Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
200904620/1/H2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) een aanvraag van [appellant] om hem vergunning te verlenen voor het oprichten van een afdak aan het rijksmonument aan de [locatie] te Zuidoostbeemster afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904620/1/H2.

Datum uitspraak: 3 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], gemeente Beemster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 mei 2009 in zaak nr. 08/5876 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beemster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) een aanvraag van [appellant] om hem vergunning te verlenen voor het oprichten van een afdak aan het rijksmonument aan de [locatie] te Zuidoostbeemster afgewezen.

Bij uitspraak van 15 mei 2009, verzonden op 18 mei 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door W. Rijkelijkhuizen, en het college, vertegenwoordigd door H.K. Pieters en mr. M.H. van der Weit, beiden werkzaam bij de gemeente Beemster, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 16 legt het college in bij ministeriƫle regeling te bepalen gevallen een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies voor aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, zendt het college onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De gevallen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument.

2.2. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien af te wijken van het namens de minister door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de RACM) uitgebrachte advies en de adviezen van het college van gedeputeerde staten en de gemeentelijke monumentencommissie. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college de bij het besluit betrokken belangen niet op juiste wijze heeft afgewogen. Uit het door hem overgelegde rapport van Bouwburo Rijkelijkhuizen, alsook uit het door hem op 4 februari 2009 aan de rechtbank toegezonden rapport van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (hierna: TNO) blijkt dat de door hem gekozen oplossing voor de afvoer van hemelwater de enig denkbare oplossing is, aldus [appellant].

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond heeft hoeven zien om van het in de Monumentenwet 1988 voorgeschreven advies dat namens de minister wordt uitgebracht, af te wijken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college groot gewicht heeft mogen toekennen aan dat advies, nu de RACM terzake deskundig moet worden geacht. Daarbij komt dat de minister, het college van gedeputeerde staten en de gemeentelijke monumentencommissie bij hun beoordeling het rapport van Bouwburo Rijkelijkhuizen hebben betrokken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat zij in dat rapport geen aanleiding hebben hoeven zien terug te komen op hun adviezen, nu er andere oplossingen zijn voor de afvoer van hemelwater waarbij geen of een minder grote inbreuk wordt gemaakt op de monumentale waarden van de stolpboerderij. Ook uit het rapport van TNO blijkt niet dat de door [appellant] aangebrachte luifelconstructie de enige mogelijkheid is om het hemelwater af te voeren. Evenmin blijkt uit de door [appellant] overgelegde rapporten dat de door de minister voorgestane verbreding van de goten met gebruik van gootklossen, waardoor het aanzicht van het monument minder wordt verstoord, onvoldoende waterbergend vermogen heeft. Dat de minister, gedeputeerde staten en de gemeentelijke monumentencommissie het rapport van TNO niet hebben kunnen betrekken bij hun advies leidt niet tot het oordeel dat het college reeds daarom niet van die adviezen heeft mogen uitgaan.

Het betoog faalt.

2.3. De rechtbank heeft voorts terecht het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. In het door [appellant] aangehaalde geval waarin vergunning is verleend voor het oprichten van een gemeenschapscentrum bij het monument aan de Middenweg 148, heeft de gemeentelijke monumentencommissie een positief advies uitgebracht en heeft de minister een gedeeltelijk positief advies uitgebracht. Reeds daarom is geen sprake van gelijke gevallen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010

362.