Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200909647/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2009 heeft de raad van de gemeente Vlagtwedde het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909647/2/R1.

Datum uitspraak: 9 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers] (hierna in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Vlagtwedde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2009 heeft de raad van de gemeente Vlagtwedde het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2009, beroep ingesteld. Bij dezelfde brief heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door G. Metselaar en K. Gringhuis, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] betoogt dat de gebruiksmogelijkheden van zijn landbouwschuur aan de [locatie] in het plan ernstig zijn beperkt en dat daarbij ten onrechte niet de bouw van een bedrijfswoning is toegelaten. In dit verband voert hij aan dat, hoewel de aanwijzing van de Ecologische Hoofdstructuur en het nabijgelegen Natura 2000-gebied aanzienlijke gevolgen heeft voor de agrarische bedrijfsvoering, de aanwijzing ervan niet in het plan is opgenomen. Voorts stelt hij dat ten onrechte in het plan geen rekening is gehouden met de gevolgen van het Waterplan Vlagtwedde en een door het gemeentebestuur gesloten convenant over waterberging.

2.3. Aan het perceel van [verzoeker] aan de [locatie] is de bestemming "Agrarisch - 2" met de aanduidingen "veldschuur" en "Wro-zone - wijzigingsgebied natuur" toegekend. Uit artikel 4.1, aanhef en onder a, b, c, d en e, van de planregels volgt dat ter plaatse agrarisch gebruik is toegelaten, maar niet de uitoefening van een grondgebonden of (deels) niet-grondgebonden agrarisch bedrijf noch wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, nu aan het perceel niet tevens de aanduiding van een bouwperceel is toegekend. Ingevolge artikel 4.8, aanhef en onder e, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden met de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied natuur" wijzigen in de bestemming "Natuur".

2.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat [verzoeker] de agrarische bedrijfsvoering aan de [locatie] reeds enige tijd geleden heeft beƫindigd en de agrarische gronden ter plaatse heeft verkocht. Gelet hierop ziet de voorzitter in zoverre geen onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Wat betreft de aangrenzende gronden van [verzoeker] met de bestemming "Agrarisch - 2" met deels de aanduiding "veldschuur" is [verzoeker] niet gebaat bij schorsing van dit deel van het bestreden besluit, nu de door hem gewenste bouw van een woning ter plaatse daarmee niet mogelijk wordt gemaakt. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend, aangezien ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een deel van het bestemmingsplan. Van uitzonderlijke omstandigheden welke nopen tot een andere conclusie is niet gebleken. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de stellingen van [verzoeker], die niet ter zitting is verschenen om zijn verzoek toe te lichten, geen aanknopingspunten bieden voor de verwachting dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010

516.