Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200907957/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan [vergunninghouders] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie woningen op het perceel [locatie 1] te Hilversum (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 44
Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907957/1/H1.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[maatschap]en [10 appellanten], gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2009 in zaken nrs. 08/3360 en 09/1508 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan [vergunninghouders] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie woningen op het perceel [locatie 1] te Hilversum (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college de door de [maatschap] en [10 appellanten] (hierna: [appellanten]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college aan vergunninghouders bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwplan.

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de door [appellanten] tegen de besluiten van 8 juli 2008 en 17 maart 2009 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouders hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting vergunninghouders, in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, mag slechts en moet de bouwvergunning tweede fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Het besluit van 8 juli 2008

2.2. Het bouwplan, dat ziet op het oprichten van drie woningen, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bonairelaan e.o." (hierna: het bestemmingsplan) dat aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden" toekent.

Om voor de uitvoering daarvan bouwvergunning eerste fase te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorie├źn van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een onderzoeksrapport naar de bodemgesteldheid van het perceel eerst aan de orde komt bij de beoordeling van de aanvraag om bouwvergunning tweede fase.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2007 in zaak nr. 200602043/1, terecht geoordeeld dat een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid, gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab) en de paragrafen 1.3.1, 1.2.5 en 1.2.6, van de bijlage bij het Biab, eerst bij de bouwvergunning tweede fase behoeft te worden overgelegd. Voor zover [appellanten] betogen dat indien een bouwvergunning eerste fase onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan wordt verleend, een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid reeds bij de bouwvergunning eerste fase dient te worden overgelegd, wordt overwogen dat paragraaf 1.2.1b van de bijlage bij het Biab daarvoor geen grondslag biedt.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat aan hetgeen in de toelichting bij het bestemmingsplan is vermeld, te weten dat in het plangebied geen medewerking zal worden verleend aan nieuwe woningbouw, aangezien verdere verstening van het plangebied ongewenst wordt geacht, zij het rechtens te honoreren vertrouwen konden ontlenen dat het college geen medewerking aan het realiseren van het bouwplan zou verlenen.

2.5.1. Daargelaten welke betekenis dient te worden gehecht aan hetgeen is vermeld in de toelichting bij het bestemmingsplan, dat overigens dateert uit 1990, faalt het betoog van [appellanten] reeds omdat het college, los van de bevoegdheid van de gemeenteraad tot het vaststellen van bestemmingsplannen, krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO bevoegd is om voor een project vrijstelling te verlenen van een bestemmingsplan.

2.5.2. Voorts betogen [appellanten] in dit verband dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft nagelaten aan hun vrees voor precedentwerking in de belangenafweging een doorslaggevende betekenis te hechten. Daartoe verwijzen zij naar een bij het college ingediende aanvraag om verlening van bouwvergunning voor het oprichten van twee woningen op het binnen het plangebied gelegen perceel [locatie 2].

2.5.3. Volgens het besluit van 8 juli 2008 wenst het college vast te houden aan het stedenbouwkundig uitgangspunt om verdere verstening tegen te gaan. Met het realiseren van het bouwplan, vindt geen verdere verstening plaats, aangezien het bouwplan niet voorziet in een uitbreiding van het verharde oppervlak van het perceel, waaronder het bebouwingsoppervlak begrepen, ten opzichte van hetgeen ingevolge het bestemmingsplan reeds mogelijk is, aldus het college bij dat besluit.

Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat het perceel thans een uitzondering vormt op de stedenbouwkundige structuur van het desbetreffende deel van het plangebied, aangezien de bestaande villa achter op het perceel is gelegen, op een afstand van minder dan 10 meter tot de achterste perceelsgrens. Met het bouwplan, waarvan de uitgangspunten zijn het zoveel mogelijk handhaven van de bestaande groenstructuur en architectonische uitwerking in lijn met de bestaande bebouwing, wordt volgens het college de mogelijkheid geboden de stedenbouwkundige structuur ter plaatse te herstellen.

2.5.4. Het betoog van [appellanten] faalt. Onder voormelde omstandigheden, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen vrijstelling, zoals verzocht te verlenen.

Het besluit van 17 maart 2009

2.6. Ingevolge artikel 2.1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening Hilversum 2006 (hierna: de bouwverordening) bestaat het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet uit de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993).

Ingevolge artikel 2.4.1, mag op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en

c. 1. dat de grond raakt, of

2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

2.7. [appellanten] betogen dat het besluit van 17 maart 2009 terzake van de bodemgesteldheid onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Daartoe voeren zij, onder verwijzing naar een door hen overgelegd deskundigenrapport van Nipa Milieutechniek (hierna: Nipa) van 28 mei 2008, aan dat de op verzoek van vergunninghouders door Hopman en Peters Holding B.V. (hierna: Hopman en Peters) verrichte onderzoeken naar de bodemgesteldheid ondeugdelijk zijn. Ten onrechte zijn geen boringen verricht op het noordelijk deel van het perceel, om te bezien of de verontreiniging van het perceel [locatie 3] zich niet daar naartoe heeft verspreid, aldus [appellanten].

2.7.1. Aan het besluit van 8 december 2008 heeft het college het deskundigenrapport "Verkennend bodemonderzoek [locatie 1] te Hilversum" van Hopman en Peters van juni 2006 ten grondslag gelegd. Volgens dat onderzoek zijn bij in 2006 verrichte metingen aangetroffen: in de bovengrond licht verhoogde concentraties cadmium, kwik, zink, PAK en EOX; in de ondergrond geen overschrijdingen van streefwaarden; in het grondwater licht verhoogde concentraties cadmium, chroom, koper en zink; in de grond noch in het grondwater concentraties minerale olie boven de streefwaarden. Gezien deze onderzoeksresultaten, gelden geen beperkingen uit milieuhygi├źnisch oogpunt met betrekking tot de voorgenomen bouw, aldus dit deskundigenrapport.

