Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
200904107/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veghel (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Erp, herziening Kerkstraat 28-34" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904107/1/R2.

Datum uitspraak: 3 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veghel (hierna: de raad) bij besluit van 18 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Erp, herziening Kerkstraat 28-34" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Pogosian en M. van de Graaf, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Veghel, als partijen gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van circa 38 appartementen, 10 grondgebonden woningen en circa 2.650 m² aan commerciële ruimten aan de rand van het centrumgebied van Erp tussen de Kerkstraat en de Steengraaf.

Woningen bij tankstation

2.3. [appellanten] betogen dat de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" met de nadere aanduiding "2 of meer aaneengebouwde woningen (a)" de bedrijfsvoering van het tankstation ernstig beperken, omdat niet ten aanzien van alle plandelen een afstand van 20 meter tot het tankstation is aangehouden, zodat het tankstation op grond van de Wm vergunningplichtig blijft.

2.3.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de voornoemde plandelen de bedrijfsvoering van het tankstation niet onevenredig beperken, aangezien aan de vereiste afstand van 20 meter tussen de afleverzuilen van het tankstation en deze plandelen kan worden voldaan.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), voor zover van belang, kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor het verboden is deze zonder daartoe verleende vergunning in werking te hebben.

Ingevolge bijlage 1, aanhef en onder p en onder 9, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, voor zover hier van belang, gelden de in artikel 8.1, eerste lid, van de Wm opgenomen verboden voor inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden of een winkel.

2.3.3. Niet in geschil is dat de afleverzuilen ten tijde van de vaststelling van het plan op een afstand van minder dan 20 meter stonden ten opzichte van de woning [locatie] en de naastgelegen supermarkt, zodat het tankstation bij de vaststelling van het plan vergunningplichtig was op grond van de Wm.

Voorts is niet in geschil dat op basis van het bestemmingsplan "Kom Erp", dat ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan voor het tankstation gold, de afleverzuilen van het tankstation kunnen worden verplaatst naar een deel van de kavel dat niet op de plankaart is aangegeven als behorend bij het tankstation. De kortste afstand tussen dit deel van de kavel en het bouwvlak van één plandeel met de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "2 of meer aaneengebouwde woningen (a)" bedraagt 17 meter. Blijkens de plankaart is op dit deel van de kavel echter voldoende ruimte aanwezig de afleverzuilen zodanig te projecteren dat zowel ten opzichte van de voorziene nieuwe woningen als de supermarkt en de woning [locatie] een afstand van ten minste 20 meter wordt aangehouden, zodat het tankstation niet vergunningplichtig blijft als in de situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Het college heeft zich derhalve, in navolging van de raad, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsvoering van het tankstation niet onevenredig wordt beperkt door het plan.

2.3.4. Eerst bij brief van 11 januari 2010 hebben [appellanten] aangevoerd dat het persoonlijk recht tot gebruik als uitweg van het perceel met kadastraal nummer […] wordt belemmerd door de woningbouw ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" met de nadere aanduiding "2 of meer aaneengebouwde woningen (a)". Deze beroepsgrond hebben zij niet eerder naar voren gebracht. Nu [appellanten] dit eerst bij brief van 11 januari 2010 naar voren hebben gebracht en zij geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder hadden gedaan, dient deze beroepsgrond wegens strijd een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

2.3.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" met de nadere aanduiding "2 of meer aaneengebouwde woningen (a)" niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Woningen bij supermarkt

2.4. [appellanten] betogen verder dat het plandeel met de bestemming "Detailhandel (DH)" aan de oostzijde van het plangebied, waarmee ter plaatse appartementen zijn toegelaten, de bedrijfsvoering van de naastgelegen supermarkt ernstig beperkt en dat ter plaatse van het bedoelde plandeel geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hierbij stellen zij dat niet zonder concreet technisch onderzoek op basis van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een afstand van vier meter tussen de supermarkt en de nieuwe woningen had mogen worden aangehouden.

2.4.1. Het college stelt dat sprake is van een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure, waarbinnen een supermarkt goed verenigbaar is met woonfuncties, zodat geen afstandsnorm hoeft te worden gehanteerd tussen de supermarkt en de woningen. Nu niettemin is voorzien in een minimale afstand tussen deze functies wordt de bedrijfsvoering van de supermarkt niet door het plan beperkt, aldus het college.

2.4.2. In de VNG-brochure wordt met betrekking tot supermarkten een richtafstand tot woningen in een rustige woonwijk gehanteerd van nul meter voor de aspecten geur en stof en 10 meter voor de aspecten geluid en gevaar. Niet in geschil is dat het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure, omdat direct naast woningen andere functies voorkomen, zoals winkels en kleine bedrijven. Gelet hierop kan de richtafstand van 10 meter op basis van de VNG-brochure worden verlaagd naar nul meter.

De kortste afstand van de supermarkt tot het plandeel met de bestemming "Detailhandel (DH)" bedraagt blijkens de plankaart nul meter. Uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, bezien in samenhang met de aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte van vier meter in combinatie met de aanduiding "hoogtescheidingslijn", volgt echter dat binnen een afstand van vier meter van de supermarkt geen woningen gebouwd mogen worden.

[appellanten] hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op basis waarvan een grotere afstand dan vier meter zou moeten worden aangehouden. In de enkele stelling dat niet zonder concreet technisch onderzoek met betrekking tot de voorliggende locatie op basis van de VNG-Brochure een afstand van vier meter had mogen worden aangehouden, ziet de Afdeling op zichzelf geen grond voor het oordeel dat ter plaatse van de voorziene woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.4.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Detailhandel (DH)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010

516-634.