Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200807643/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2008, kenmerk 33/08B, hebben provinciale staten van Noord-Brabant (hierna: provinciale staten) besloten tot vaststelling van de correctieve herziening van de reconstructieplannen De Baronie, Beerze-Reusel, Boven-Dommel, De Meierij, Maas en Meierij, De Peel en Peel en Maas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/3641
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807643/1/R1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellanten sub 6], allen wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en anderen,

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. [appellante sub 10], gevestigd te [plaats],

11. [appellanten sub 11], allen wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], allen wonend te [woonplaats],

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellanten sub 14], wonend te [woonplaats],

15. de stichting Stichting Belangenplatform de Malpie e.o., gevestigd te Valkenswaard,

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellanten sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],

20. [appellante sub 20], gevestigd te [plaats],

21. [appellanten sub 21], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Noord-Brabant, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2008, kenmerk 33/08B, hebben provinciale staten van Noord-Brabant (hierna: provinciale staten) besloten tot vaststelling van de correctieve herziening van de reconstructieplannen De Baronie, Beerze-Reusel, Boven-Dommel, De Meierij, Maas en Meierij, De Peel en Peel en Maas.

Bij besluit van 12 augustus 2008, kenmerk DRZZ.2008/2923, heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, goedkeuring verleend aan voornoemde herziening.

Tegen het besluit tot vaststelling van de correctieve herziening van voornoemde reconstructieplannen en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellanten sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2008, de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2008, [appellanten sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2008, de [appellante sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2008, [appellanten sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2008, [appellanten sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, [appellant sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, [appellanten sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, de stichting Stichting Belangenplatform de Malpie e.o. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, [appellanten sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, [appellant sub 18] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, [appellant sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, [appellante sub 20] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, en [appellanten sub 21] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2008, beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

[appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

[appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

[appellanten sub 4] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 12 november 2008.

[appellanten sub 5] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

[appellanten sub 6] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

De stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 15 december 2008.

[appellant sub 9] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 november 2008.

[appellant sub 19] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 november 2008.

Provinciale staten hebben verweerschriften ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Door enkele appellanten zijn nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14, 15 en 17 december 2009, waar appellanten in persoon zijn verschenen dan wel zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen.

Voorts zijn provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. P.J.A.G. van Veldhoven en ir. M.J. Webster, ambtenaren in dienst van de provincie, ter zitting verschenen.

Tevens zijn daar als partij gehoord [belanghebbenden A], beiden vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

Intrekkingen

2.1. Het beroep van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen (hierna: de BMF en anderen) is ingetrokken, voor zover het is ingesteld door de Werkgroep Natuur en Landschap Sint-Oedenrode, de vereniging IVN, vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Sint-Oedenrode, alsmede voor zover het is gericht tegen de herziening van de gebieden aangeduid als BR-III, BR-VII en BR-VIII, voor zover het is gericht tegen de herziening van de zogenoemde doorsneden bouwblokken van de percelen aangeduid als BA-I, BA-016, BA-018, BR-IX, BR-017, BR-019, BR-020, BR-021, BR-074, BR-081, BR-084, BR-097, BD-027, ME-007, ME-010, ME-039, MM-020, PE-015 en PE 043 en voor zover het is gericht tegen de uitbreiding van het gebied nabij Sprundel dat is aangewezen voor teeltondersteunende voorzieningen.

Ontvankelijkheid

Appellabele onderdelen

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) wordt onder reconstructie verstaan: de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van een onderling samenhangend complex van maatregelen en voorzieningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet.

Ingevolge artikel 4 vindt in de concentratiegebieden -concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet - een reconstructie plaats op grond van deze wet ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, worden voor elk concentratiegebied een of meer reconstructieplannen vastgesteld.

2.2.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Rwc bevat een reconstructieplan een beschrijving van de ruimtelijke indeling van het reconstructiegebied in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden.

Onder een landbouwontwikkelingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij.

Onder een verwevingsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

Onder een extensiveringsgebied wordt verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

2.2.2. Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de Rwc wordt in het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van de Rwc toepassing is.

Uit artikel 27, eerste lid, van de Rwc, zoals deze wet luidde ten tijde van de vaststelling van de correctieve herziening, volgt dat het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de Rwc aangewezen delen van het reconstructiegebied geldt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Het reconstructieplan geldt voor die delen van het reconstructiegebied niet meer als een voorbereidingsbesluit indien voor de desbetreffende onderdelen van het reconstructiegebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het reconstructieplan van kracht is geworden.

Ingevolge het tweede lid is artikel 50 van de Woningwet niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan.

Ingevolge het derde lid geldt, voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

2.2.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Rwc kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling van een reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge het tweede lid maakt het besluit tot goedkeuring, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor de toepassing van het eerste lid deel uit van het daaraan ten grondslag liggende besluit tot vaststelling.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kunnen zienswijzen over een ontwerp van een bestemmingsplan dat zijn grondslag vindt in een bekendgemaakt reconstructieplan, daarop geen betrekking hebben.

2.2.4. Zoals de Afdeling ter zake van de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplannen De Baronie, Beerze-Reusel, Boven-Dommel, De Meierij, Maas en Meierij, De Peel en Peel en Maas heeft overwogen in haar uitspraken nrs. 200506288/1, 200506283/1, 200506839/1, 200506285/1, 200506843/1, 200506286/1 en 200506292/1, staat, gelet op het doel en de strekking van de Rwc, niet tegen alle onderdelen van het reconstructieplan beroep open. De indicatieve, niet bindende elementen van het provinciale beleid voor de uitvoering van de Rwc zijn niet gericht op enig rechtsgevolg. Tegen deze onderdelen van het reconstructieplan kan dan ook geen beroep worden ingesteld. De beroepen, voor zover gericht tegen deze onderdelen, zijn dan ook niet-ontvankelijk.

Beroep is mogelijk tegen de in de reconstructieplannen neergelegde zonering intensieve veehouderij, de onderdelen van het plan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 27 van de Rwc, alsmede de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen de reconstructiezones, voor zover die niet reeds rechtstreeks uit de Rwc volgen en, blijkens de gekozen formulering, als bindend zijn beoogd en van de bestemmingsplanwetgever geen nadere afweging meer vereisen. Voor zover de reconstructieplannen begripsomschrijvingen bevatten die bepalend zijn voor de reikwijdte van de hiervoor bedoelde bepalingen en die begripsomschrijvingen niet reeds in de Rwc zijn opgenomen, staat hiertegen, zoals de Afdeling in bovenvermelde uitspraken heeft overwogen, eveneens beroep open.

