Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
200901210/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Hurdegaryp It Súd-fase 2 en 3" (hierna: het plan) alsmede de welstandsnota "Hurdegaryp It Súd fase 2" (hierna: de welstandsnota) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901210/1/R3.

Datum uitspraak: 3 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Hurdegaryp It Súd-fase 2 en 3" (hierna: het plan) alsmede de welstandsnota "Hurdegaryp It Súd fase 2" (hierna: de welstandsnota) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, zijn de gronden aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2010, waar [appellanten], in de persoon van [gemachtigden] en de raad, vertegenwoordigd door J.D. Slager en J.J.H. Zijlstra, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het eerder vastgestelde bestemmingsplan "Hurdegaryp It Súd" voorzag in de bouw van een nieuwe woonwijk van het dorp Hurdegaryp, It Súd (hierna: de woonwijk). Het thans voorliggende plan betreft de tweede en derde fase van de woonwijk en voorziet in ongeveer 170 woningen, ten noordoosten van de reeds gerealiseerde eerste fase van de woonwijk.

2.2. Ter zitting hebben [appellanten] hun beroep ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de welstandsnota.

2.3. Het beroep van [appellanten] richt zich tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het zuidoostelijke deel van het plangebied en met name de daarin gelegen plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden W(d)3 (bouwstroken)", "Tuin (T)" en "Water 2 (WA2)".

[appellanten] betogen dat ten onrechte de in het plan voorziene woningen niet hoeven te voldoen aan de eisen van het Beeldkwaliteitsplan (hierna: het BKP), welke eisen wel golden bij de realisering van de eerste fase van de woonwijk. Zo hoeft geen talud te worden aangelegd in de tuinen langs de sloot, waaraan ook hun tuinen grenzen en is een forsere bebouwing mogelijk. Dientengevolge is, volgens [appellanten], sprake van een ongelijke behandeling en heeft de raad gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu zij erop mochten vertrouwen dat de strenge regels van het BKP ook zouden gelden voor de in het plan voorziene woningen.

[appellanten] stellen voorts dat hun privacy wordt aangetast, evenals het open en natuurlijke karakter ter plaatse en dat het uitzicht op het onbebouwde achterland en de lichtinval in hun woningen zal verminderen. De door de raad gesuggereerde beplanting van het talud maakt dit niet anders. Bovendien is hun belang bij privacy onvoldoende afgewogen bij de beslissing van de raad om geen strook openbaar groen aan te leggen.

Verder betogen [appellanten] dat de reeds bestaande wateroverlast op hun percelen wordt verergerd door nieuwe woningen en de in het plan voorziene maatregelen niet voldoende zijn om overstroming van hun taluds te voorkomen. Van gemeentewege moet volgens hen, net als bij hun eigen woningen, worden voorzien in eenzelfde talud over een lengte van 4 meter.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het BKP uitsluitend van toepassing was op de eerste fase van de woonwijk en niet gold voor de gehele woonwijk. Voorts acht de raad de afstand tussen de woningen ruimtelijk aanvaardbaar, mede gelet op de in de planregels gestelde maximale goot- en bouwhoogte. Volgens de raad kan de gewenste privacy in de tuinen van [appellanten] worden gecreëerd met bomen en beplanting.

Bij het realiseren van de eerste fase was volgens de raad reeds bekend dat de overige fasen van de nieuwe woonwijk binnen een paar jaar zouden worden gerealiseerd, zodat voorzienbaar was dat een vrij uitzicht op het open en natuurlijke achterland tijdelijk was.

Een strook openbaar groen ter plaatse gaat volgens de raad ten koste van 23 woningen, hetgeen consequenties heeft voor de financiële haalbaarheid van het plan, het voldoen aan de bestaande en toekomstige woningbehoefte en de stedenbouwkundige structuur van de wijk.

De raad heeft uiteengezet dat bij de woonwijk duurzaam bouwen belangrijk is geweest, waarbij is gestreefd naar het vasthouden van gebiedseigen water met een gesloten watersysteem. Inherent aan dit systeem is dat de sloten van de woonwijk gedurende een aantal dagen per jaar buiten hun oevers treden en de taluds onderlopen. Ten aanzien van het - één meter boven het maximale waterpeil gelegen - maaiveld rondom de woningen is conform de eisen van het Wetterskip Fryslân aansluiting gezocht bij de norm T=100, dat wil zeggen dat het maaiveld slechts 1 keer per 100 jaar mag onderlopen.

