Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200904625/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van [appellant] om handhavend op te treden tegen het noodgebouw op het binnenterrein van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2010/373
ABkort 2010/121
JOM 2010/637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904625/1/H1.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2009 in zaak nr. 08/1459 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van [appellant] om handhavend op te treden tegen het noodgebouw op het binnenterrein van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2009, verzonden op 15 mei 2009, heeft de rechtbank Utrecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Hogeschool voor de kunsten heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [appellant], in persoon, en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk en J.C.M. Ariaans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de hogeschool, vertegenwoordigd door mr. J. Klazema en [directeur], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevinden zich een hoofdgebouw en een noodgebouw, die de hogeschool van de gemeente huurt. [appellant] is eigenaar van drie aangrenzende percelen met de zich daarop bevindende panden. Voor het noodgebouw, dat rond 1965 is opgericht, is geen bouwvergunning verleend.

2.2. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Niet in geschil is dat het noodgebouw niet kan worden gelegaliseerd, omdat het niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2003.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden mocht afzien. Hij voert hiertoe aan dat de omstandigheid dat het noodgebouw niet kan worden gelegaliseerd voor rekening en risico van de hogeschool dient te blijven. Voorts voert hij aan dat afzien van handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot zijn belangen, nu hij vanwege onvoldoende daglichttoetreding door de aanwezigheid van het noodgebouw op 50 cm van zijn panden de onderste verdieping van die panden niet kan gebruiken voor de woonfunctie die daar ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noordelijke Oude Stad" is toegestaan. Ten slotte voert hij aan dat de overweging van de rechtbank dat op termijn niet van handhavend optreden kan worden afgezien in strijd is met de rechtszekerheid, nu de rechtbank niet heeft vermeld wanneer die termijn zal zijn geëindigd.

2.4.1. In het besluit van 20 april 2008 heeft het college aan de weigering tot handhavend optreden ten grondslag gelegd dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die daartoe nopen. Het college heeft in dit verband gewezen op het grote belang van de hogeschool bij het behouden van het noodgebouw. De door de hogeschool verzorgde theateropleiding is interdisciplinair, waarbij het van belang is dat alle onderwijs en uitvoeringen geconcentreerd op of in de directe omgeving van het perceel plaatsvinden en daarbij is het gebruik van het noodgebouw essentieel, aldus het college. Er is volgens het college geen alternatief voor het noodgebouw, zodat de belangen van de hogeschool bij handhavend optreden onevenredig worden getroffen. Het college heeft er in het besluit voorts op gewezen dat de aanwezigheid van het noodgebouw [appellant] in de periode tussen 1989 en 1993 niet heeft weerhouden van de aankoop van diens percelen en dat hij eerst in 2007 een verzoek om handhaving heeft ingediend.

2.4.2. Het betoog slaagt. De hogeschool heeft weliswaar niet geringe belangen bij het voortbestaan van het noodgebouw, maar de rechtbank heeft niet onderkend dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het algemeen belang dat is gediend bij handhaving. Voorts heeft zij niet onderkend dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van [appellant] bij handhaving. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de lange duur van de aanwezigheid van de illegale bebouwing als zodanig geen grond vormt om af te zien van handhavend optreden, maar ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheden dat het noodgebouw reeds aanwezig was toen [appellant] zijn panden kocht en hij eerst in 2007 om handhaving heeft verzocht. Die omstandigheden nemen het belang van [appellant] bij de verzochte handhaving niet weg, temeer daar de aanwezigheid van het noodgebouw op korte afstand hem verhindert de begane grond van zijn panden in overeenstemming met het bestemmingsplan voor woondoeleinden te gebruiken. Nu bovendien geen sprake is van een overtreding van geringe aard, heeft de rechtbank ten onrechte de gevolgen van handhavend optreden zodanig onevenredig geacht dat het college van handhavend optreden mocht afzien.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ondermeer in de uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr. 200805934/1) geldt ten aanzien van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Ter zitting heeft het college gesteld dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid, dat in dat verband zal worden onderzocht in hoeverre een permanent gebouw ter vervanging van het noodgebouw voor de hogeschool financieel haalbaar is en dat het naar verwachting ten minste zes jaren zal duren alvorens een nieuw bestemmingsplan onherroepelijk is. Voor de vaststelling van de lengte van de begunstigingstermijn is echter niet bepalend de tijd die nodig is om het huisvestingprobleem van de hogeschool definitief op te lossen. Een begunstigingstermijn van zes jaren is derhalve duidelijk te lang.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 april 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding voor het nieuw te nemen besluit een termijn van tien weken te stellen, maar ziet geen aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2009 in zaak nr. 08/1459;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 10 april 2008, kenmerk b08.0047;

V. draagt het college op binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

488.