2.2.5. Nu in de in 2.2.4 bedoelde reconstructieplannen een integrale zonering intensieve veehouderij is opgenomen en bovendien artikel 27 van de Rwc van toepassing is verklaard op die integrale zonering, de begrenzing van de in te richten waterbergingsgebieden en van de natte natuurparels alsmede op de beleidsuitspraken over het grondgebruik binnen die gebieden stond tegen die onderdelen beroep open. Daarnaast stond beroep open tegen de definities als vermeld in bijlage 1 van deel A. Voor zover destijds in beroep bestreden, bevatten de reconstructieplannen geen op zichzelf staande beleidsuitspraken waaruit een onderdeel van een bestemmingsplan in de zin van artikel 29, derde lid, van de Rwc kan voortvloeien.

2.2.6. De herziening zoals thans aan de orde beoogt uitsluitend te zien op de onderdelen van de in 2.2.4 genoemde plannen die door de Afdeling zijn vernietigd. In de herziene reconstructieplannen is de begrenzing van de integrale zonering opnieuw op grond van artikel 27 van de Rwc aangewezen als onderdeel waarvoor de reconstructieplannen als voorbereidingsbesluit gelden als bedoeld in artikel 21 eerste lid, van de WRO.

Voor de begrenzing en de werking van de waterbergingsgebieden ('bestaand inundatiegebied' en 'in te richten waterbergingsgebied), de begrenzing en werking van natte natuurparels en de 500 meter zone daaromheen en de beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones is daarentegen geen toepassing meer gegeven aan artikel 27 van de Rwc. Gelet hierop maakt de correctieve herziening geen directe ontwikkelingen mogelijk voor waterbergingsgebieden en de natte natuurparels en de 500 meter zone daaromheen. Tegen de uiteindelijke begrenzing van dergelijke gebieden in de bestemmingsplannen staan in dat kader rechtsbeschermingmogelijkheden open. Volgens de tekst van de herziening blijft de inhoud van de beleidsuitspraken voor het grondgebruik binnen de reconstructiezones onverkort gehandhaafd, maar hebben de beleidsuitspraken thans de status van streekplanbeleid.

2.2.7. Gelet op het voorgaande staat thans uitsluitend beroep open tegen de begrenzing van de doorsneden bouwblokken alsmede tegen de begrenzing van de integrale zonering van die bouwblokken en gebieden die door de Afdeling in de in 2.2.4 genoemde uitspraken zijn vernietigd.

2.3. [appellanten sub 12], de stichting Belangenplatform de Malpie e.o. (hierna: De Malpie) en [appellanten sub 14] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 14]) voeren aan dat ten onrechte geen bouwblok is toegekend aan het perceel Westerhovenseweg 2.

2.3.1. Volgens de [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] is een aantal bestaande waterbergingsgebieden ten onrechte niet op de kaart behorende bij de correctieve herziening van het reconstructieplan Boven-Dommel (hierna: de herziening Boven-Dommel) opgenomen.

2.3.2. [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] richten zich verder tegen het waterbergingsgebied Valkenswaard-Zuid.

2.3.3. [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] betogen dat de aangeduide waterbergingsgebieden in de Beekerheide en in de Pee niet bestaan.

2.3.4. [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] voeren in beroep aan dat door het niet toekennen van planologische doorwerking aan onderdelen bij de herziening Boven-Dommel de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen en beroep ten onrechte wordt ontnomen.

2.3.5. [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] betogen dat ten onrechte de afspraak in de bestuursovereenkomst dat binnen vier jaar na de vaststelling van de reconstructieplannen alle bestemmingsplannen buitengebieden herzien moeten worden ten onrechte niet in de correctieve herziening is opgenomen.

2.3.6. [appellanten sub 12], De Malpie en [appellant sub 14] richten zich verder tegen de aanleg van de Lage Heideweg. Zij voeren aan dat hun bezwaren tegen deze weg en de door hen aangedragen alternatieven ten onrechte niet zijn betrokken bij de planvorming. Voorts betogen zij dat de minister van Verkeer en Waterstaat in het verkeersaspect ten onrechte niet is gekend.

2.3.7. [appellanten sub 4] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 4]) betogen dat hun perceel, kadastraal bekend Heeswijk-Dinther, sectie E-1846, ten onrechte bij de correctieve herziening van het reconstructieplan Maas en Meierij (hierna: de herziening Maas en Meierij) is gerekend tot de 500 meter zone rondom de natte natuurparel Wijbosch Broek en dat daaraan een aanlegvergunningstelsel is gekoppeld.

2.3.8. [appellanten sub 17] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 17]) voeren aan dat provinciale staten in de correctieve herziening van het reconstructieplan De Meierij (hierna: de herziening De Meierij) het gebied ten zuidwesten van Lennisheuvel ten onrechte deels hebben aangewezen als bestaand inundatiegebied en deels als een in te richten waterbergingsgebied. Dit is niet in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1, aldus [appellant sub 17].

2.4. De beroepen van [appellanten sub 12], De Malpie, [appellant sub 14], [appellant sub 4] en [appellant sub 17] genoemd onder 2.3 tot en met 2.3.8 zijn niet gericht tegen bindende elementen van de herziening.

2.4.1. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.2.4 tot en met 2.2.7 zijn de beroepen van [appellanten sub 12], de Malpie, [appellant sub 14], [appellant sub 4] en [appellant sub 17] niet-ontvankelijk.

De Afdeling merkt ten overvloede op dat het feit dat provinciale staten in de thans voorliggende herziening bepaalde onderdelen niet meer via artikel 27 van de Rwc laten doorwerken in een bestemmingsplan niet betekent dat daarmee de rechtsbeschermingsmogelijkheden worden ontnomen. Rechtsbescherming wordt echter niet op het niveau van het reconstructieplan geboden, maar eerst bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

2.5. Provinciale staten betogen dat het beroep van [appellant sub 19] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu het niet is gericht tegen voor beroep vatbare onderdelen uit de herziening De Meierij.

2.5.1. De herziening De Meierij voorziet voor de gronden van [appellant sub 19] niet in een herziening van de in het reconstructieplan De Meierij vervatte zonering van zijn gronden. Aangezien [appellant sub 19] in zijn bij provinciale staten ingebrachte zienswijze tegen de ontwerp herziening De Meierij nadrukkelijk heeft verzocht om een wijziging van de zonering voor zijn gronden en de zonering als zodanig - zoals hiervoor is overwogen - een appellabel onderdeel is, merkt de Afdeling de herziening De Meierij voor zover deze niet voorziet in een herziening van de in het reconstructieplan De Meierij vervatte zonering voor de gronden van [appellant sub 19] voor de mogelijkheid van beroep met toepassing van artikel 6:2, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan als een met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen.

