Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200907541/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009, kenmerk 09029540/103/22, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hulst bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Statie".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907541/2/R2.

Datum uitspraak: 1 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], en andere,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009, kenmerk 09029540/103/22, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hulst bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Statie".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster] en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2009 hebben [verzoekster] en andere de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2010, waar [verzoekster] en andere, vertegenwoordigd door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door P. Smits, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door drs. A.J.L. Mein, drs. J.H. Rietbergen en mr. D.J.A. de Sweaf, allen werkzaam bij het Bureau Ruimtelijke Ordening (hierna: BRO), en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter overweegt dat het niet op voorhand vaststaat dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van [verzoekster] en andere, voor zover ingediend door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schuitema Vastgoed B.V. (hierna: Schuitema) ontvankelijk zal achten, nu twijfel bestaat of Schuitema belanghebbende is bij het bestreden besluit. Nu [verzoekster] en [belanghebbende B] als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, is naar het oordeel van de voorzitter in ieder geval sprake van een, in zoverre, ontvankelijk beroep.

2.3. Het plan voorziet onder meer in uitbreiding van de supermarktfunctie en in aanpassing van de verkeersstructuur ter plaatse van een gebied ten zuidwesten van de historische vesting Hulst.

2.4. Ter zitting hebben [verzoekster] en andere aangegeven dat het verzoek zich beperkt tot de verplaatsing van de thans in de historische kern van Hulst gevestigde Albert Hein supermarkt (hierna: AH-supermarkt) naar de gronden die in het plan de bestemming "Bedrijven" en, voor zover thans van belang, de aanduiding ‘supermarkt‘ hebben. Zij beogen met het verzoek om voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan te voorkomen. In dit verband overweegt de voorzitter dat artikel 3.1.3 van de planvoorschriften voorziet in de mogelijkheid om op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding ‘supermarkt’ een winkelpand voor een supermarkt te realiseren. In zoverre is derhalve sprake van een spoedeisend belang.

2.5. [verzoekster] en andere betogen dat de in het plan voorziene verplaatsing en uitbreiding van de AH-supermarkt in strijd is met de op 21 december 2006 vastgestelde gemeentelijke beleidsnota ‘Beleidsvisie Supermarktstructuur gemeente Hulst’ (hierna: de beleidsnota). De voorzitter stelt vast dat de beleidsnota voor zover hier van belang ziet op het verplaatsen en versterken van de bestaande supermarkten met een maximum van vijf supermarken in het Stationsgebied en een maximum volumemaat voor de afzonderlijke supermarktvestigingen van 1.500 m2 winkelverkoopvloeropppervlakte. De voorzitter stelt voorts vast dat ingevolge artikel 3.1.3. van de planvoorschriften een supermarkt met maximaal 1.500 m2 winkelverkoopvloeroppervlakte zich in het plangebied kan vestigen onder de voorwaarde dat sprake is van verplaatsing van een bestaande, in de beleidsnota opgenomen supermarkt, waarmee het maximum van vijf supermarkten niet wordt overschreden.

Voor zover [verzoekster] en andere betogen dat geen sprake is van verplaatsing van de AH-supermarkt, omdat deze supermarkt reeds in het centrum van Hulst is gevestigd en in het nieuwe bestemmingsplan "Nieuwe Bierkaai" onder het overgangsrecht valt, overweegt de voorzitter dat vooralsnog voldoende aannemelijk is dat de AH-supermarkt zijn bedrijfsactiviteiten in het centrum zal beëindigen.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor de verwachting dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat artikel 3.1.3. van de planvoorschriften niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid terzake.

2.6. [verzoekster] en andere betogen verder dat de in het plan voorziene verplaatsing en uitbreiding van de AH-supermarkt leidt tot een toename van de reeds bestaande overcapaciteit aan supermarkten, waardoor de bestaande voorzieningen worden aangetast. Uit de aan de beleidsnota ten grondslag liggende en geactualiseerde berekeningen van het BRO is af te leiden dat de ter plaatse gevestigde en de in het plan voorziene supermarkten een functie hebben voor de gehele gemeente Hulst, de kernen in de omgeving van de gemeente Hulst en de nabijgelegen Belgische gemeenten. Tevens volgt uit het onderzoek dat weliswaar de gemiddelde vloerproductiviteit per supermarkt bij de in het plan voorziene uitbreiding van het winkelverkoopvloeroppervlakte daalt, maar dat de verzorgingstructuur daardoor niet wordt aangetast, omdat voldoende keuzemogelijkheid uit specifieke supermarktsegmenten overblijft, ook bij eventuele sluiting van een supermarkt. Gelet daarop is het standpunt van het college dat het belang bij het versterken van de concentratie van de dagelijkse artikelensector zwaarder weegt dan de daling van de gemiddelde vloerproductiviteit van een supermarkt, vooralsnog niet onredelijk te achten. [verzoekster] en andere hebben geen gegevens overgelegd, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het college zich niet heeft mogen baseren op deze berekeningen.

2.7. [verzoekster] en andere betogen verder dat de verkeersintensiteit zal toenemen en dat de voorgestelde ontsluiting ontoereikend is, met name omdat de Belgische klanten van een andere kant het gebied binnen rijden. Zij stellen dat een verkeerscirculatieplan aan de besluitvorming ten grondslag had moeten worden gelegd. Hetgeen [verzoekster] en andere hebben aangevoerd geeft vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de raad en het college het ten behoeve van het plan uitgevoerde verkeerskundige onderzoek van Arcadis van juli 2004 en geactualiseerd in december 2006, onzorgvuldig dan wel anderszins onjuist hadden moeten achten. [verzoekster] en andere hebben evenmin gegevens overgelegd, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat, met name vanwege de aanrijroute van de Belgische klanten, de in het plan voorziene aanpassingen van de verkeersstructuur niet afdoende zijn.

2.8. Met betrekking tot het betoog van [verzoekster] en andere dat het aanbod van parkeervoorzieningen ontoereikend is, overweegt de voorzitter dat het standpunt van het college dat artikel 3.1.3, gelezen in samenhang met artikel 3.2.1 en bijlage 2 van de planvoorschriften, parkeernormen bevat en dat aldus voldoende parkeermogelijkheden worden gegarandeerd, vooralsnog niet onjuist is te achten. In dit verband is van belang dat deze parkeernormen zijn gebaseerd op parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW).

2.9. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen grond voor de verwachting dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het college in hetgeen [verzoekster] en andere hebben aangevoerd aanleiding had moeten zien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. De voorzitter wijst het verzoek af.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2010

533-573.