Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
200905642/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd de gegevens inzake de huwelijksontbinding van [appellant] en [echtgenote] op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905642/1/H3.

Datum uitspraak: 3 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2009 in zaak nr. 09/70 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd de gegevens inzake de huwelijksontbinding van [appellant] en [echtgenote] op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam.

Bij besluit van 1 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2009, verzonden op 7 juli 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost en H.G.H. van Rij, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, aanhef en onder b, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, almede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed (hierna: Wet conflictenrecht) wordt een buiten het Koninkrijk na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in Nederland erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit aan wie daartoe rechtsmacht toekwam.

Ingevolge het tweede lid wordt een buiten het Koninkrijk verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed, die niet voldoet aan één of meer van de voorwaarden in het vorige lid gesteld, toch in Nederland erkend, indien duidelijk blijkt dat de wederpartij in de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend hetzij tijdens die procedure heeft ingestemd met, hetzij zich na die procedure heeft neergelegd bij de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.

Ingevolge artikel 3 wordt een ontbinding van het huwelijk buiten het Koninkrijk uitsluitend door een eenzijdige verklaring van de man tot stand gekomen, niet erkend, tenzij

a. de ontbinding van het huwelijk in deze vorm overeenstemt met de personele wet van de man;

b. de ontbinding ter plaatse waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en

c. duidelijk blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd.

2.2. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering de huwelijksontbinding in de GBA op te nemen heeft het college ten grondslag gelegd, dat het huwelijk niet door een beslissing van een daartoe bevoegde rechter of andere autoriteit, maar door een eenzijdige verklaring van de man is ontbonden. De opgemaakte verstotingsakte is slechts ter homologatie aan de rechter aangeboden, waarbij deze heeft gecontroleerd of de Adoels (notariële getuigen) bevoegd waren tot het opmaken van deze akte en of deze voldoet aan de wettelijke voorschriften. Evenmin beslisten de twee notariële getuigen over de ontbinding van het huwelijk. Hun taak was beperkt tot het registreren van de verstoting, aldus het college.

De omstandigheid dat de beide echtgenoten zich bereid hebben verklaard een verzoeningspoging te ondernemen betekent niet dat [echtgenote] met de verstoting heeft ingestemd. Ook anderszins is niet gebleken dat zij uitdrukkelijk of stilzwijgend met haar verstoting heeft ingestemd, aldus het college.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de ontbinding tot stand is gekomen door een verstoting en niet door een beslissing van een rechter of andere autoriteit aan wie daartoe rechtsmacht toekwam, niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, nu niet is gebleken dat [echtgenote] uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd of zich daarbij heeft neergelegd, evenmin is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2, tweede lid, en 3, aanhef en onder c, van de Wet conflictenrecht.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de huwelijksontbinding door verstoting tot stand is gekomen. Sedert de inwerkingtreding van het nieuwe Marokkaanse familierecht kan de huwelijksontbinding slechts tot stand komen na toestemming van de absoluut bevoegde familiesectie van de rechtbank in eerste aanleg. De rechtbank heeft niet onderkend dat een dergelijke toestemming is verleend en dat derhalve aan artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht is voldaan, aldus [appellant]. Ter onderbouwing van zijn betoog dat grote verschillen bestaan tussen het oude en het nieuwe Marokkaanse echtscheidingsrecht verwijst hij naar uitspraken van de rechtbank Maastricht van 14 november 2007 (LJN: BB7855) en 11 februari 2009 (LJN: BH3549) en naar een arrest van het Hof Amsterdam van 11 augustus 2005 (NIPR 2006, 10).

Verder betoogt [appellant] dat uit de Acte de divorce définitif van 25 juli 2008 kan worden afgeleid dat [echtgenote] zich bij de huwelijksontbinding heeft neergelegd. [appellant] ziet niet in waarom desondanks nog een verklaring zou moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat [echtgenote] zich uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend bij de echtscheiding heeft neergelegd.

2.4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat [appellant] op 22 juni 2006 een verzoek bij de familierechter heeft ingediend om hem toestemming te verlenen voor het doen opmaken van een verstotingsakte door twee notariële getuigen. Vervolgens is onder leiding van twee arbiters een verzoeningspoging tussen [appellant] en [echtgenote] ondernomen, die is mislukt. Omdat [appellant] aan de financiële verplichtingen heeft voldaan die voortvloeien uit een verstoting, heeft de rechtbank hem op 15 januari 2007 toestemming verleend een officiële verstotingsakte ten overstaan van twee notariële getuigen te laten opmaken. Op 19 januari 2007 hebben deze getuigen in aanwezigheid van [appellant] een akte van verstoting opgesteld. Een afschrift van deze akte is vervolgens aan de rechtbank voorgelegd en door een rechter van homologatie voorzien. Daarna heeft de rechtbank van eerste Aanleg te Taza (familiezaken) in een beschikking van 26 februari 2007 de financiële verplichtingen en het ouderlijk gezag, die voortvloeien uit de verstoting, vastgesteld.

