Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
200909295/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Irak / 3 EVRM / Yezidi’s / werkzaamheden voor Amerikanen / bedreiging geen beperkte individuele indicatie

De vreemdeling heeft zijn stelling dat hij zowel vanwege zijn werkzaamheden voor de Amerikanen, als vanwege het behoren tot de Yezidi's een reële vrees heeft voor schending van artikel 3 van het EVRM slechts onderbouwd met zijn stelling dat het dorpshoofd hem heeft verteld dat Arabieren hem willen vermoorden. Nu de door de vreemdeling gestelde vrees derhalve louter op een verklaring van een derde is gebaseerd en enige verdere onderbouwing daarvan ontbreekt, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor de Amerikanen een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling heeft. Evenzeer heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde bedreiging niet als een beperkte individuele indicatie, als bedoeld in het WBV, kan worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt derhalve.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909295/1/V2.

Datum uitspraak: 8 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 4 november 2009 in zaak nr. 09/14908 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, in het licht van het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van april 2009 "UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers", niet afdoende heeft gemotiveerd dat in de provincie Nineveh in Centraal-Irak, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn). De staatssecretaris betoogt daartoe dat toereikend is gemotiveerd dat en waarom de UNHCR niet wordt gevolgd in het standpunt dat het geweldsniveau in Nineveh zo hoog is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar die provincie worden teruggestuurd alleen al vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2; www.raadvanstate.nl) kan uit punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009, C-465/07, Elgafaji (www.curia.europa.eu), gelezen in samenhang met de punten 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 (NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 25904/07, JV 2008/329) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.2. De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar voormeld rapport van de UNHCR en het algemeen ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2009 (hierna: het ambtsbericht), betoogd dat hij, indien hij moet terugkeren naar de provincie Nineveh, daar louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.3. De staatssecretaris heeft zich, voor zover thans van belang, in het besluit van 31 maart 2009 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat, voor zover hier van belang, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in zijn land van herkomst, dan wel het gebied waaruit hij afkomstig is, omschreven kan worden als een situatie waarbij de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. In reactie op hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris zich in zijn verweerschrift bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat de UNHCR niet gevolgd wordt in haar stelling dat het niveau van geweld in de provincie Nineveh zo hoog is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar die provincie worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige en individuele schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Volgens de staatssecretaris is de veiligheidssituatie in de door de UNHCR genoemde provincies weliswaar slecht en zorgelijk te noemen, maar kan uit de informatie van de UNHCR en het ambtsbericht niet worden afgeleid dat deze veiligheidssituatie zodanig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De staatssecretaris vindt steun voor dit standpunt in het arrest van het EHRM van 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden, nr. 32621/06, JV 2009/74).

2.1.4. In voormeld arrest van 20 januari 2009 heeft het EHRM geoordeeld dat de algemene veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 december 2009 in zaak nr. 200907502/1/V2 (www.raadvanstate.nl) blijkt uit het rapport van de UNHCR van april 2009 niet dat sinds voormeld arrest een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Nineveh heeft plaatsgevonden dat ten aanzien van de situatie in die provincie ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen. De rechtbank heeft onder die omstandigheden in het door de vreemdeling aangevoerde, waaronder het rapport van de UNHCR, ten onrechte aanleiding gezien het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in de provincie Nineveh de situatie voordeed, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, en hij op die grond niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ontoereikend gemotiveerd te achten. De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 31 maart 2009 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft in beroep betoogd, voor zover hier van belang, dat de staatssecretaris heeft miskend dat hij, gelet op zijn verklaringen over zijn werkzaamheden voor de Amerikanen en de omstandigheid dat hij behoort tot de Yezidi's, behoort tot twee van de in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2008/28 (hierna: het WBV) geïdentificeerde groepen van personen die in het bijzonder het risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Hij behoeft dan ook slechts met beperkte individuele indicaties aannemelijk te maken dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. Dit heeft hij gedaan met zijn verklaring dat het dorpshoofd hem heeft verteld dat Arabieren hem willen vermoorden, aldus de vreemdeling. Voorts heeft hij verwezen naar bovenvermeld rapport van de UNHCR, dat vermeldt dat zowel medewerkers van Amerikaanse bedrijven, als Yezidi's dienen te worden aangemerkt als behorend tot een risicogroep.

