evenmin worden aangemerkt als belanghebbende bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening.

Het beroep van de Stichting is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.9. Gelet op het in 2.7 en 2.8.1 overwogene bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010

388.