Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200904070/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2009, kenmerk 1454247, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad), bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Reusel" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904070/1/R2.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Reusel-De Mierden,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2009, kenmerk 1454247, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad), bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Reusel" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010, waar [appellant sub 1], in persoon, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door C.A.H. Stolwijk, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Het toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in één integraal bestemmingsplan voor de kom van Reusel. Het plan heeft grotendeels een conserverend karakter doch bevat tevens mogelijkheden voor herstructurering van enkele locaties en voor de bouw van nieuwe woningen.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan voor zover dat betrekking heeft op haar perceel […] op de hoek van de [locatie 1] en [locatie 2]. Zij voert aan dat op haar perceel de bouw van een woning mogelijk moet zijn. Hiertoe stelt zij dat de gemeente bij haar de verwachting heeft gewekt dat het bouwen van een woning op haar perceel mogelijk zou worden gemaakt. Zij verwijst hierbij naar een brief van het college van burgemeester en wethouders van 26 november 2003 (hierna: de brief). [appellant sub 1] acht dit in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Er is geen sprake van een uitbreiding van de bebouwde kom, zodat de bouw van een woning past binnen het Streekplan 2002, aldus [appellant sub 1]. Ter zitting heeft [appellant sub 1] nog aangevoerd dat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op de argumentatie van de raad in de nota van zienswijzen, niet valt in te zien waarom het toegestaan zou moeten worden op de bedoelde locatie een woning te bouwen. Voorts acht het college het besluit van de raad voldoende gemotiveerd en ziet het college geen redenen te veronderstellen dat sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen of van willekeur.

2.3.2. De raad heeft erop gewezen dat in de brief is aangegeven dat de toetsing aan overige criteria uiteindelijk de doorslag zou geven en dat aan [appellant sub 1] eind 2004 is medegedeeld dat woningbouw ter plaatse niet tot de mogelijkheden behoort. Voorts heeft de raad gesteld dat een afwijking van de stedenbouwkundige structuur aan de [locatie 1] niet wenselijk is en dat de eerder toegestane woning aan de [locatie 2] geen afbreuk doet aan dit standpunt.

2.3.3. Het perceel van [appellant sub 1] is afgesplitst van het perceel [locatie 3] en had in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch kernrandgebied". In dat plan was er geen mogelijkheid voor woningbouw op het perceel.

Na een daartoe strekkende oproep van het gemeentebestuur heeft [appellant sub 1] eind 2000 haar perceel aangemeld als inbreidingslocatie. Bij brief van 26 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders haar geschreven dat een eerste toetsing op stedenbouwkundige inpasbaarheid een positief resultaat opleverde. Hierbij is uitdrukkelijk vermeld dat de toetsing aan de overige criteria uiteindelijk zou bepalen of het perceel voor bebouwing in aanmerking zou komen.

Vervolgens heeft de raad op 19 juli 2004 de StructuurvisiePlus vastgesteld, waarin de inbreidingslocaties nader zijn beoordeeld.

Bij brief van 24 november 2006 is aan [appellant sub 1] bericht dat haar perceel, gelet op de ligging aan de rand van het buitengebied, niet als een inbreidingslocatie in de zin van de StructuurvisiePlus kan worden aangemerkt, zodat het perceel niet voor bebouwing in aanmerking komt. Dit standpunt is daarna nog een aantal malen schriftelijk meegedeeld aan

[appellant sub 1].

2.3.4. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een woningbouwmogelijkheid op het perceel zou voorzien. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

Wat betreft het beroep van [appellant sub 1] op het gelijkheidsbeginsel heeft de raad ter zitting aannemelijk gemaakt dat in het door [appellant sub 1] aangevoerde andere geval sprake was van een saneringssituatie van een agrarisch bedrijf. Deze situatie, alsook de ligging van dat perceel, is niet gelijk aan die van [appellant sub 1] en de ligging van haar perceel, zodat van strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken.

