Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200905292/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) aan [belanghebbende] ontheffing ingevolge artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bouwvergunning verleend voor het vergroten van het woonhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905292/1/H1.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 juli 2009 in zaak nrs. 09/981 en 09/984 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (hierna: het college) aan [belanghebbende] ontheffing ingevolge artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bouwvergunning verleend voor het vergroten van het woonhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover in de bij het bestreden besluit verleende ontheffing de voorwaarde tot afbraak van de schuur van 15,9 m2 ontbreekt, het besluit van 5 juni 2009 in zoverre vernietigd, bepaald dat aan de ontheffing de voorwaarde wordt verbonden tot afbraak van de schuur van 15,9 m2 binnen vier weken na realisatie van de vergunde bouw, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Zwolle-Lelystrad ingekomen op 14 juli 2009 en vervolgens doorgezonden naar de Raad van State, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.G.J. van den Bergh-Volkerink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door W. Hilbrink, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van het woonhuis op het perceel met een uitbouw waardoor de woonkamer en de eetkamer met elkaar worden verbonden. In de uitbouw wordt een keuken geplaatst en de voormalige keuken wordt bijkeuken. Verder wordt op de eerste verdieping een doorloop gemaakt naar het achtergelegen deel van het woonhuis. De aldaar aanwezige trap verdwijnt en de bestaande badkamer wordt uitgebreid.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Spoolde Zuid" rusten op het perceel de bestemming "Woningen" met de nadere aanduiding "Bebouwingsklasse B" en de bestemming "Tuin of erf".

De uitbreiding van het woonhuis is gedeeltelijk voorzien op gronden met de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Tuin of erf".

Niet in geschil is dat de in het bouwplan voorziene uitbreiding van de woning wegens de goothoogte, de hellingshoek van het dak en de breedte daarvan in strijd is met het bestemmingsplan. Tevens is niet in geschil dat het college bevoegd was voor het bouwplan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro, in samenhang gelezen met artikel 4.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening te verlenen.

2.3. Het college heeft bij zijn beoordeling van de aanvraag om ontheffing aansluiting gezocht bij de beleidsregels, neergelegd in de "Algemene Bijgebouwenregeling" (hierna: de bijgebouwenregeling).

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college op een onjuiste manier het aantal vierkante meters heeft bepaald dat volgens de bijgebouwenregeling als maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel is toegestaan. [appellant] voert aan dat volgens de bijgebouwenregeling de op het perceel ten hoogste toelaatbare oppervlakte aan bijgebouwen niet groter mag zijn dan de oppervlakte van het hoofdgebouw op het perceel. Voorts voert hij aan dat de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel met de in het bouwplan opgenomen uitbreiding van de woning wordt overschreden. Daarbij stelt hij dat de oppervlakte van de carport op het perceel ten onrechte niet is meegenomen bij de berekening van de totale oppervlakte aan bijgebouwen.

2.4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid (Doeleindenomschrijving), van de bijgebouwenregeling, voor zover hier van belang, mogen op de erven van woningen in het kader van het bestemmingsplan bijgebouwen worden opgericht.

Ingevolge artikel 4, tweede lid (Bebouwingsvoorschriften), onderdeel b (oppervlakte), aanhef en onder 3, mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning niet meer bedragen dan de oppervlakte van die woning en met inachtneming van de volgende bepaling: indien de oppervlakte van het erf dat gelegen is achter de naar de weg toegekeerde gevel(s) van de woning meer dan 250 m2 bedraagt, dan mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen maximaal 20% van die oppervlakte bedragen tot een maximum van 65 m2.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onderdeel d (vrijstellingsbepaling), aanhef en onder 2, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b, voor de vermeerdering van de toegestane oppervlakte van bijgebouwen met ten hoogste 10 m2.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, wordt onder bijgebouw verstaan: een gebouw, dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van het hoofdgebouw, dan wel functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw; een aan- of uitbouw wordt hier mede onder begrepen.

2.4.2. Wat betreft het aantal vierkante meters aan bijgebouwen dat volgens de bijgebouwenregeling ten hoogste is toegestaan, is gelet op artikel 4, tweede lid, aanhef en onderdeel b, anders dan [appellant] betoogt niet de oppervlakte van het hoofdgebouw van belang, maar de oppervlakte van de woning in de zin van de bijgebouwenregeling. Ingevolge artikel 2, aanhef en het vijftiende lid, wordt onder woning verstaan: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. Vaststaat dat op het perceel de woning in de zin van de bijgebouwenregeling niet kleiner is dan 65 m2. Overigens is ter zitting vast komen te staan dat ook het hoofdgebouw in de zin van de bijgebouwenregeling een oppervlakte van ruim 64 m2 heeft.