2.4.2. De Hoge Raad heeft in een arrest van 13 juli 2001 (LJN: AB2623) overwogen dat:

"Artikel 2 Wet conflictenrecht ziet niet op elke buiten het Koninkrijk tot stand gekomen huwelijksontbinding (of scheiding van tafel en bed). Het artikel heeft slechts betrekking op erkenning van buiten het Koninkrijk verkregen huwelijksontbindingen die zijn tot stand gekomen, na rechtspleging in enige vorm, "door de beslissing van een rechter of andere autoriteit". Blijkens de hiervoor aangehaalde passages uit de ontstaansgeschiedenis van de Wet conflictenrecht is het niet uitgesloten dat ook een huwelijksontbinding door verstoting onder de werking van artikel 2 kan vallen. Wil dat het geval zijn, dan zal het derhalve een huwelijksontbinding moeten betreffen die, hoezeer ook gegrond op een verstoting, niettemin tot stand is gekomen na een procedure waarin de vrouw als "wederpartij" de gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden, door een tot beëindiging van het huwelijk strekkende beslissing door de rechter of andere autoriteit."

De Afdeling ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.

2.4.3. Niet is gebleken dat het huwelijk door een beslissing van een rechter dan wel andere bevoegde autoriteit is ontbonden. Dat een rechter toestemming dient te verlenen voor het doen opmaken van een verstotingsakte maakt dat niet anders, aangezien de rechter daarmee niet het huwelijk ontbindt maar slechts de man in staat stelt de verstotingsprocedure voort te zetten. De rechterlijke toestemming is slechts een formeel vereiste dat dient ter waarborging dat een verzoeningspoging is ondernomen en dat de verstoter heeft voldaan aan de financiële verplichtingen welke voortvloeien uit een verstoting.

In het kader van de homologatie (bekrachtiging) van het afschrift van de verstotingsakte toetst de rechter slechts of de procedure bij het opmaken van die akte correct is verlopen. In de door de rechtbank op 26 februari 2007 getroffen beschikking zijn slechts de uit de verstoting voortvloeiende financiële verplichtingen en het ouderlijk gezag over de kinderen vastgesteld. Evenmin hebben de notariële getuigen het huwelijk ontbonden. Zij hebben slechts de door [appellant] afgelegde verklaring in een verstotingsakte opgenomen.

Niet in geschil is dat [echtgenote] bij het opstellen van de verstotingsakte niet aanwezig is geweest. Voorts is uit de gedingstukken evenmin gebleken dat zij in de gelegenheid is gesteld in het kader van de verstoting als wederpartij te worden gehoord. De omstandigheid dat zij in het kader van de verzoeningspoging is gehoord maakt dat niet anders, omdat daar niet de verstoting aan de orde was.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de ontbinding van het huwelijk niet door een beslissing van een rechter of andere bevoegde autoriteit tot stand is gekomen, maar door verstoting en dat niet aan artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht is voldaan. De rechterlijke uitspraken waarop [appellant] zich beroept kunnen hem niet baten, omdat deze geen betrekking hebben op rechtens gelijke gevallen als het onderhavige. Het betoog faalt.

2.4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 november 1999 in zaak nr. H01.98.2024, AB 2000, 3), is het aan degene die verzoekt de ontbinding van zijn huwelijk in de GBA op te nemen om tegenover het college aannemelijk te maken, dat zijn huwelijk rechtsgeldig is ontbonden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [echtgenote] uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met de verstoting heeft ingestemd. Uit de omstandigheid dat [echtgenote] wel aanwezig was bij de verzoeningspoging kan dat niet worden afgeleid, omdat die zittingen slechts waren gericht op pogingen tot verzoening. Evenmin kan het worden afgeleid uit de Acte de divorce définitif van 25 juli 2008, waarop [appellant] zich beroept, omdat deze slechts een verklaring van de verstotende partij inhoudt dat de verstoting definitief is. Ook heeft [appellant] niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat [echtgenote]l met de verstoting heeft ingestemd. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat niet aan het bepaalde in de artikelen 2, tweede lid, en 3, aanhef en onder c, van de Wet conflictenrecht is voldaan en dat het college terecht heeft geweigerd het verzoek van [appellant] om de ontbinding van het huwelijk in de GBA in te schrijven, in te willigen. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010

307-624.