2.3.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak op zijn perceel [locatie 4] niet correct is vastgesteld daar de bestaande bebouwing gedeeltelijk buiten dit bouwvlak valt. Deze bebouwing is wel feitelijk voor horeca in gebruik. Het uitgangspunt in het plan voor de horeca aan de [locatie] was om de bestaande bebouwing als zodanig te bestemmen. Ter zitting heeft [appellant sub 2] gesteld dat voor andere horecabedrijven aan de [locatie] het bouwvlak wel is vastgesteld overeenkomstig de bestaande bebouwing ook al is die niet altijd met een bouwvergunning gebouwd. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat er geen deugdelijke motivering is om de door hem gewenste uitbreiding niet toe te staan. Het gaat slechts om een klein gedeelte van het perceel dat bovendien tussen twee bestaande als zodanig te bestemmen horecagedeelten in ligt. [appellant sub 2] vindt het daarnaast onterecht dat de horecavoorzieningen aan de [locatie] geen uitbreidingsmogelijkheid wordt geboden terwijl de buiten de [locatie] gelegen horecavoorzieningen die wel hebben. Dit acht hij ongelijke behandeling.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak overeenstemt met het gedeelte dat feitelijk in gebruik is voor horeca en dat het overige gedeelte van het terras niet in het bouwvlak dient te worden opgenomen. Voor het overige neemt het college de reactie van de raad op de zienswijze over. Dit betreft het besluit van de raad, dat al eerder is genomen, om geen uitbreiding van de horecavestigingen in het horecaconcentratiegebied aan de [locatie] toe te staan. De raad ziet geen reden om hiervan nu af te wijken.

2.4.2. Ter zitting heeft de raad erkend dat de toegangsdeur met ombouw van het pand aan de rechterzijde, op het perceel [locatie 4] niet in het onderzoek naar de feitelijke bebouwing ter plaatse is meegenomen. Volgens de raad was het bestaan van deze deur met ombouw bij de gemeente niet bekend. Indien de deur met ombouw op voorschrift van de brandweer is aangebracht, ziet de raad geen bezwaar om daarvoor het bouwvlak uit te breiden. Hiervoor is echter eerst nader onderzoek nodig.

Nu het onderzoek voorafgaande aan de vaststelling van het plan niet volledig is geweest, is er in zoverre naar het oordeel van de Afdeling sprake van onzorgvuldige voorbereiding van het plan.

Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat de overkapping van een gedeelte van het terras op zijn perceel ten onrechte buiten het bouwvlak is gehouden, faalt dit. De overkapping is zonder de daartoe vereiste bouwvergunning gerealiseerd, zodat het een illegaal bouwwerk betreft. De raad behoefde met deze overkapping dan ook geen rekening te houden. Wat betreft de door [appellant sub 2] gemaakt vergelijking met de horecagelegenheden aan de [locatie] wordt overwogen dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat illegale bebouwing op andere percelen wel in het plan is opgenomen.

Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de horecagelegenheden buiten de [locatie] wordt overwogen dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat deze horecagelegenheden niet in een horecaconcentratiegebied liggen. Het ten aanzien van het horecacontratiegebied gevoerde beleid acht de Afdeling niet onredelijk dan wel in strijd met gelijkheidsbeginsel. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

2.4.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] met betrekking tot de toegangsdeur met ombouw heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college op dit onderdeel gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horeca" buiten het bouwvlak met betrekking tot de toegangsdeur met ombouw aan de rechterzijde van het pand [locatie 4]. Tevens ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

De conclusie is voorts dat hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op die onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling voor [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 april 2009, kenmerk 1454247, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Horeca" buiten het bouwvlak met betrekking tot de toegangsdeur met ombouw aan de rechterzijde van het pand [locatie 4];

III. onthoudt goedkeuring aan genoemd plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 april 2009;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige en het beroep van [appellant sub 1] geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

234-647.