Het beroep van [appellant sub 19] is ontvankelijk.

Bestuurlijke voorprocedure

2.6. [appellant sub 18] heeft geen zienswijze over het ontwerp van de correctieve herziening van het reconstructieplan De Peel (hierna: de herziening De Peel) naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 29, eerste en tweede lid, van de Rwc, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van deze wet en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen de voorliggende besluiten omtrent vaststelling en goedkeuring van de herziene reconstructieplannen slechts beroep worden ingesteld door de belanghebbende die tijdig over het ontwerp een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover bij de vaststelling van de herziene reconstructieplannen, voor zover van belang voor het beroep, daarin wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Niet is gebleken dat een van deze omstandigheden zich voordoet.

Het beroep van [appellant sub 18] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.7. Provinciale staten hebben ter zitting betoogd dat het beroep van [appellanten sub 21] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 21]) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu [appellant sub 21] bij hen geen zienswijze tegen het ontwerp van de herziening van het reconstructieplan Boven-Dommel (hierna: de herziening Boven-Dommel) heeft ingebracht.

2.7.1. Ingevolge artikel 15 van de Rwc gelezen in samenhang met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kan een ieder gedurende deze termijn zienswijzen naar voren brengen bij provinciale staten.

Het ontwerp van de herziening Boven-Dommel is blijkens de kennisgeving met ingang van 18 februari 2008 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 31 maart 2008.

2.7.2. Vaststaat dat er binnen de gestelde termijn geen zienswijze van [appellant sub 21] bij provinciale staten is ingekomen.

Ter zitting heeft [appellant sub 21] gesteld een zienswijzegeschrift per post naar provinciale staten te hebben verzonden.

Voor de beantwoording van de vraag of een per post verzonden zienswijzegeschrift tijdig is ingediend, dient te worden aangesloten bij de verzendtheorie zoals verwoord in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Bij verzending per post is een zienswijzegeschrift ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. [appellant sub 21] dient aannemelijk te maken dat het zienswijzegeschrift tijdig ter post is bezorgd.

Door [appellant sub 21] is niet betwist dat er geen zienswijze per aangetekende post is verzonden. Ook overigens is [appellant sub 21] er niet in geslaagd aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat uiterlijk op 31 maart 2008 een zienswijzegeschrift ter post is bezorgd. Voor zover[appellant sub 21] ter zitting heeft aangevoerd van provinciale staten een ontvangstbewijs te hebben ontvangen, heeft hij hiervan geen bewijs overgelegd. De door [appellant sub 21] gestelde omstandigheid dat dit stuk door waterschade verloren is gegaan, komt voor rekening van [appellant sub 21].

2.7.3. Gelet op het hiervoor overwogene moet het ervoor worden gehouden dat [appellant sub 21] niet binnen de gestelde termijn een zienswijze tegen het ontwerp van de herziening Boven-Dommel heeft ingebracht bij provinciale staten.

Ingevolge artikel 29, eerste en tweede lid, van de Rwc, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van deze wet en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen de vaststelling en goedkeuring van de herziening Boven-Dommel door een belanghebbende die tijdig tegen het ontwerp een zienswijze bij provinciale staten naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover provinciale staten bij de vaststelling van de herziening Boven-Dommel, voor zover van belang voor het beroep, daarin wijzigingen hebben aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 21] is dan ook niet-ontvankelijk.

2.8. [appellant sub 13] heeft geen zienswijze bij provinciale staten naar voren gebracht tegen het ontwerp van de correctieve herziening van het reconstructieplan Maas en Meierij (hierna: de herziening Maas en Meierij).

Ingevolge artikel 29, eerste en tweede lid, van de Rwc, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van deze wet en artikel 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen de vaststelling en goedkeuring van de herziening Maas en Meierij door een belanghebbende die tijdig tegen het ontwerp een zienswijze bij provinciale staten naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover provinciale staten bij de vaststelling van de herziening van Maas en Meierij, voor zover van belang voor het beroep, daarin wijzigingen hebben aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.8.1. [appellant sub 13] stelt in dit verband dat zij pas sinds kort de woning aan de Spurkstraat 90 nabij 't Woud heeft betrokken. Hierin is geen rechtvaardiging gelegen als vorenbedoeld. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [appellant sub 13] reeds in augustus/september 2006 - dat wil zeggen ruim voordat de termijn voor het indienen van zienswijzen tegen de ontwerp herziening Maas en Meierij is aangevangen - de koopovereenkomst voor de aankoop van de woning aan de Spurkstraat 90 nabij 't Woud heeft getekend, met de bedoeling op dat adres te gaan wonen. Gelet hierop lag het op de weg van [appellant sub 13] om zich naar aanleiding van de publicatie van de terinzagelegging van de ontwerp herziening Maas en Meierij van de inhoud van dat ontwerp op de hoogte te stellen en eventueel naar aanleiding daarvan een zienswijze bij provinciale staten in te dienen.

Het beroep van [appellant sub 13] is dan ook niet-ontvankelijk.

2.9. Het beroep van de BMF en anderen voor zover gericht tegen de zonering van de gronden aan de Achterdijk 110 te Sint Hubert in de correctieve herziening reconstructieplan Peel en Maas (hierna: de herziening Peel en Maas), steunt niet op een bij provinciale staten naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 29, eerste en tweede lid, van de Rwc, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van deze wet en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen de voorliggende besluiten omtrent vaststelling en goedkeuring van de herziene reconstructieplannen slechts beroep worden ingesteld voor zover dit beroep de plandelen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerp van de herziening Peel en Maas bij provinciale staten naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover provinciale staten bij de vaststelling van de herziening Peel en Maas, voor zover van belang voor het beroep, daarin wijzigingen hebben aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van de BMF en anderen is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijke aspecten

Spelregels en uitgangspunten voor de zonering

2.10. In de Spelregels begrenzen Integrale Zonering (hierna: de spelregels) is vermeld dat de waterwingebieden verplicht als extensiveringsgebied moeten worden aangemerkt. Dit geldt echter niet voor de beschermingszones rond waterwingebieden. Deze kunnen ook als verwevingsgebied worden aangemerkt. Voorts kan voor extensiveringsgebieden een stankzone van 250 meter rondom stankgevoelige objecten worden aangehouden. Er kan ook een ruimere of beperktere zone worden aangegeven. Als stankgevoelige objecten worden hier onder meer bedoeld bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten met een recreatieve of maatschappelijke functie.

