Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200905746/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast voorzieningen te treffen aan het pand [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905746/1/H1.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2009 in zaak nr. 08/3665 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast voorzieningen te treffen aan het pand [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand).

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.J.A. Wiekart, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R. Fa-Si-Oen en mr. H. Pals, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 3 januari 2008 [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast voorzieningen te treffen aan het pand. Dit besluit is op 4 januari 2008 per aangetekende post aan [appellant] verzonden, maar door hem niet in ontvangst genomen. Het dagelijks bestuur heeft het besluit op 6 februari 2008 per gewone post opnieuw aan [appellant] verzonden. In de begeleidende brief is gewezen op de eerdere aangetekende verzending.

[appellant] heeft bij brieven van 19 februari 2008 en 15 april 2008 gereageerd op het besluit van 3 januari 2008, het dagelijks bestuur heeft de brief van 15 april 2008 in behandeling genomen als bezwaarschrift.

2.2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of door uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep van 5 januari 2008 tot en met 15 februari 2008 en hij niet-ontvankelijk was in zijn bezwaar. Hij voert daartoe aan dat de termijn voor het indienen van bezwaar eerst per 7 februari 2008, een dag na de toezending van het besluit per gewone post, is aangevangen. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het dagelijks bestuur aanvankelijk ook 7 februari 2008 als aanvang van de bezwaartermijn heeft vastgesteld.

2.4. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat met de toezending van het besluit van 3 januari 2008 bij brief van 6 februari 2008 geen nieuwe bezwaartermijn is gaan lopen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 mei 2006 in zaak nr. 200504810/1 is de hernieuwde toezending van een besluit niet aan te merken als bekendmaking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb en doet dan ook geen nieuwe termijn ontstaan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 januari 2009 in zaak nr. 200803879/1) is de in artikel 6:7 van de Awb vervatte termijn voor het maken van bezwaar van openbare orde. Dit betekent dat het dagelijks bestuur niet van deze termijn kan afwijken, noch kan afzien van een niet-ontvankelijkverklaring. Dat het dagelijks bestuur in de beslissing op bezwaar is uitgegaan van een onjuiste termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is dan ook niet van belang.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de brieven van [appellant], van 19 februari 2008 en 15 april 2008, wat daar verder ook van zij, buiten de bezwaartermijn zijn ontvangen bij het dagelijks bestuur. Voorts vormt het uitgangspunt van het dagelijks bestuur in het besluit op bezwaar geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, reeds omdat dit uitgangspunt eerst na afloop van de bezwaartermijn is ingenomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

2.5. Voor zover [appellant] verwijst naar de gronden die bij de rechtbank zijn aangevoerd, is de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan op deze gronden. Door [appellant] worden in het hoger beroepschrift voor het overige geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

270-627.