Verder moet worden vastgesteld, naar ter zitting is gebleken, dat het erf dat is gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel van de woning ongeveer 1500 m2 bedraagt, zodat ook ingevolge het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, maximaal 65 m2 aan bijgebouwen mag worden gebouwd. Gelet op artikel 4, tweede lid, onderdeel d, aanhef en onder 2, kan de toegestane oppervlakte van bijgebouwen met 10 m2 worden vermeerderd tot 75 m2.

Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat volgens de bijgebouwenregeling in dit geval ten hoogste 75 m2 aan bijgebouwen toelaatbaar was. De voorzieningenrechter is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4.3. Wat betreft de vraag of met realisering van de in het bouwplan voorziene vergroting van het woonhuis niet meer dan 75 m2 aan bijgebouwen wordt gerealiseerd, wordt vastgesteld dat op het perceel de bestaande bijgebouwen, waartoe volgens de bijgebouwenregeling ook de reeds bestaande uitbreiding van het woonhuis moet worden gerekend, een gezamenlijke oppervlakte hebben van ongeveer 84,10 m2 en de in het bouwplan voorziene uitbreiding van het woonhuis ongeveer 18,35 m2. Daarnaast is nog een carport aanwezig met een oppervlakte van ten minste 15 m2, waarvan niet op voorhand vaststaat dat deze bouwvergunningvrij is. In totaal is ongeveer 117,45 m2 aan bijgebouwen in de zin van de bijgebouwenregeling aanwezig. Na uitvoering van de door de voorzieningrechter aan de ontheffing en bouwvergunning verbonden voorwaarde tot sloop van de schuur resteren op het perceel bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste ongeveer 101,35 m2.

Het college heeft bij toetsing of de bouwaanvraag voldoet aan de bijgebouwenregeling echter de oppervlakte van de carport niet meegenomen in de berekening omdat de carport ligt op gronden met de bestemming "Woningen". Verder heeft het college niet de hele oppervlakte van de bijgebouwen meegenomen in de berekening, maar slechts het deel van de bijgebouwen dat is gelegen op gronden met de bestemming "Tuin of Erf". Voor het gemaakte onderscheid is, onder verwijzing naar artikel 1 van de bijgebouwenregeling, als motivering gegeven dat de voorschriften van de regeling alleen van toepassing zijn op gronden die zijn omschreven als erf. Dit is echter onvoldoende grond voor het gemaakte onderscheid. In de begripsbepalingen van de bijgebouwenregeling wordt dit onderscheid niet gemaakt. Verder heeft het college, ter bepaling van het toegestane maximumoppervlakte aan bijgebouwen, bij vaststelling van de omvang van de woning in de zin van de bijgebouwenregeling, delen van de bouwwerken, gelegen op gronden met een woonbestemming, betrokken. Door de oppervlakte van de uitbreiding van het woonhuis op gronden met de bestemming "Woningen" niet mee te nemen in de berekening, terwijl deze volgens de bijgebouwenregeling ook moeten worden beschouwd als bijgebouw, is onduidelijk waarom het college bereid is daaraan medewerking te verlenen.

Gelet op het vorenoverwogene heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op de volgens de bijgebouwenregeling toelaatbare maximumoppervlakte aan bijgebouwen, in redelijkheid de gevraagde ontheffing kon worden verleend. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het voorziene bouwwerk een aanzienlijke schaduwwerking heeft op zijn perceel en hij door de verleende ontheffing onevenredig wordt geschaad in zijn woongenot. [appellant] voert aan dat de voorziene uitbreiding van het woonhuis door het ontnemen van zonlicht op zijn perceel een zo ernstige belemmering van het genot van zijn eigendom vormt, dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de ontheffing.

2.5.1. Het college heeft bij het besluit gebruik gemaakt van door de deskundige Gerko Grobbe gemaakte schaduwberekeningen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2009.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat blijkens het rapport na realisering van de uitbreiding van woonhuis in de maanden september en december rond 15.00 uur een aantal vierkante meters meer schaduw op de aanbouw en in de achtertuin zal optreden. In de zomer zal het bouwwerk niet zorgen voor meer schaduwwerking. Daarnaast is de schaduwwerking in de maanden maart, juni en september bijna nihil ten opzichte van de bestaande situatie. Niet aannemelijk is geworden dat het college niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van het rapport.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in verband met de schaduwwerking van het bouwwerk in redelijkheid ontheffing kon worden verleend.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200701337/1 is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering evident is, aangezien de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden. Geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter als hiervoor bedoeld zich in dit geval voordoet. De beantwoording van de vraag, of na realisering van het bouwplan onredelijke hinder in de zin van artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) optreedt in de vorm van het onthouden van licht, of een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 162 van Boek 6 van het BW jegens hem wordt begaan, is niet evident en de burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om die vraag te beantwoorden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college hierin dan ook geen aanleiding heeft moeten zien ontheffing te weigeren.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 5 juni 2009 gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 8 juli 2009 in zaak nrs. 09/981 en 09/984;

III. verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zwolle van 5 juni 2009, kenmerk 54605/CJ0506;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zwolle aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

163-627.