Voor landbouwontwikkelingsgebieden geldt dat alle andere functies dan intensieve veehouderij gelden als stankgevoelig object. Als richtlijn voor de afstand die aangehouden wordt tussen landbouwontwikkelingsgebieden en kwetsbare functies kan worden uitgegaan van een afstand van minimaal 500 meter rond alle natuur (zowel A- als B-gebieden) en alle grote stankgevoelige objecten.

2.11. Bij het bepalen van de grenzen van extensiverings-, verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden in de reconstructieplannen hebben provinciale staten de aan het Streekplan 2002 (hierna: het streekplan) ten grondslag liggende zogenoemde (drie) lagenbenadering gevolgd. De onderste laag wordt daarbij gevormd door de geomorfologie, het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De middelste laag wordt gevormd door de infrastructuur en de bovenste laag door het ruimtegebruik ten behoeve van onder meer de landbouw. De ligging van (nieuwe) intensieve veehouderijen is integraal afgewogen tegen de belangen die zijn gemoeid met de bescherming van de waarden en functies uit de onderste lagen. Daarbij is gebruik gemaakt van feitelijke gegevens die voor de opstelling van het streekplan zijn benut. Deze gegevens zijn verwerkt op bij de reconstructieplannen gevoegde kaarten. Op de kaarten 7 en 15a van de reconstructieplannen zijn bijvoorbeeld de kwetsbare A- en B-gebieden respectievelijk de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) weergegeven. Voorts hebben provinciale staten de hierna vermelde uitgangspunten gehanteerd.

Bij de gebiedsindeling geldt als uitgangspunt dat zoveel mogelijk logische, bestaande grenzen worden gevolgd. Daarbij is er naar gestreefd om kleine snippers te vermijden.

Alle bestaande en nieuwe natuur van de reeds begrensde EHS, waterwingebieden, kernrandgebieden en zones van 250 meter - in voorkomend geval teruggebracht tot 220 meter - rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) dienen te worden begrensd als extensiveringsgebied. Verder worden gebieden behorend tot de groene hoofdstructuur (hierna: GHS), zone landbouw, subzone leefgebied kwetsbare soorten, begrensd als extensiveringsgebied, behalve voor zover het gaat om weidevogelgebieden. Daarnaast hanteren provinciale staten als uitgangspunt dat rondom steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten (stank)zones worden begrensd als extensiveringsgebied.

Voor zover gebieden niet zijn begrensd als extensiveringsgebied, hanteren provinciale staten als uitgangspunt dat gebieden behorend tot de agrarische hoofdstructuur (hierna: AHS), zone landschap, subzone leefgebieden dassen, dan wel subzone waterpotentiegebied en weidevogelgebied, worden begrensd als verwevingsgebied. Verder worden als verwevingsgebied begrensd zoekgebieden waterberging, reserveringsgebieden rivier, gebieden met waardevolle openheid, cultuurhistorisch waardevolle gebieden, gebieden behorend tot de GHS, zone landbouw, subzone natuurontwikkelingsgebieden, gebieden behorend tot de GHS, zone landbouw, subzone struweelvogelgebieden, aardkundig waardevolle gebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en regionale natuur- en landschapseenheden (hierna: RNLE’n). Bij gedeelten van kernen en bij een aantal bebouwingsconcentraties en -linten hebben provinciale staten eveneens als uitgangspunt gekozen voor een zonering als verwevingsgebied. Het betreft gebieden waar verhoudingsgewijs nog zoveel agrarische bedrijven ten opzichte van burgerwoningen aanwezig zijn dat voorrang is gegeven aan de intensieve veehouderij, dan wel gebieden die grenzen aan een bedrijventerrein.

De overige gebieden hebben provinciale staten nader beschouwd. Zij hebben afgewogen welke van deze (resterende) gebieden geschikt zijn om te begrenzen als landbouwontwikkelingsgebied. Provinciale staten hebben daarbij hun visie voor het desbetreffende reconstructieplangebied en het streekplan in ogenschouw genomen. Daarnaast hebben zij de aanwezige intensieve veehouderijen in de gebieden, de afwezigheid van stankgevoelige objecten, de afstand ten opzichte van natuur en kernen, de Natuurbeschermingswetgebieden (natuurmonumenten) en de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden bezien. Omdat een landbouwontwikkelingsgebied daadwerkelijk mogelijkheden moet bieden voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij, hebben provinciale staten voor de begrenzing van die gebieden minimale afstanden gehanteerd tot kwetsbare gebieden en objecten, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden.

2.12. In de uitspraken ter zake van de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplannen De Baronie, Beerze-Reusel, Boven-Dommel, De Meierij, Maas en Meierij, De Peel en Peel en Maas, nrs. 200506288/1, 200506283/1, 200506839/1, 200506285/1, 200506843/1, 200506286/1 onderscheidenlijk 200506292/1, heeft de Afdeling de door provinciale staten gehanteerde uitgangspunten voor de zonering intensieve veehouderij niet onredelijk geacht.

2.12.1. Volgens het vaststellingsbesluit is de correctieve herziening geen gevolg van gewijzigde beleidsinzichten of wijziging van (sectorale) wetgeving, zoals de gewijzigde Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav), maar beperkt de correctieve herziening zich nadrukkelijk tot die onderdelen van de reconstructieplannen die in de voornoemde uitspraken zijn vernietigd. De uitvoering van deze uitspraken is in de correctieve herziening verwerkt door artikel 27 van de Rwc niet meer van toepassing te verklaren op de onderdelen ten aanzien waarvan deze bepaling in de reconstructieplannen van toepassing was verklaard en de vaststellings- en goedkeuringsbesluiten in zoverre zijn vernietigd. Daarnaast is voor bouwblokken die op de integrale zoneringskaart voor de intensieve veehouderij waren voorzien van twee zoneringsaanduidingen, opnieuw een afweging gemaakt en hebben deze in de correctieve herziening één zoneaanduiding gekregen. Ten slotte is ter uitvoering van de uitspraken een nieuwe begrenzing voor de integrale zonering gemaakt voor een aantal specifiek aangegeven bouwblokken en gebieden.

