Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200909533/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college het uitwerkingsplan "De Weide I, deelplan De Vecht 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909533/2/R1.

Datum uitspraak: 11 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college het uitwerkingsplan "De Weide I, deelplan De Vecht 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, beroep ingesteld. Bij deze brief hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door F. Berting en G. Schmidt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de stichting Stichting Woonconcept, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij Woonconcept Vastgoed, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de uitwerking van de bestemming "Wooncentrum uit te werken (WCU)" in het bestemmingsplan "De Weide I 2006". Daarmee is voorzien in de bouw van een appartementencomplex als nieuwe locatie van het verzorgingshuis "Jannes van der Sleedenhuis".

2.3. [verzoekers] betogen dat het uitwerkingsplan in strijd is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan. Hierbij voeren zij in hoofdzaak aan dat bij de uitwerking onvoldoende rekening is gehouden met de stedenbouwkundige uitgangspunten in de toelichting op het bestemmingsplan met betrekking tot groen, parkeren en verkeersveiligheid. Daarnaast stellen zij dat in afwijking van de uitwerkingsregels niet is voorzien in waterpartijen van ten minste 1500 m².

Voorts stellen [verzoekers] dat het uitwerkingsplan, gelet op de gevolgen voor de bestaande groenstructuur in de wijk en de verwachte verkeers- en parkeerdruk, niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In dit verband wijzen zij erop dat in de regels niet is gewaarborgd dat het appartementencomplex als woonzorgcentrum wordt gebruikt. Verder past het complex vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet in de bestaande omgeving, aldus [verzoekers].

2.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wooncentrum uit te werken (WCU)" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van wonen met daaraan ondergeschikt gemeenschappelijke voorzieningen zoals recreatieruimtes, keuken, kleinschalige winkelvoorziening ten behoeve van bewoners, gezondheidszorg, sociale dienstverlening en daarmee samenhangende administratieve diensten, met de daarbij behorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water, wegen en paden.

Ingevolge het tweede lid werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Wooncentrum uit te werken (WCU)" uit met inachtneming van de volgende regels:

a. Bij de wijze waarop het plangebied wordt ingericht en gerealiseerd, wordt rekening gehouden met de stedenbouwkundige uitgangspunten die zijn weergegeven in paragraaf 4.2 onder 1 van de toelichting.

[…]

c. Voor het inrichten van het gebied geldt de bepaling dat er voldoende parkeerplaatsen binnen het uit te werken gebied aanwezig moeten zijn, voor zowel bewoners als het personeel en afhankelijk van zowel het aantal als het type woning.

d. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

I. het aantal bouwlagen mag aan de oostzijde maximaal zes bedragen en aan de westzijde maximaal vier bedragen;

II. in verband met de waterhuishouding moeten er waterpartijen worden aangelegd met een minimale opppervlakte van 1500 m²;

[…]

2.5. Volgens de toelichting op het bestemmingsplan is het beleid, voor zover hier van belang, gericht op het behoud en de versterking van de kwaliteit van het woonmilieu door onder meer speciale aandacht voor het behoud en de versterking van de groenstructuur, het realiseren van nieuwe woningen op mogelijk vrijkomende terreinen, passend in de schaal en het architectonische karakter van de wijk en door de verkeersveiligheid belangrijk aspect te laten zijn bij het bouwen van woningen.

Volgens paragraaf 4.2 van de toelichting op het bestemmingsplan gelden onder meer de volgende uitgangspunten voor het bouwen op de locatie met de bestemming "Wooncentrum uit te werken (WCU)":

- het appartementencomplex moet bestaan uit maximaal vier bouwlagen aan de westzijde en uit maximaal zes bouwlagen aan de kant van de Jos van Aalderenlaan;

- er moet een onderdoorgang komen in het verlengde van de Schelde en de Biesbosch;

- ontsluiting vanaf de Biesbosch en het parkeren zoveel mogelijk onder het gebouw oplossen;

- het principe duurzaam bouwen toepassen door […] de wateropvang in waterpartijen te laten plaatsvinden; in verband met de waterhuishouding moet er een waterpartij van minimaal 1500 m² worden aangelegd.

2.6. Bij de beoordeling van het uitwerkingsplan staat voorop dat aan een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan gevolg dient te worden gegeven en dat daarbij de uitwerkingsregels dienen te worden toegepast. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "De Weide I 2006" de aanvaardbaarheid van de thans voorliggende bestemming "Wooncentrum (WC)" in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd. Gelet hierop bestaat slechts aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien de voorzitter verwacht dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat het uitwerkingsplan in strijd is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan dan wel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het uitwerkingsplan gekozen inrichting strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.6.1. Wat betreft de stedenbouwkundige inpassing van het woon(zorg)centrum acht de voorzitter van belang dat de hoofdgebouwen op het zuidoostelijke deel van het bouwvlak op grond van het uitwerkingsplan uit ten hoogste vijf bouwlagen mogen bestaan, terwijl volgens het bestemmingsplan ter plaatse zes bouwlagen zijn toegestaan. Daarnaast zal op basis van het uitwerkingsplan, anders dan zoals voorzien in het bestemmingsplan, niet het gehele uit te werken gebied worden bebouwd. Volgens de raad is daardoor zowel de realisering van een onderdoorgang in het verlengde van de Schelde en de Biesbosch, die zou dienen ter behoud van de bestaande zichtas ter plaatse, als de aanleg van parkeerplaatsen onder het woon(zorg)centrum niet langer noodzakelijk. Nu volgens de uitwerkingsregels slechts rekening moest worden gehouden met de desbetreffende stedenbouwkundige uitgangspunten in de toelichting, zodat deze uitgangspunten naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen bindende bepalingen betreffen, verwacht de voorzitter niet dat op dit punt in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat in strijd met de uitwerkingsregels is gehandeld.

Voorts heeft Stichting Woonconcept toegelicht dat, hoewel volgens de aanbevolen parkeernormen voor aanleunwoningen en verzorgingstehuizen minimaal 40 en maximaal 64 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, op de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" ruimte bestaat voor de aanleg van ongeveer 150 parkeerplaatsen. Gelet hierop verwacht de voorzitter niet dat, indien de voorziene woningen niet uitsluitend als woonzorgappartementen zullen worden gebruikt, in onvoldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Daarnaast heeft de raad verklaard dat de gronden met de bestemming "Water (W)" een oppervlakte van ruim 1400 m² beslaan en dat ter plaatse van de gronden met de aanduiding "waterberging" is voorzien in een extra waterberging van ruim 300 m², zodat ruimschoots wordt voldaan aan de uitwerkingsregel dat waterpartijen moeten worden aangelegd met een minimale opppervlakte van 1500 m².

2.6.2. Verder hebben [verzoekers] niet aannemelijk gemaakt dat de capaciteit van de omliggende ontsluitingswegen niet toereikend zal zijn om het extra verkeer vanwege het woon(zorg)centrum te kunnen verwerken. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat in de bestaande omgeving reeds is voorzien in vrijliggende fiets- en voetpaden. Derhalve bestaan vooralsnog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het uitwerkingsplan vanuit het oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin ziet de voorzitter in dat het uitwerkingsplan een onaanvaardbare afbreuk doet aan de bestaande groenstructuur. In dit kader acht de voorzitter van belang dat, zoals Stichting Wooncept heeft toegelicht, aan 32% van de gronden in het plangebied de bestemming "Groenvoorzieningen (G)", "Tuin (T)" of "Water (W)" is toegekend.

2.6.3. Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter niet de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het uitwerkingsplan in strijd is met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan dan wel, binnen de uitwerkingsregels, niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Derhalve ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010

516.