Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200904466/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 16 en 30 juni 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellante] medegedeeld geen bezwaar te maken tegen het voornemen van [appellante] om afvalstoffen, als beschreven in de kennisgevingen met kenmerken NL 201460 en 201461, over te brengen naar Duitsland gedurende de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 onderscheidenlijk van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009. Verder heeft de minister in die besluiten medegedeeld dat deze twee weken na datum dagtekening zullen worden gepubliceerd op de internetpagina www.uitvoeringafvalbeheer.nl.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 19.1a
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 1
Wet openbaarheid van bestuur 2
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 8
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 167 met annotatie van P.J. Stolk
M en R 2010, 20K
M en R 2010, 55 met annotatie van W.Th. Douma
Milieurecht Totaal 2010/1553
ABkort 2010/113
JOM 2010/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904466/1/H3.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 mei 2009 in zaken nrs. 08/1811 en 08/1813 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 en 30 juni 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellante] medegedeeld geen bezwaar te maken tegen het voornemen van [appellante] om afvalstoffen, als beschreven in de kennisgevingen met kenmerken NL 201460 en 201461, over te brengen naar Duitsland gedurende de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 onderscheidenlijk van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009. Verder heeft de minister in die besluiten medegedeeld dat deze twee weken na datum dagtekening zullen worden gepubliceerd op de internetpagina www.uitvoeringafvalbeheer.nl.

Bij onderscheiden besluiten van 20 en 30 september 2008 heeft de minister de door [appellante] gemaakte bezwaren tegen de aangekondigde publicatie van de besluiten van 16 en 30 juni op internet ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2009, verzonden op 19 mei 2009, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar directeur [directeur] en bijgestaan door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.J. Geurts en mr. K. Ulmer, werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende overbrenging van afvalstoffen (hierna: de EVOA), voor zover thans van belang, beschikken de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer over een termijn van 30 dagen na de datum van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteiten van bestemming uit hoofde van artikel 8 om een van de volgende, schriftelijk gemotiveerde besluiten te nemen over de aangemelde overbrenging:

a) toestemming zonder voorwaarden;

b) aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10; of

c) bezwaar, overeenkomstig de artikelen 11 en 12.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer, binnen 30 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteit van bestemming uit hoofde van artikel 8, voorwaarden verbinden aan hun toestemming voor een aangemelde overbrenging.

Ingevolge het tweede lid kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer binnen de in het eerste lid genoemde termijn van 30 dagen, ook voorwaarden verbinden aan het vervoer van afvalstoffen binnen hun rechtsgebied. Deze vervoersvoorwaarden mogen niet strenger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke overbrengingen die volledig binnen hun rechtsgebied worden afgewikkeld, en dienen in overeenstemming te zijn met de bestaande overeenkomsten, in het bijzonder met de toepasselijke internationale overeenkomsten.

Ingevolge het vierde lid worden de voorwaarden door de bevoegde autoriteit die ze stelt schriftelijk aan de kennisgever meegedeeld, met afschrift aan de betrokken bevoegde autoriteiten. De voorwaarden worden door de betrokken bevoegde autoriteit in het kennisgevingsdocument opgenomen of daar als bijlage aan toegevoegd.

Ingevolge artikel 21 kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending of bestemming de informatie betreffende kennisgevingen van overbrengingen waarmee zij hebben ingestemd, via passende instrumenten, zoals het internet, openbaar maken, indien deze informatie niet vertrouwelijk is krachtens nationale of Gemeenschapswetgeving.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder milieu-informatie verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

Ingevolge het tweede lid draagt het bestuursorgaan er zorg voor dat de informatie wordt verschaft in begrijpelijke vorm, op zodanige wijze dat belanghebbende en belangstellende burgers zoveel mogelijk worden bereikt en op zodanige tijdstippen, dat deze hun inzichten tijdig ter kennis van het bestuursorgaan kunnen brengen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge het zesde lid is het tweede lid, aanhef en onder g, niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

Ingevolge artikel 19.1a, eerste lid, van de Wm, voor zover thans van belang, wordt in hoofdstuk 19 van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder milieu-informatie verstaan alle informatie, neergelegd in documenten, over:

a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten;

c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma's, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a en b bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen;

d-f. (...).

2.2. Bij onderscheiden besluiten van 16 en 30 juni 2008 heeft de minister geen bezwaar gemaakt tegen de voornemens PCB-houdende olie ter verwijdering over te brengen naar een bedrijf in Duitsland onderscheidenlijk afgewerkte koelvloeistof ter nuttige toepassing over te brengen naar een ander bedrijf in Duitsland. De over te brengen afvalstoffen zijn volgens de minister gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling Europese afvalstoffenlijst.

In bezwaar heeft de minister de openbaarmaking van deze besluiten gehandhaafd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat openbaarheid van de naam en het adres van de kennisgever van belang is voor belanghebbenden om bezwaar te kunnen maken tegen een verleende toestemming voor de overbrenging van afvalstoffen of voor het indienen van een handhavingsverzoek met betrekking tot het niet nakomen van een terugnameverplichting. Belanghebbenden dienen volgens de minister te kunnen beschikken over alle relevante informatie betreffende de overbrenging. Daaronder vallen de namen van de kennisgever en de ontvanger evenals informatie naar welke inrichting de afvalstromen worden gebracht. De naam en het adres van de kennisgever geven inzicht in de soort afvalstoffen en de achtergrond van het bedrijf waarvan de afvalstoffen worden overgebracht en leveren derhalve belangrijke milieu-gerelateerde bestuurlijke informatie.