Herziening reconstructieplan De Baronie

Landbouwontwikkelingsgebied Druisdijk, BA-V (1)

2.13. De BMF en anderen voeren aan dat het gebied Druisdijk gedeeltelijk ongeschikt is als landbouwontwikkelingsgebied en dat het derhalve in zoverre ten onrechte opnieuw als landbouwontwikkelingsgebied is aangeduid. Zij voeren hiertoe aan dat zich binnen 500 meter vanaf het landbouwontwikkelingsgebied kwetsbare paddenstoelen groeien en dat ten onrechte slechts een beschermingszone van 250 rondom de vindplaats van die paddenstoelen is aangehouden. De BMF en anderen betogen dat provinciale staten ten onrechte de uitgangspunten voor de zonering hebben gewijzigd door ten opzichte van B-gebieden de minimale afstand van 500 meter tot een landbouwontwikkelingsgebied te verkleinen naar 250 meter. Dit is volgens hen in strijd met de spelregels en het "Verdrag van Cork". Bovendien wordt hiermee ten onrechte vooruit gelopen op de nieuwe aanwijzing van gebieden op grond van de Wav, waarbij de B-gebieden grotendeels zullen vervallen, aldus de BMF en anderen.

2.13.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de aan te houden afstand van 500 meter van een landbouwontwikkelingsgebied tot natuur een richtlijn is. Bij de correctieve herziening van het reconstructieplan De Baronie (hierna: de herziening De Baronie) is daarnaast van een minimale afstand van 250 meter tussen B-gebieden en landbouwontwikkelingsgebied uitgegaan. In het verdrag van Cork is volgens provinciale staten weliswaar vermeld dat moet worden uitgegaan van de Wav-kaart die gold ten tijde van de vaststelling van het reconstructieplan De Baronie, maar dit verdrag gaat er tegelijkertijd van uit dat een aanpassing van de Wav-kaart ook zal leiden tot een herziening van de integrale zonering. Dat ten tijde van de vaststelling van de herziening De Baronie is gekeken naar het ontwerp van de nieuwe Wav-kaart ligt derhalve voor de hand, aldus provinciale staten. Provinciale staten hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat vanaf het landbouwontwikkelingsgebied Druisdijk zich binnen 250 meter geen B-gebieden bevinden en dat zich binnen 500 meter geen A-gebieden bevinden. De zonering is volgens hen in zoverre in overeenstemming met de bij de herziening De Baronie gehanteerde uitgangspunten. Het gebied waar de paddenstoelen zijn gevonden, is in zijn geheel als extensiveringsgebied aangeduid en de aangrenzende zone van 250 meter is aangeduid als verwevingsgebied, aldus provinciale staten.

2.13.2. Op plankaart BA-V (1) is het gebied Druisdijk ten noorden van de kern Alphen gedeeltelijk aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied.

2.13.3. In het onderzoek dat door het Bureau Natuurverkenningen van de provincie Noord-Brabant is uitgevoerd, is vermeld dat zich in het aangrenzende B-gebied voor verzuring gevoelige paddenstoelen bevinden.

2.13.4. In de herziening De Baronie is vermeld dat de correctieve herziening zich nadrukkelijk beperkt tot die onderdelen van het reconstructieplan die door de Afdeling in haar vorige uitspraak zijn vernietigd. Het betreft hier dus geen herziening als gevolg van gewijzigde beleidsinzichten of wijziging van (sectorale) wetgeving. Voorts is in de herziening De Baronie vermeld dat in de spelregels is opgenomen dat voor de begrenzing van een landbouwontwikkelingsgebied als richtlijn wordt uitgegaan van een minimale afstand van 500 meter van een voor verzuring gevoelig gebied. Voor A-gebieden blijft de afstand van 500 meter gehandhaafd. Voor de B-gebieden wordt hiervan afgeweken en een grens van 250 meter aangehouden.

2.13.5. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de Afdeling het uitgangspunt voor de begrenzing van een landbouwontwikkelingsgebied, waarbij provinciale staten blijkens de stukken, waaronder de spelregels, als richtlijn uitgaan van minimaal 500 meter rond alle natuur, niet onredelijk geacht. In de herziening De Baronie is echter vermeld dat provinciale staten in afwijking hiervan ten aanzien van B-gebieden thans zijn uitgegaan van een aan te houden afstand tot landbouwontwikkelingsgebied van 250 meter. Overeenkomstig dit uitgangspunt hebben provinciale staten het landbouwontwikkelingsgebied Druisdijk aangewezen. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Baronie noch ter zitting hebben provinciale staten toegelicht om welke redenen is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 500 meter tot voor verzuring gevoelige natuur en een ander uitgangspunt is gehanteerd, terwijl de herziening De Baronie volgens hen is gebaseerd op dezelfde beleidskaders en feitelijke gegevens als het reconstructieplan De Baronie.

2.13.6. Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Baronie dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden in het gebied Druisdijk binnen 500 meter van voor verzuring gevoelige natuur als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening De Baronie.

2.14. [appellanten sub 6] betogen dat het gebied Druisdijk ter plaatse van hun percelen in de herziening De Baronie ten onrechte is aangewezen als verwevingsgebied in plaats van als landbouwontwikkelingsgebied. De ontwikkelingsmogelijkheden van hun agrarische bedrijven worden hierdoor beperkt. Hiertoe voeren zij aan dat in het oostelijke gedeelte van het aangrenzende gebied binnen een afstand van 500 meter geen voor verzuring gevoelige paddenstoelen zijn aangetroffen. Tevens is het gebied op de nieuwe kaarten op grondslag van de Wav niet meer aangeduid als kwetsbaar gebied. Volgens [appellanten sub 6] bevinden zich binnen 500 meter vanaf hun percelen in het geheel geen te beschermen natuurwaarden. Ook staan de gemengde functies in het gebied in de weg van de ontwikkeling en bescherming van natuurwaarden, aldus [appellanten sub 6].

2.14.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat in het B-gebied verzuringsgevoelige paddenstoelen zijn aangetroffen. Omdat de paddenstoelen vooral in het midden van het gebied zijn aangetroffen, is de afstand tussen de grens van het B-gebied en het landbouwontwikkelingsgebied beperkt tot 250 meter. Hierdoor ontstaat voldoende afstand tussen de paddenstoelen en het landbouwontwikkelingsgebied. Op deze manier ontstaat tevens een buffer tussen de Chaamse bossen en het landbouwontwikkelingsgebied. Voorts worden [appellanten sub 6] volgens provinciale staten niet beperkt in hun bedrijfsvoering omdat in verwevingsgebied, evenals in landbouwontwikkelingsgebied, een bouwblok van maximaal 2,5 ha mogelijk is.

2.14.2. [appellanten sub 6] exploiteren hun agrarische bedrijven aan de Druisdijk 3, Druisdijk 4 en Druisdijk 9 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam.

Op plankaart BA-V (1) behorende bij de herziening De Baronie, zijn de percelen van [appellanten sub 6] aangeduid als verwevingsgebied.

