Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200907904/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn besluit om op 3 februari 2009 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2010/16 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907904/1/M1

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn besluit om op 3 februari 2009 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 28 september 2009 heeft het college het door [appellante]hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2010, waar [appellante], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. El Fizazi en mr. N. El Oualid, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 (hierna: de Afvalstoffenverordening) kan de inzameling van afvalstoffen plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of -voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot

Ingevolge artikel 24, eerste lid, wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepalingen in de Afvalstoffenverordening.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien deze persoon aantoont dat:

a. door hem voldoende zorg voor het milieu in acht is genomen; of

b. hij niet als overtreder kan worden aangemerkt.

2.2. In artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen gemeente Rotterdam (hierna: het Uitvoeringsbesluit) is bepaald dat restafval moet worden aangeboden in een gesloten verpakking met een maximale inhoud van 40 liter, de afvalstoffen zoveel mogelijk moeten worden samengedrukt voordat ze in de inzamelvoorziening worden geworpen, alsmede dat de inzamelvoorzieningen na gebruik goed moeten worden gesloten.

2.3. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een gevulde huisvuilzak die op 3 februari 2009 is aangetroffen op de openbare weg bij de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van [locatie]. Volgens het college is deze huisvuilzak afkomstig van [appellante].

2.4. [appellante] ontkent dat zij de aangetroffen huisvuilzak ter inzameling heeft aangeboden. Zij stelt dat dat zij vanwege een fysieke aandoening geen gevulde huisvuilzak kan dragen. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar overgelegde medische bescheiden.

2.5. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.6. Ter zitting is namens het college meegedeeld dat [appellante] aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt.

2.7. Gelet hierop heeft het college in het bestreden besluit en het primaire besluit van 22 juli 2009 ten onrechte [appellante] als overtreder van artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening aangemerkt en derhalve ten onrechte de kosten van de toepassing van de bestuursdwang op haar verhaald.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 september 2009 komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 22 juli 2009 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 28 september 2009, kenmerk A.B.2009.2.05598/LA;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 22 juli 2009;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 september 2009;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 41,16 (zegge: eenenveertig euro en zestien cent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

191-209.