Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL6198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
200904162/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) afwijzend beslist op een verzoek van de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: SNM) op grond van artikel 18.14 van de Wet milieubeheer om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de olieraffinaderij van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Shell Nederland Raffinaderij B.V. (hierna: Shell) op het perceel Vondelingenweg 601 te Rotterdam-Pernis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904162/1/M1.

Datum uitspraak: 3 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) afwijzend beslist op een verzoek van de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: SNM) op grond van artikel 18.14 van de Wet milieubeheer om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de olieraffinaderij van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Shell Nederland Raffinaderij B.V. (hierna: Shell) op het perceel Vondelingenweg 601 te Rotterdam-Pernis.

Bij brief van 23 december 2008 heeft SNM bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het college het bezwaar van SNM niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft SNM bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2010, waar SNM, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.E. Bracké-van Wijnbergen, ing. R.A.C. Ruigrok en ing. J. Bholanath, zijn verschenen. Verder is Shell, vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Maas-Cooymans en A.E.P. Dalebuet, als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Tweede Kamer uit de bezwarencommissie-Awb van 19 maart 2009, het bezwaar van SNM niet-ontvankelijk verklaard. In het voetspoor van het advies van 19 maart 2009 erkent het college in het bestreden besluit dat de wettelijke termijn om een besluit op het verzoek om handhaving van 23 juni 2008 te nemen is overschreden. Op 10 december 2008 is alsnog een besluit genomen, waarmee volgens het college is voldaan aan de in artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting alsnog een besluit te nemen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat SNM nog belang had bij het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van het besluit, heeft het college het bezwaar wat dit betreft niet-ontvankelijk verklaard. Wat het advies van de Tweede Kamer uit de bezwarencommissie-Awb van 18 december 2008 betreft, waar SNM in haar bezwaar naar verwijst, stelt het college zich in lijn van het advies van de bezwarencommissie-Awb van 19 maart 2009 in het bestreden besluit op het standpunt dat dit een advies betreft waarop nog geen heroverwegingsbesluit is genomen. Tegen zulk een besluit zal volgens het college te zijner tijd beroep openstaan. Vatbaar voor bezwaar is dit besluit daarmee volgens het college niet, zodat het college het bezwaar van SNM ook op dit punt niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2. In beroep heeft SNM betoogd dat het college niet adequaat is ingegaan op de door haar tegen het besluit van 10 december 2008 ingebrachte bezwaren.

2.3. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

2.4. Aan de brief van 23 december 2008 van SNM ontleent de Afdeling als gronden van bezwaar dat de procedure om te komen tot afwijzing van haar verzoek om handhaving veel te lang heeft geduurd en dat daarmee de wettelijke termijn is overschreden, dat het college ten onrechte een bij brief van 12 november 2008 verzonden nadere onderbouwing van haar verzoek om handhaving buiten beschouwing heeft gelaten en dat het tot 1 januari 2010 buiten werking stellen van de fakkelgascompressor, die integraal in de vigerende revisievergunning is opgenomen, niet kan op de wijze zoals dit is geschied. In dit verband heeft SNM opgemerkt dat de acceptatie van de melding niet is geschied door middel van een besluit dat overeenkomstig Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden bekendgemaakt. Hierbij heeft SNM gewezen op een advies van de Tweede Kamer uit de bezwarencommissie-Awb van 18 december 2008 waarin is gesteld dat de brief van het college van 10 november 2008, waarin afspraken tussen het college en Shell naar aanleiding van het geconstateerde slechte functioneren van de fakkelgascompressor worden bevestigd, niet een formeel besluit is en daarom ook geen rechtskracht heeft. Concluderend heeft SNM betoogd dat het college al sinds november 2007 een situatie gedoogt waarin de fakkelgascompressor buiten werking is, hetgeen leidt tot een verhoging van de emissie van zwaveldioxide (SO2) van ongeveer 4.000.000 kg per jaar.

2.5. Door in het bestreden besluit de behandeling van het bezwaar van SNM tegen het besluit van 10 december 2008 te beperken tot twee punten: de overschrijding door het college om op het verzoek om handhaving van 23 juni 2008 binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen en het advies van de Tweede Kamer uit de bezwarencommissie-Awb om de brief van 10 november 2008 aan Shell niet aan de merken als een formeel besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt, heeft het college de overige door SNM in haar brief van 23 december 2008 tegen het besluit van 10 december 2008 naar vorengebrachte gronden van bezwaar ten onrechte bij de heroverweging van het besluit van 10 december 2008 in het geheel buiten beschouwing gelaten. Dusdoende heeft het college het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 mei 2009 komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 mei 2009, kenmerk 20904750 / 274100;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij Stichting Natuur en Milieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Stichting Natuur en Milieu het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010

159-650.