2.14.3. In de herziening De Baronie is vermeld dat voor de B-gebieden wordt afgeweken van de richtlijn dat landbouwontwikkelingsgebied minimaal 500 meter vanaf een voor verzuring gevoelig gebied moet worden begrensd. Voor deze gebieden wordt een afstand van 250 meter aangehouden. Omdat de percelen van [appellanten sub 6] binnen 250 meter vanaf het natuurgebied liggen waarbinnen paddenstoelen zijn gevonden, zijn deze percelen aangeduid als verwevingsgebied.

2.14.4. Zoals hiervoor onder 2.13.5 reeds is overwogen, hebben provinciale staten onvoldoende gemotiveerd waarom bij dit B-gebied kan worden volstaan met een aan te houden afstand van 250 meter ten opzichte van landbouwontwikkelingsgebied. Gelet hierop kan het betoog van [appellanten sub 6] dat een nog kortere afstand dan 250 meter ten opzichte van het B-gebied had moeten worden aangehouden zodat hun gronden in het gebied als landbouwontwikkelingsgebied hadden kunnen worden aangeduid, niet slagen.

Het beroep van [appellanten sub 6] is ongegrond.

Verwevingsgebied De Oude Zoek, BA-IV

2.15. De BMF en anderen voeren aan dat de gronden van twee agrarische bedrijven in het gebied De Oude Zoek ten onrechte opnieuw als verwevingsgebied zijn aangemerkt. Deze zonering is ten onrechte slechts gebaseerd op de kwalificatie als weidevogelgebied waarvoor geen zonering als extensiveringsgebied is vereist. Hierbij is volgens de BMF en anderen geen rekening gehouden met de kwalificatie als amfibieënleefgebied. Voorts brengen zij naar voren dat het natuurgebied bij de Roosendaalsebaan ten onrechte als B-gebied is aangewezen terwijl het zeer verzuringsgevoelig is. Ook liggen de bedrijven binnen 500 meter van een natte natuurparel. In verband met de nagestreefde verplaatsing hadden de gronden van de bedrijven als extensiveringsgebied moeten worden aangeduid. Bovendien zijn de zogenoemde snippers in strijd met de spelregels en de bij het reconstructieplan De Baronie gehanteerde uitgangspunten, aldus de BMF en anderen.

2.15.1. Provinciale staten stellen dat op grond van een integrale belangenafweging kan worden afgeweken van de spelregels. Hoewel de bedrijfspercelen in een gebied liggen dat in het streekplan is aangeduid als GHS landbouw, subzone kwetsbare zone (minus weidevogels), is, gelet op de mogelijke uitzonderingen, een verwijzing naar dit feit onvoldoende om een zonering als extensiveringsgebied op te baseren. De voorkomende amfibieën bevinden zich met name in de directe omgeving van het gebied 'Het Moergat' en niet ter plaatse van de bedrijfspercelen. Volgens provinciale staten zijn in dit geval geen onbedoelde snippers als verwevingsgebied gezoneerd, maar is expliciet gekozen voor het bieden van ontwikkelingsruimte aan de bestaande bedrijven. De wijziging van het natuurgebied van A-gebied naar B-gebied staat in deze procedure niet ter discussie. Voorts is het gebied op grond van de Integrale GebiedsAanpak van het waterschap Brabantse Delta niet meer aangewezen voor waterberging en als te vernatten gebied. De economische perspectieven van het gebied zijn dan ook niet meer onzeker, aldus provinciale staten.

2.15.2. De door de BMF en anderen genoemde agrarische bedrijven liggen ten zuiden van de kern Schijf. De gronden van deze agrarische bedrijven zijn op plankaart BA-IV behorende bij de herziening De Baronie aangemerkt als verwevingsgebied.

2.15.3. Zoals hiervoor onder 2.11 reeds is vermeld is bij de begrenzing van de integrale zonering op perceelsniveau zoveel mogelijk gebruik gemaakt van logische, bestaande grenzen en is gestreefd naar grotere eenheden (geen kleine snippers).

Op de pagina's 139 en 140 van deel B van het reconstructieplan De Baronie is vermeld dat provinciale staten van de bevoegdheid gebruik hebben gemaakt om van een A-gebied een B-gebied te maken. Uit recent veldonderzoek bleek dat het in het bos aan de Roosendaalse Baan niet ging om een ven, maar om een poel. Met die wijziging vervalt in zoverre de verplichting om ter hoogte van die locatie een extensiveringsgebied te begrenzen en kan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf ter plaatse verder ontwikkelen.

2.15.4. Niet is geschil is dat de twee agrarische bedrijven in de GHS landbouw, subzone kwetsbare soorten, liggen. Uit het door de BMF en anderen ingediende globale rapport van het Natuurloket blijkt dat binnen de kilometervakken waarin de agrarische bedrijven liggen met name amfibieën voorkomen. Provinciale staten hebben deze gegevens door het Bureau GEO van de provincie Noord-Brabant nader laten specificeren. Uit deze specificatie blijkt dat de in de omgeving voorkomende amfibieën zich niet ter plaatse van de gronden van de agrarische bedrijven bevinden. Voorts hebben de BMF en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de voorkomende amfibieën door de aanwezigheid van de agrarische bedrijven worden beperkt in hun migratiebewegingen tussen de natte locaties.

Het feit dat het natuurgebied aan de Roosendaalse Baan niet meer als A-gebied is aangewezen kan als zodanig niet in deze procedure aan de orde komen. Tegen deze aanwijzing hebben aparte rechtsmiddelen open gestaan. De BMF en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten de herziening De Baronie niet hadden mogen baseren op de gegevens die ten grondslag liggen aan de aanwijzing als B-gebied.

Nu voorts het gebied waarin de gronden van de agrarische bedrijven liggen niet meer is aangewezen voor vernatting en waterberging, zijn de economische perspectieven voor de aanwezige bedrijven ook niet meer onzeker. Gelet hierop is de zonering als verwevingsgebied in overeenstemming met de richtlijnen voor de zonering. Bij de belangenafweging die voorafgaat aan het vaststellen van de zonering hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het kunnen voortbestaan van de agrarische bedrijven op de huidige locaties dan aan het uitgangspunt dat kleine snippers moeten worden voorkomen.

2.15.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening De Baronie hebben kunnen vaststellen. In hetgeen de BMF en anderen in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening De Baronie en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre ongegrond.

Landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost, BA-V (2) en (3)

2.16. De BMF en anderen voeren aan dat het noordelijk deel van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost aan de noord-, oost- en westzijde ongeschikt is als landbouwontwikkelingsgebied. Hierbij wijzen zij op de aan te houden afstand aan de noord- en oostzijde tot gevoelig gebied en de lagenbenadering vanwege de cultuurhistorische waarde van het gebied aan de westzijde.