2.5. De raad heeft in maart 1998 richtlijnen en eisen ten behoeve van de te realiseren beeldkwaliteit in Hurdegaryp Oost- Plan ‘It Súd’, het BKP, opgesteld. In het BKP was het stedenbouwkundig ontwerp nader uitgewerkt evenals de inrichting van het openbaar gebied en het beoogde architectonische beeld. Anders dan [appellanten] betogen, stelt de Afdeling vast dat uit de toelichting op het bestemmingsplan "Hurdegaryp It Súd" en de tekst en de kaarten van het BKP expliciet blijkt dat het BPK uitsluitend is opgesteld ten behoeve van de eerste fase van de woonwijk.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was het BKP te betrekken bij de inrichting/planvorming voor de tweede en derde fase van de woonwijk. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat geen garanties zijn gegeven dat ook in de tweede en derde fase van de woonwijk een vier meter lang talud zou worden geëist. De raad heeft het plan op dit punt dan ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.6. Voor zover [appellanten] stellen dat hun woongenot door aantasting van hun privacy en een vermindering van de lichtinval en het uitzicht wordt aangetast door de voorziene woningbouw, overweegt de Afdeling dat enige vermindering van het woongenot, gelet op het feit dat de gronden thans onbebouwd zijn, niet is uit te sluiten. In dit verband wordt echter van belang geacht dat de bebouwing van de in geding zijnde gronden een voorzienbare toekomstige ontwikkeling betreft, die bekend was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Hurdegaryp It Súd", op basis van welk plan de woningen van [appellanten] zijn gebouwd.

Ter zitting is naar voren gekomen dat de afstand tussen de gevels van de bestaande woningen tot de bouwvlakken van de in het plan voorziene woningen minimaal ongeveer 19 meter bedraagt. De keuze voor een dergelijke afstand is niet onredelijk te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat door de raad onweersproken is gesteld dat deze afstand in de omgeving van de woonwijk meer voorkomt alsmede dat deze voortkomt uit de keuze van de raad voor een zuinig ruimtegebruik. Dat de tuinen aan elkaar grenzen, doet hieraan niet af, mede omdat zich een watergang bevindt tussen de woningen van [appellanten] en de voorziene woningbouw. Gelet op de afstand en de tussengelegen watergang is voorts de keuze van de raad om niet nog een aparte tussenliggende groenstrook in het plan op te nemen niet onaanvaardbaar te achten.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de realisering van de voorziene woningbouw op de in het plan voorziene wijze zijn gediend dan aan het belang van [appellanten] bij behoud van de huidige situatie.

2.7. Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen.

2.8. Ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie, stelt de Afdeling voorop dat de percelen van [appellanten] niet binnen het plangebied liggen en dat het plan niet kan voorzien in maatregelen die op gronden buiten het plangebied moeten worden getroffen. In deze procedure staat uitsluitend ter beoordeling of het plan niet leidt tot een toename van de bestaande wateroverlast in het naast het plangebied gelegen gebied waartoe hun percelen behoren.

Zoals uit de plantoelichting blijkt, is de waterparagraaf van het plan gebaseerd op het waterhuishoudingsplan van het ingenieursbureau Tauw Civiel en Bouw B.V. van 24 april 1996 en geactualiseerd in 2006.

Het standpunt van de raad dat, op basis van het waterhuishoudingsplan en uitgaande van de T=100-norm, voor de woonwijk als geheel een duurzaam watersysteem is ontwikkeld en dat aldus is voorzien in een adequate afwatering voor het gebied, is niet onredelijk te achten. Dat deze norm niet gehaald kan worden hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt. De stukken en het verhandelde ter zitting geven de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de technische keuzes voor de uitwerking van het waterhuishoudingssysteem en de toepassing hiervan, voor zo ver een en ander zijn neerslag heeft gevonden in het plan en de daarbij behorende planregels, berusten op onjuiste inzichten. In dit verband is verder van belang dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in het plan is uitgegaan van 15% in plaats van de gebruikelijke 10% waterbergingscapaciteit ter compensatie van het te bebouwen oppervlak. In dit verband wijst de Afdeling er tot slot nog op dat zij niet kan treden in de wijze waarop het plan in de praktijk wordt uitgevoerd en beheerd, hoezeer ook een en ander gevolgen kan hebben voor de waterhuishoudkundige situatie, nu dit alles niet het plan zelf betreft.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover aangevochten, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010

45-573.