Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200904618/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2007 heeft appellant (hierna: het college) aan het Waterschap Brabantse Delta bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorpand op het perceel Bouvignelaan 5 te Breda (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 56a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 171
BA 2010/101
ABkort 2010/101
JOM 2010/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904618/1/H1.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 6 mei 2009 in zaak nrs. 09/1122 en 09/1123 in het geding tussen:

Milieuvereniging de Groene Koepel

en

appellant

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2007 heeft appellant (hierna: het college) aan het Waterschap Brabantse Delta bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorpand op het perceel Bouvignelaan 5 te Breda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 februari 2009 heeft het college het door Milieuvereniging De Groene Koepel (hierna: De Groene Koepel) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2009, verzonden op 19 mei 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het door De Groene Koepel daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

De Groene Koepel heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het college het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. Mastilovic, en De Groene Koepel, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Dijk, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar het Waterschap Brabantse Delta, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het De Groene Koepel ten onrechte niet als belanghebbende bij het besluit van 17 december 2007 heeft aangemerkt.

2.2. Volgens artikel 2, eerste lid, van haar statuten, stelt De Groene Koepel zich ten doel:

het handelen of nalaten van handelen van de overheid en particulieren in Breda kritisch te volgen en zonodig te beïnvloeden of te begeleiden op het gebied van de bescherming van het beheer van milieu, natuur en landschap, dit alles in de breedste zin van het woord, alsmede het initiëren en gaande houden van activiteiten van particulieren en organisaties in Breda, die zowel vrijwillig als professioneel op dit terrein werkzaam zijn.

Volgens artikel 3 tracht zij dat doel onder meer te bereiken door:

a. kritische en konstruktieve toetsing van de ontwikkelingen in de samenleving en beïnvloeding van het beleid van zowel de overheid, bedrijven, als particulieren op het gebied van de bescherming en het beheer van milieu, natuur en landschap, waartoe onder meer overleg kan worden gevoerd, adviezen kunnen worden uitgebracht en juridische procedures kunnen worden gevoerd;

b. mobilisatie van de publieke opinie ten aanzien van zaken welke op de bescherming en het beheer van milieu, natuur en landschap betrekking hebben;

c. bevordering van milieubewust gedrag door middel van educatie, voorlichting en informatieverstrekking;

d. stimulering, coördinatie en ondersteuning van particulieren en organisaties die actief zijn op het gebied van de bescherming en het beheer van milieu, natuur en landschap.

De Groene Koepel heeft bij brief aan de rechtbank van 14 januari 2009 haar feitelijke werkzaamheden als volgt gesteld:

- het verstrekken schriftelijke informatie aan bewoners o.a. over UMTS-straling, behoud van groen;

- het deelnemen aan klankbordgroepen bij de ontwikkeling van nieuw beleid in de gemeente;

- het organiseren van informatieavonden over actuele thema's;

- het organiseren van excursies naar natuurgebieden die onder druk staan;

- het houden van openbare vergaderingen;

- het uitgeven van nieuwsbrieven.

2.3. De doelstelling van De Groene Koepel is beperkt tot het grondgebied van de gemeente Breda. Anders dan het college stelt, is voorts niet gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van De Groene Koepel beperkt zijn tot activiteiten met betrekking tot luchtvervuiling, luchtkwaliteit, UMTS-masten en, met name door het voeren van procedures, het behoud van bomen. Volgens onder meer artikel 3 van haar statuten, haar brief aan de rechtbank van 14 januari 2009 en het verhandelde ter zitting zien haar werkzaamheden op de bescherming en het beheer van milieu, natuur en landschap en het behoud en de versterking van een gezond woon- en leefklimaat. Geen reden bestaat om dat niet aan te nemen, nu het college het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank niet ten onrechte aangenomen dat De Groene Koepel door het besluit van 17 december 2007 rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het beroep van rechtswege van De Groene Koepel tegen het besluit van 23 juli 2009 is ter zitting ingetrokken.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Breda griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

163-580.