2.16.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de minimale afstand van 500 meter tussen een landbouwontwikkelingsgebied en natuur een richtlijn is waarvan kan worden afgeweken. Aanzienlijke delen van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost zijn gelet op deze richtlijn in verwevingsgebied gewijzigd. Aan de westzijde van het noordelijke deel is een afstand van 500 meter tot het A-gebied aangehouden. Aan de noordzijde van het noordelijke deel is een afstand van 250 meter tot het B-gebied aangehouden. Aan de oostzijde van het noordelijke deel is in principe uitgegaan van een afstand van 500 meter tot het A-gebied. Hierbij zijn volgens provinciale staten logische grenzen aangehouden waardoor het mogelijk is dat op sommige plaatsen de afstand niet precies 500 meter is. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat doorsneden bouwblokken moeten worden voorkomen. Door het aanwijzen van grote stukken verwevingsgebied wordt rekening gehouden met alle belangen, aldus provinciale staten.

2.16.2. Op de plankaarten BA-V (2) en (3) behorend bij de herziening De Baronie zijn de door de BMF en anderen genoemde gronden ten oosten van de kern Alphen aangemerkt als primair landbouwontwikkelingsgebied.

2.16.3. Op kaart 11 behorend bij het reconstructieplan De Baronie heeft het noordelijke gedeelte van het landbouwontwikkelingsgebied de aanduiding 'Historisch stedenbouwkundige waarden - Hoog'.

Zoals hiervoor onder 2.11 reeds is vermeld, worden cultuurhistorisch waardevolle gebieden als verwevingsgebied begrensd. Op pagina 140 van deel B van het reconstructieplan De Baronie, opmerking 4 bij de zonering, is vermeld dat het landbouwontwikkelingsgebied op een aantal plaatsen gebieden met archeologische of cultuurhistorische waarden overlapt. In de integrale afweging hebben provinciale staten in deze gevallen bepaald dat het landbouwontwikkelingsgebied ontwikkeld kan worden, waarbij tevens bedoelde waarden moeten worden versterkt.

2.16.4. Ten aanzien van de westzijde van het noordelijke deel van het landbouwontwikkelingsgebied overweegt de Afdeling dat, gelet op de hiervoor genoemde opmerking bij de zonering, de aanduiding als gebied met cultuurhistorische waarden niet als zodanig aan een zonering als landbouwontwikkelingsgebied in de weg staat. De BMF en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat met het ontwikkelen van het landbouwontwikkelingsgebied niet tevens de cultuurhistorische waarden op deze plaats kunnen worden versterkt.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening De Baronie hebben kunnen vaststellen. In hetgeen de BMF en anderen in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening De Baronie en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de BMF en anderen betreffende de westzijde van het noordelijke deel van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost is ongegrond.

2.16.5. Vast staat dat provinciale staten aan de noordzijde een afstand van 250 meter hebben aangehouden ten opzichte van het nabij gelegen B-gebied. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Baronie noch ter zitting hebben provinciale staten toegelicht om welke redenen is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 500 meter tot voor verzuring gevoelige natuur en een ander uitgangspunt is gehanteerd, terwijl de herziening De Baronie volgens hen is gebaseerd op dezelfde beleidskaders en feitelijke gegevens als het reconstructieplan De Baronie.

Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van de BMF en anderen betreffende de noordzijde van het noordelijke deel van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost is gegrond.

2.16.6. Ten oosten van het landbouwontwikkelingsgebied ligt een A-gebied. Niet in geschil is dat aan de oostzijde van het noordelijke gedeelte op sommige plaatsen niet wordt voldaan aan de door provinciale staten als uitgangspunt gehanteerde richtlijn dat een afstand van 500 meter moet worden aangehouden tussen landbouwontwikkelingsgebied en A-gebieden. Hoewel provinciale staten onbetwist hebben gesteld dat het aanhouden van een afstand van 500 meter zou leiden tot doorsneden bouwkavels, hetgeen volgens hen moet worden voorkomen, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten hierbij niet inzichtelijk hebben gemaakt tot welke doorsnijdingen het aanhouden van een afstand van 500 meter zou leiden. Tevens hebben zij niet onderbouwd om welke redenen bij die doorsnijdingen voor een zonering als landbouwontwikkelingsgebied is gekozen.

Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van de BMF en anderen betreffende de oostzijde van het noordelijke gedeelte van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost is gegrond.

2.16.7. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Baronie dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost binnen 500 meter van natuur als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening De Baronie.

Landbouwontwikkelingsgebied Ulicoten nabij Hondseind, BA-VI

2.17. De BMF en anderen voeren aan dat het landbouwontwikkelingsgebied Ulicoten nabij Hondseind ten onrechte gedeeltelijk is aangemerkt als secundair landbouwontwikkelingsgebied. Voor zover dit gebied overlapt met het leefgebied van kwetsbare soorten moet het volgens het reconstructieplan De Baronie worden aangeduid als extensiveringsgebied. Ten onrechte wordt volgens hen door provinciale staten verwezen naar een ontwerpbestemmingsplan van de gemeente Baarle-Nassau waarin in een compensatiegebied zal worden voorzien, terwijl dit slechts een conceptontwerpplan betreft. Voorts is volgens de BMF en anderen ook in secundair landbouwontwikkelingsgebied nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk en is onvoldoende onderbouwd waarom de GHS landbouw, subzone leefgebied kwetsbare soorten, hier als een landbouwontwikkelingsgebied kan worden aangeduid.

2.17.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat weidevogelleefgebieden in beginsel als extensiverings- of verwevingsgebied moeten worden aangemerkt, maar dat gebieden met het kenmerk leefgebied weidevogels ook als secundair landbouwontwikkelingsgebied kunnen worden aangemerkt. Voorts heeft het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Baarle-Nassau" volgens provinciale staten ter inzage gelegen en is daarin de begrenzing van het weidevogelgebied gewijzigd. Nieuwvestiging van bedrijven is in secundair landbouwontwikkelingsgebied niet mogelijk, maar daar is ter plaatse ook niet voldoende ruimte voor. De twee bestaande intensieve veehouderijen worden door deze zonering niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden, aldus provinciale staten.

2.17.2. Op het gewijzigd vastgestelde kaartbeeld van plankaart BA-VI behorend bij de herziening De Baronie is het gebied Ulicoten nabij Hondseind aangemerkt als secundair landbouwontwikkelingsgebied.

2.17.3. Zoals hiervoor onder 2.11 reeds is vermeld, zijn weidevogelgebieden als onderdeel van de GHS-landbouw, subzone kwetsbare soorten, als verwevingsgebied begrensd.