2.3.1. De staatssecretaris heeft zich, voor zover hier van belang, op het standpunt gesteld dat, gelet op het WBV, het enkele behoren tot de door de vreemdeling genoemde groepen nog niet voldoende is om aan te nemen dat de vreemdeling heeft te vrezen voor een schending van artikel 3 van het EVRM. Voor zover de vreemdeling zich beroept op zijn werkzaamheden voor de Amerikanen heeft hij niet onderkend dat hier geen sprake is van een kwetsbare minderheidsgroep, maar van een groep die verhoogde aandacht vraagt. In zoverre is dan ook geen sprake van een verlaagde bewijslast, zoals deze geldt ten aanzien van risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen, zodat de vreemdeling dan ook aannemelijk dient te maken dat hij vanwege zijn werkzaamheden een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling heeft, waartegen geen bescherming kan worden geboden. Evenmin heeft de vreemdeling met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk gemaakt dat in samenhang met het behoren tot de Yezidi’s een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig is. Het door de vreemdeling in dit kader gestelde dreigement heeft hij slechts van een derde vernomen, zodat dit niet als reële onderbouwing van zijn vrees kan dienen, aldus de staatssecretaris.

2.3.2. Het WBV vermeldt, voor zover hier van belang, dat veel aanslagen plaatsvinden die zijn gericht tegen Irakezen die samenwerken met de regering, internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen, buitenlandse bedrijven en met de Multi National Forces in Iraq. Indien een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt vanwege deze werkzaamheden een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling te hebben, waartegen geen bescherming kan worden geboden, kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel worden verleend. Het enkele feit dat de vreemdeling deze werkzaamheden heeft verricht is onvoldoende voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling.

Het WBV vermeldt voorts, voor zover hier van belang, dat de Yezidi’s worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van paragraaf C2/3.1.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit betekent dat een asielzoeker die behoort tot deze groep reeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000, indien hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang met het behoren tot de Yezidi’s een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig is. Daarvoor is niet vereist dat betrokkene persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.

2.3.3. De vreemdeling heeft zijn stelling dat hij zowel vanwege zijn werkzaamheden voor de Amerikanen, als vanwege het behoren tot de Yezidi's een reële vrees heeft voor schending van artikel 3 van het EVRM slechts onderbouwd met zijn stelling dat het dorpshoofd hem heeft verteld dat Arabieren hem willen vermoorden. Nu de door de vreemdeling gestelde vrees derhalve louter op een verklaring van een derde is gebaseerd en enige verdere onderbouwing daarvan ontbreekt, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor de Amerikanen een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling heeft. Evenzeer heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde bedreiging niet als een beperkte individuele indicatie, als bedoeld in het WBV, kan worden aangemerkt. De beroepsgrond faalt derhalve.

2.4. Daarnaast heeft de vreemdeling in beroep, voor zover thans van belang, aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens de vreemdeling is het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak ten onrechte afgeschaft en is het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Daartoe heeft de vreemdeling verwezen naar een brief van Amnesty International, Afdeling Nederland, van 6 oktober 2008 en het rapport "Country Summary Iraq" van Human Rights Watch van januari 2009. Voorts heeft de staatssecretaris onvoldoende inzicht gegeven in de informatie die voor de afschaffing van het beleid van categoriale bescherming bepalend is geweest, aldus de vreemdeling.

2.4.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 31 maart 2009 in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 gemotiveerd op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op die grond. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij brief van 12 september 2008 de Tweede Kamer der Staten Generaal is bericht dat is besloten het categoriale beschermingsbeleid voor Irak te beëindigen. Hij heeft er op gewezen dat in deze brief onder meer is vermeld dat uit het algemeen ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008 blijkt dat de veiligheidssituatie aan het verbeteren is en dat daarnaast uit onderzoek is gebleken dat naast het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, ook Zweden geen speciaal beleid voert ten aanzien van Irak. De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging, die op 22 november 2008 is ingegaan. Volgens de staatssecretaris geven de door de vreemdeling overgelegde stukken onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

2.4.2. Nu, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 april 2005 in zaak nr. 200500646/1, JV 2005/210), niet is voorgeschreven welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de indicatoren die in ieder geval worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, alsmede in aanmerking genomen dat, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200900452/1/V2, www.raadvanstate.nl), aan de staatssecretaris een ruime beoordelingsvrijheid toekomt terzake van de vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, is er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris op grond van zijn hiervoor weergegeven argumenten niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afschaffing van het beleid van categoriale bescherming en bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het inleidend beroep tegen het besluit van 31 maart 2009 is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 november 2009 in zaak nr. 09/14908;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2010

418-574.

Verzonden: 8 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser