Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200908891/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) aan [appellante] een vergoeding van door haar geleden planschade toegekend ten bedrage van € 2500.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908891/1/H2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

 

 

 

 

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

 

 

 

 

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 oktober 2009 in zaak nr. 08/1256 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) aan [appellante] een vergoeding van door haar geleden planschade toegekend ten bedrage van € 2500.

Bij besluit van 7 november 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2010, waar [appellante], in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat gold ten tijde hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan en een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of realisering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellante] heeft verzocht om vergoeding van schade als gevolg van de bepalingen van het bestemmingsplan 'De Laares 2003" en als gevolg van de vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO ten behoeve van de bouw van het gebouw 'Oosteres' met woonappartementen aan de achterzijde van haar woonhuis met praktijkruimte voor fysiotherapie.

2.4. Na advies van de schadebeoordelingscommissie heeft het college aan [appellante] een vergoeding van door haar geleden planschade toegekend ten bedrage van € 2500.

2.5. Het hoger beroep is gericht tegen de hoogte van de vergoeding en de wijze waarop deze is bepaald.

Gelet op het onder 2.2 overwogene heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat bij het bepalen van de geleden schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen het bestemmingsplan 'De Laares 2003' en de vrijstelling ten behoeve van de bouw van het gebouw 'Oosteres' enerzijds, en hetgeen onder het voordien geldende planologische regime had kunnen worden gerealiseerd anderzijds. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college mocht uitgaan van het advies van de schadebeoordelingscommissie en de taxatie van makelaar E. Prenger terecht niet bij zijn oordeel heeft betrokken, nu aan die taxatie geen juiste planvergelijking ten grondslag heeft gelegen. Dat het gebouw 'Oosteres' op kortere afstand van de woning van [appellante] is gerealiseerd dan indertijd uit de voorlichting over het bouwplan bleek, heeft voor de hoogte van de planschadevergoeding geen betekenis, nu het gebouw binnen het in de vrijstelling aangegeven bouwblok is gerealiseerd.

Dat door realisering van het gebouw 'Oosteres' de fysiotherapiepraktijk van [appellante] in waarde is gedaald heeft zij niet met bewijsstukken gestaafd. Dat haar cliënten problemen ondervinden bij het vinden van een parkeerplaats heeft zij, gelet op de in het plan gehanteerde parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning, niet aannemelijk gemaakt.

[appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het college in gelijke gevallen hogere vergoedingen heeft uitgekeerd. Het college heeft gemotiveerd gesteld dat de aan [appellante] toegekende vergoeding een vergelijkbaar percentage van de waarde van haar perceel bedraagt en lager is dan het bedrag dat aan twee andere perceeleigenaren aan de [locatie] is toegekend, omdat haar perceel wegens de ligging kleinere omvang minder waard is.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

 

 

w.g. Bijloos  w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

362.