Op 23 april 2008 is door Hopman en Peters opnieuw ter plaatse onderzoek verricht. Volgens het deskundigenrapport "Rapportage verificatie verontreiniging minerale olie [locatie 1] te Hilversum" van Hopman en Peters van 29 april 2008 heeft, op grond van onderzoeksresultaten van op 23 april 2008 verrichte metingen, de verontreiniging met minerale olie zoals aangetroffen in 1996 op het perceel [locatie 3] zich niet uitgestrekt tot het perceel.

In reactie op de voormelde deskundigenrapporten van Hopman en Peters, hebben [appellanten] een deskundigenrapport van Nipa van 28 mei 2008 overgelegd, waarin is vermeld dat op basis van de resultaten van de bekende bodemonderzoeken niet valt uit te sluiten dat op het perceel [locatie 3] een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. Voorts is volgens dit rapport niet vastgesteld dat deze verontreiniging zich niet tot het perceel heeft verspreid. Omdat de verontreiniging noch in de vaste bodem noch in het grondwater in beeld is gebracht, is niet uit te sluiten dat als gevolg van de lekkage van de tank de verontreinigingscontouren van vaste bodem en het grondwater zich tot over het perceel uitstrekken, aldus dit deskundigenrapport. Geconcludeerd wordt verder dat de verontreiniging in zowel de vaste bodem als in het grondwater op het perceel [locatie 3] eerst in beeld dient te worden gebracht.

Naar aanleiding van voormeld deskundigenrapport van Nipa is door Hopman en Peters op 10 juni 2008 ter plaatse nader onderzoek verricht.

Vervolgens is door Hopman en Peters bij brief van 17 juni 2008 een reactie gegeven op voormeld deskundigenrapport van Nipa van 28 mei 2008. In deze brief van 17 juni 2008 wordt geconcludeerd dat uit de onderzoeken uit 2006 en 2008 blijkt dat noch in de grond, noch in het grondwater op het perceel concentraties minerale olie boven de streefwaarden zijn aangetroffen. Voorts is daarin vermeld dat niet aannemelijk is dat de verontreiniging ontstaan op het perceel [locatie 3], zoals in 1996 is aangetoond, zich heeft verspreid tot op het perceel. Indien op het perceel geen bemaling wordt opgestart hebben de voorgenomen werkzaamheden geen invloed op de verontreiniging met minerale olie op het perceel [locatie 3], aldus deze brief.

Bij brief van 9 juli 2008 is door Nipa een reactie gegeven op voormelde brief van 17 juni 2008. Volgens deze reactie kan eerst concreet een uitspraak over de bodemrisico's met betrekking tot het perceel worden gedaan, als de ernst en omvang van de verontreiniging op het perceel [locatie 3] nader in beeld is gebracht en de grondwaterstromingsrichting daadwerkelijk is vastgesteld.

Ten slotte is door Hopman en Peters bij brief van 30 juli 2009 een reactie op het schrijven van Nipa van 9 juli 2008 gegeven. Daarin is geconcludeerd dat de actuele verontreinigingssituatie op het perceel [locatie 3] niet bekend is, maar dat dat in dit verband ook niet van belang is, aangezien vastgesteld is dat er geen verontreiniging afkomstig van het perceel [locatie 3] is verspreid naar het perceel. Voorts zijn geen belemmerende verontreinigingen op het perceel aangetoond. Ten slotte is de grondwaterstromingsrichting weliswaar noordelijk (noordwestelijk tot noordoostelijk), maar dit is voor het voorliggende bouwplan niet van belang is, aangezien ten behoeve van de bouwwerkzaamheden geen grondwater wordt onttrokken, aldus deze brief.

2.7.2. Gelet op bedoelde rapportages, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het besluit van 17 maart 2009 niet heeft kunnen doen gronden op de door Hopman en Peters verrichte onderzoeken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door Hopman en Peters meerdere malen ter plaatse onderzoek is verricht - ook naar aanleiding van het deskundigenrapport van Nipa van 28 mei 2008 - en verschillende deskundigenrapporten zijn uitgebracht, telkens met medeneming van de door Nipa gegeven reacties, en dat ten slotte - door Nipa onweersproken - is geconcludeerd dat geen verontreiniging afkomstig van het perceel [locatie 3] is verspreid naar het perceel en dat de stromingsrichting van het grondwater er voor het voorliggende bouwplan niet toe doet, nu ten behoeve van de bouwwerkzaamheden ter realisering daarvan geen grondwater wordt onttrokken. Het betoog faalt.

2.8. Voorts betogen [appellanten] dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunninghouders voldoende gegevens en bescheiden hebben ingediend om een besluit op de aanvraag om aan hen een bouwvergunning tweede fase te verlenen te kunnen nemen.

2.8.1. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2007 in zaak nr. 200609028/1, in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag om bouwvergunning tweede fase te kunnen nemen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de enkele omstandigheid dat in het rapport "Constructieve uitgangspunten" van Hopman ingenieursburo b.v. van 4 november 2008/1 december 2008 is vermeld dat in overleg met de leverancier zal worden bezien of het geheel als prefab kap kan worden vervaardigd, of dat er een staalconstructie nodig is, en dat de fundering en de wapening in de werkfase zullen worden uitgewerkt, anders dan [appellanten] in dit verband aanvoeren, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende informatie ten aanzien van de constructie van het bouwplan beschikte.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. De Haseth

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

476.