Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
200905283/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ3209, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2009 (hierna: het besluit) heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Amsterdam onmiddellijk te verlaten en voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [appellant] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de in de woning woonachtige vrouw (hierna: de vrouw) en kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905283/1/H3.

Datum uitspraak: 24 februari 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2009 in zaak nrs. 09-2350 en 09-4205 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2009 (hierna: het besluit) heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) [appellant] gelast de woning aan de [locatie] te Amsterdam onmiddellijk te verlaten en voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Bij dat besluit heeft de burgemeester [appellant] voorts verboden om gedurende deze periode contact op te nemen met de in de woning woonachtige vrouw (hierna: de vrouw) en kinderen.

Bij mondelinge uitspraak van 9 juni 2009, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 17 juni 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2010, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Pans, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven, of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

2.2. De burgemeester heeft aan het besluit onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant] op 1 juni 2009 huiselijk geweld jegens de vrouw heeft gepleegd. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2009, dat onderdeel van het besluit uitmaakt, volgt dat de verbalisanten op deze dag naar aanleiding van een melding van mishandeling van de vrouw door [appellant] naar de woning zijn gegaan, alwaar zowel [appellant] als de vrouw hebben verklaard dat hij haar met een bezemsteel heeft geslagen.

2.3. [appellant] komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat hij de vrouw met een stok heeft geslagen. Hij betoogt dat het, gelet op de volgens hem relatief beperkte aard van het letsel van de vrouw, ondenkbaar is dat hij een bezemsteel op de vrouw heeft stukgeslagen. Voorts voert hij aan dat de voorzieningenrechter met het oordeel dat de burgemeester de kans op herhaling van een geweldsincident terecht groot heeft geacht, heeft miskend dat het incident op 1 juni 2009 op zichzelf staat en dat de vrouw hierbij als eerste fysiek geweld tegen hem heeft gebruikt en hij dit met de stok heeft afgeweerd.

2.3.1. Het betoog slaagt niet. Uit het proces-verbaal van bevindingen, dat deel uitmaakt van de beschikking van 1 juni 2009, volgt dat zowel [appellant] als de vrouw ten overstaan van de verbalisanten hebben verklaard dat [appellant] de vrouw met een bezemsteel heeft geslagen. De verbalisanten hebben vastgesteld dat op de bovenarm van de vrouw een rode verdikte striem van ongeveer dertig centimeter aanwezig was en dat de huid daaromheen rood was. Op de in het dossier aanwezige foto's is deze verwonding aan de arm van de vrouw duidelijk zichtbaar. Op grond van de afgelegde verklaringen en de foto's heeft de voorzieningenrechter terecht vastgesteld dat [appellant] de vrouw met een stok heeft geslagen. Voorts volgt uit het proces-verbaal van bevindingen dat er ten tijde van het opleggen van het huisverbod sprake was van een verstoorde relatie tussen [appellant] en de vrouw. Beiden hebben tegenover de verbalisanten verklaard dat het tussen hen niet goed gaat en dat zij vaak, in het bijzijn van de kinderen, ruzie hebben over de verdeling van de huishoudelijke taken en tegen elkaar schreeuwen. Verder hebben beiden verklaard dat [appellant] de vrouw vaker heeft geslagen. Volgens de vrouw zijn de frequentie en de zwaarte van het geweld dat [appellant] tegen haar gebruikt de laatste jaren toegenomen en slaat hij haar regelmatig. Zij heeft verklaard te vrezen dat de situatie uit de hand zal lopen. De burgemeester heeft zich op grond van deze feiten terecht op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van [appellant] in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar zou kunnen opleveren voor de veiligheid van de vrouw, althans kon in ieder geval een ernstig vermoeden van dit gevaar bij de burgemeester bestaan. Hiervoor is niet van belang of de stok waarmee [appellant] de vrouw heeft geslagen al dan niet een bezemsteel is en of hij deze heeft stukgeslagen. De voorzieningenrechter heeft dat ook niet overwogen. De burgemeester heeft in het licht van deze feiten geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de verklaring van [appellant] dat hij met de stok heeft getracht de vrouw af te weren.

2.3.2. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat weliswaar het 'Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld', dat de hulpofficier van justitie ter voorbereiding op de beslissing omtrent een op te leggen huisverbod heeft opgemaakt, niet op alle onderdelen correct is ingevuld, maar dat het besluit in de beschikbare gegevens voldoende basis vindt om de conclusie dat een hoog risico van herhaald huiselijk geweld bestaat te kunnen dragen. De gegevens uit het proces-verbaal van bevindingen sluiten in voldoende mate aan bij de feiten en omstandigheden die op grond van artikel 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod, gelezen in samenhang met de bijlage bij dit besluit, voor het opleggen van een huisverbod relevant worden geacht, zodat aan artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod is voldaan. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het besluit een voldoende feitelijke grondslag heeft en afdoende is gemotiveerd.

2.4. Voor zover [appellant] wijst op de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht en in hoger beroep als herhaald en ingelast beschouwt, kunnen deze niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de voorzieningenrechter is gekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7. De minister van Justitie heeft de gerechten verzocht te anticiperen op een wetswijziging op grond waarvan in procedures betreffende het huisverbod de verschuldigdheid van het griffierecht voor het vragen van een voorlopige voorziening of het instellen van een beroep wordt uitgesloten. Gelet hierop acht de Afdeling termen aanwezig om te gelasten dat het door [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan R. [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010.

97-598.