Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200905920/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2009:BJ1959, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij twee onderscheiden besluiten van 14 juli 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de aanvragen van de stichting Stichting het Liefdadig Gesticht van Johanna Margaretha de Vries (hierna: de stichting) om subsidie voor instandhoudingswerkzaamheden aan drie panden, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905920/1/H2.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting het Liefdadig Gesticht van Johanna Margaretha de Vries, gevestigd te Enkhuizen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 30 juni 2009 in zaak nr. 08/3563 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij twee onderscheiden besluiten van 14 juli 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de aanvragen van de stichting Stichting het Liefdadig Gesticht van Johanna Margaretha de Vries (hierna: de stichting) om subsidie voor instandhoudingswerkzaamheden aan drie panden, afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2008 heeft de minister het daartegen door de stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2009, verzonden op 3 juli 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2010, waar De stichting, vertegenwoordigd door [directeur] N.V. Stadsherstel Enkhuizen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. El Addoutie, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten van 16 januari 2006 (Staatsblad 2006, 31; hierna: het Brim) wordt in het Brim en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonhuizen: "beschermde monumenten die in oorsprong primair zijn vervaardigd voor bewoning of die oorspronkelijk een andere functie dan bewoning hadden maar die thans primair voor bewoning in gebruik zijn, met dien verstande dat kerkgebouwen, kastelen, buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en gemalen niet als woonhuizen worden aangemerkt."

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef, draagt de minister er zorg voor dat eigenaren van woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie een lening kunnen verkrijgen ter financiering van de kosten van de instandhouding van het beschermd monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover van belang, kan de minister voor een periode van zes kalenderjaren aan de eigenaar van een beschermd monument subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van een beschermd monument.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, komen voor subsidie op grond dit hoofdstuk in aanmerking eigenaren van andere beschermde monumenten dan woonhuizen en dan boerderijen zonder agrarische functie.

2.2. De stichting heeft subsidie gevraagd voor werkzaamheden aan de panden Torenstraat 38 en 40 en Westerstraat 73 te Enkhuizen, die samen het rijksmonument 'Hofje J.M. de Vries" (hierna ook: het hofje) vormen.

De minister heeft aan het besluit van 6 november 2008 ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang, dat de panden moeten worden aangemerkt als woonhuis in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van het Brim en dat de stichting, gelet op de artikelen 2 en 4 van het Brim, niet in aanmerking komt voor subsidie, maar voor een laagrentende lening. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat de panden oorspronkelijk als woonhuizen zijn gebouwd, in de 18e eeuw zijn samengevoegd tot één bezit van een welgestelde familie en eerst bij notariële akte van 21 april 1849 zijn overgedragen aan de stichting voor bewoning door vissersweduwen. De minister meent, samengevat weergegeven, dat de herbestemming van de panden en de daarmee gepaarde verbouwing niet heeft geleid tot een andersoortig gebouw dan voorheen, het samengestelde woonhuis, omdat de typologie, het casco en de structuur van de panden in stand zijn gebleven.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, samengevat weergegeven, dat de uitleg die de minister geeft aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van het Brim, juist is. Zij betwist de overweging van de rechtbank, samengevat weergegeven, dat de wetgever met die bepaling heeft bedoeld die gebouwen van liefdadigheid van het begrip woonhuizen uit te zonderen die als zodanig zijn gesticht en gebouwd en dat daarom de panden, die oorspronkelijk als woonhuizen zijn gebouwd, niet samen kunnen worden aangemerkt als een gebouw van liefdadigheid als bedoeld in die bepaling. De stichting voert aan dat dit niet in artikel 1, aanhef en onder g, van het Brim staat en dat daaruit niet valt af te leiden wat de wetgever voor ogen heeft gestaan met de daarin opgenomen uitzondering voor gebouwen van liefdadigheid. Volgens de stichting is een uitleg van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g van het Brim die betekent dat het hofje moet worden aangemerkt als een gebouw van liefdadigheid als bedoeld in die bepaling, niet in strijd met de redactie van die bepaling en valt voor die uitleg steun te vinden in de Nota van Toelichting bij het Brim.

2.4. Ter zitting is van de zijde van de minister toegelicht dat voor de uitleg van artikel 1, aanhef en onder g, van het Brim van belang is, dat de gebouwen die in die bepaling van het begrip woonhuis zijn uitgezonderd - kerkgebouwen, kastelen, buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en gemalen - alle naar hun aard als zodanig zijn gebouwd. Volgens de minister biedt deze bepaling dan ook niet de mogelijkheid de panden waarvoor de stichting subsidie vraagt, anders aan te merken dan als woonhuizen, nu de panden niet als gebouwen van liefdadigheid maar als woonhuizen zijn gebouwd.

De Afdeling verenigt zich met deze uitleg van artikel 1, aanhef en onder g, van het Brim. De Nota van Toelichting biedt, anders dan de stichting meent, onvoldoende aanwijzingen voor een andere uitleg. De rechtbank heeft met juistheid overwogen, samengevat weergegeven, dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat de panden ingevolge deze bepaling voor de toepassing van het Brim moeten worden aangemerkt als woonhuizen. Nu van deze uitleg van genoemd artikel moet worden uitgegaan is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het Brim geen ruimte bood aan de minister om de aanvragen in te willigen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

507.