Voor zover de namen en adressen geen milieu-informatie zouden inhouden, dienen deze toch openbaar te worden gemaakt omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het verstrekken van die informatie onevenredig wordt benadeeld als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, aldus de minister.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de documenten, waarin de instemmingen met de kennisgevingen zijn neergelegd, betrekking hebben op de bestuurlijke instemming met overbrenging van voor verwijdering dan wel nuttige toepassing bestemde (gevaarlijke) afvalstoffen en daarmee gaan over factoren als afval en maatregelen of activiteiten die op de elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water en bodem en factoren als afval een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede over maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen. Hieruit volgt, gelet op de aanhef van artikel 19.1a van de Wm, dat alle informatie neergelegd in deze documenten, met inbegrip van de namen en adressen van de kennisgever en de ontvangers van afvalstoffen, moet worden aangemerkt als milieu-informatie en dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, gelet op het bepaalde in artikel 10, zesde lid, van de Wob, niet van toepassing is op het verstrekken van de in de betreffende documenten neergelegde informatie, aldus de rechtbank.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de namen en adressen van kennisgever en ontvanger als milieu-informatie heeft aangemerkt. Volgens [appellante] zijn namen en adressen geen factoren die tot aantasting van het milieu kunnen leiden. [appellante] beroept zich in dat verband op een uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 mei 2008 (zaaknummers AWB 07/610 en AWB 07/611), waarin deze oordeelde dat de naam en het adres van een kennisgever niet onder het begrip milieu-informatie vallen en dat uit de naam en het adres van een kennisgever op zich zelf evenmin voor het milieu relevante informatie, zoals de plaats van herkomst of van een eerdere bewerking van de overgebrachte afvalstoffen, valt af te leiden. De rechtbank heeft onvoldoende onderscheiden tussen de vraag of het kennisgevingsdocument in zijn geheel milieu-informatie kan zijn en de vraag of de namen en adressen van kennisgever en ontvanger sec dat zijn, aldus [appellante].

Omdat namen en adressen geen milieu-informatie inhouden, valt de openbaarmaking daarvan onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De in dat kader te verrichten belangenafweging had in haar voordeel moeten uitvallen, omdat zij door openbaarmaking onevenredig wordt benadeeld, terwijl derden ongerechtvaardigd worden bevoordeeld, aldus [appellante].

2.5. Gelet op artikel 19.1a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wm, dient informatie over factoren die elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten, onderscheidenlijk informatie over activiteiten die op dergelijke elementen en factoren een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen, te worden aangemerkt als milieu-informatie. [appellante] kan in haar betoog worden gevolgd dat de namen en adressen van kennisgever en ontvanger geen gegevens inhouden over factoren die elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten.

Maar ze houden wel gegevens in die onlosmakelijk zijn verbonden met maatregelen en activiteiten ter bescherming van die elementen. Daartoe wordt het volgende in aanmerking genomen.

Het doel van de EVOA is de bescherming van het milieu, hetgeen geschiedt door toezicht en controle uit te oefenen op de overbrenging van afvalstoffen. Degene die het voornemen heeft afvalstoffen over te brengen dient daaraan voorafgaand een schriftelijke kennisgeving bij de bevoegde autoriteiten te doen, zodat de bevoegde autoriteiten de nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de EVOA verlenen de bevoegde autoriteiten de kennisgever voor de overbrenging toestemming, toestemming onder voorwaarden dan wel maken zij daartegen bezwaar. Aan de toestemming kunnen ook vervoersvoorwaarden worden verbonden, zodat gedurende de overbrenging van de afvalstoffen een aantasting van elementen van het milieu wordt voorkomen. Verder kent hoofdstuk 4 van de EVOA voor de kennisgever een terugnameplicht van de afvalstoffen indien een gepland transport niet kan worden voltooid dan wel het een illegale overbrenging betreft.

Het verlenen van toestemming voor de overbrenging en het eventueel daaraan verbinden van voorwaarden is een maatregel of activiteit ter bescherming van elementen van het milieu. Een besluit waarbij toestemming, dan wel toestemming onder voorwaarden, is verleend, houdt dan ook milieu-informatie in. Uit een dergelijk besluit vloeien voor de kennisgever rechten en verplichtingen voort. De inhoud van een dergelijk besluit en de kennisgever voor wie die rechten en verplichtingen gelden, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De naam en het adres van de kennisgever zijn dan ook in verband met het besluit milieu-informatie. De EVOA verplicht de kennisgever, indien de overbrenging van afvalstoffen niet kan worden voltooid, deze terug te nemen. Ook gelet daarop houden de naam en het adres van de kennisgever milieu-informatie in. De naam en het adres van de ontvanger zijn van belang voor het toezicht op de naleving of aan het besluit wordt voldaan en zijn gelet daarop eveneens milieu-informatie.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat gelet op artikel 19.1a van de Wm de namen en adressen van de kennisgever en de ontvangers van afvalstoffen milieu-informatie inhouden.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

307-624.