Op pagina 139 van deel B van het reconstructieplan De Baronie is, voor zover hier van belang, vermeld dat er gebieden zijn aangeduid als secundair landbouwontwikkelingsgebied als er sprake is van een overlap met de functie leefgebied weidevogels. Binnen deze gebieden geldt een verbod op nieuwvestiging.

2.17.4. De Afdeling stelt vast dat uit de uitgangspunten die zijn gehanteerd niet volgt dat de aanduiding als leefgebied weidevogels dwingt tot een zonering als extensiveringsgebied. Op grond van de uitgangspunten en hetgeen onder 2.17.3 is vermeld, moet ervan worden uitgegaan dat weidevogelgebieden in beginsel worden gezoneerd als verwevingsgebied. Als bij het inventariseren van gebieden die geschikt zijn als landbouwontwikkelingsgebied blijkt dat een voor het overige geschikt gebied voor een deel overlapt met een weidevogelgebied, mag dit deel van het gebied als secundair landbouwontwikkelingsgebied worden aangeduid. Voor dit gebied geldt dan een verbod op nieuwvestiging. Gelet hierop is de zonering van het landbouwontwikkelingsgebied, voor zover dat het leefgebied weidevogels overlapt, als secundair landbouwontwikkelingsgebied in overeenstemming met de gehanteerde uitgangspunten. De Afdeling ziet in hetgeen de BMF en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan deze uitgangspunten van de zonering.

2.17.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening De Baronie hebben kunnen vaststellen. In hetgeen de BMF en anderen in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening De Baronie en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre ongegrond.

Herziening reconstructieplan Beerze-Reusel

Landbouwontwikkelingsgebied Van Strijdhoven, BR-II (4)

2.18. [appellanten sub 11] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 11]) voeren aan dat de locatie Van Strijdhoven in de correctieve herziening van het reconstructieplan Beerze-Reusel (hierna: de herziening Beerze-Reusel) ten onrechte als secundair landbouwontwikkelingsgebied is begrensd.

[appellant sub 11] voert hiertoe in de eerste plaats aan dat de locatie Van Strijdhoven in het reconstructieplan is aangewezen als duurzame projectlocatie, waar nieuwvestiging zal plaatsvinden. Dit is volgens hem alleen binnen een primair landbouwontwikkelingsgebied mogelijk. Verder kunnen bouwblokken op duurzame projectlocaties worden uitgebreid tot in ieder geval 2,5 hectare. Indien het huidige bouwblok naar deze omvang zal groeien, zal het bouwblok deels in het naastgelegen verwevingsgebied komen te liggen. Aangezien hierdoor een doorsneden bouwblok ontstaat, zal het zwaarste regime van beide moeten gelden. Gelet hierop had het reeds bestaande bouwblok al binnen het naastgelegen verwevingsgebied moeten worden begrensd, aldus [appellant sub 1].

Verder voert [appellant sub 11] aan dat het meanderende gedeelte van de Reusel als Natura 2000-gebied had moeten worden aangewezen en dat provinciale staten hiervan hadden moeten uitgaan bij de begrenzing. Aangezien de meanderende Reusel op een afstand van minder dan 1.000 meter van de locatie Van Strijdhoven ligt, had het gebied niet als (secundair) landbouwontwikkelingsgebied moeten worden begrensd, maar als verwevingsgebied.

2.18.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het huidige bouwblok van de locatie Van Strijdhoven nog binnen de grenzen van het secundaire landbouwontwikkelingsgebied ligt. Volgens hen is de eventuele uitbreiding van het bouwblok naar 2,5 hectare eerst in het kader van een bestemmingsplanprocedure aan de orde. Met betrekking tot de stelling dat de meanderende Reusel ten onrechte niet als Natura 2000-gebied is aangemerkt en dat hiervan had moeten worden uitgegaan bij de begrenzing, hebben provinciale staten gesteld dat slechts de gekanaliseerde Reusel is aangewezen als Habitatrichtlijngebied en is vermeld in het ontwerp van het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied. De meanderende Reusel is niet aangewezen en om die reden ook niet als uitgangspunt genomen bij de begrenzing. Zij hebben op grond hiervan en overeenkomstig de uitgangspunten die zijn genoemd in paragraaf 6.9.4 van deel B van het reconstructieplan, het gehele gebied tussen 1.000 en 1.500 meter vanaf het Habitatrichtlijngebied als secundair landbouwontwikkelingsgebied begrensd.

2.18.2. Naast de hierboven onder 2.11 weergegeven uitgangspunten, hanteren provinciale staten het uitgangspunt dat gebieden worden aangeduid als secundair landbouwontwikkelingsgebied als zij samenvallen met de volgende functies: 1.000 tot 1.500 meter rondom Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en 1.000 tot 1.500 meter rondom Natuurbeschermingswetgebieden, zoekgebied rivierverruiming, leefgebied weidevogels en waterpotentiegebieden. Binnen secundaire landbouwontwikkelingsgebieden geldt een verbod op nieuwvestiging. De Afdeling heeft deze uitgangspunten voor de begrenzing van landbouwontwikkelingsgebieden in haar uitspraak van 4 april 2007, nr. 200506283/1, niet onredelijk geacht.

2.18.3. Zoals de Afdeling hiervoor reeds heeft overwogen, kan in de onderhavige procedure uitsluitend aan de orde zijn of de begrenzing van het secundaire landbouwontwikkelingsgebied heeft plaatsgevonden overeenkomstig de uitgangspunten en spelregels die provinciale staten hanteren. In de onderhavige procedure kan daarom niet aan de orde komen of het bovengenoemde Habitatrichtlijngebied onjuist is begrensd omdat de meanderende Reusel daarvan deel had moeten uitmaken.

In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten bij de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied niet het Habitatrichtlijngebied, zoals dat is aangemeld, tot uitgangspunt konden nemen. De Afdeling stelt vast dat provinciale staten, door de gronden binnen een afstand van 1.000 tot 1.500 meter tot het nabijgelegen Habitatrichtlijngebied als secundair landbouwontwikkelingsgebied te begrenzen, overeenkomstig de door hen gehanteerde uitgangspunten hebben gehandeld.

Verder stelt de Afdeling vast dat het bouwblok van de projectlocatie Van Strijdhoven geheel binnen het onderhavige secundaire landbouwontwikkelingsgebied ligt. Nu het bouwblok niet wordt doorsneden, behoefden provinciale staten geen aanleiding te zien om de locatie Van Strijdhoven als verwevingsgebied te begrenzen. De eventuele uitbreiding van het bouwblok naar 2,5 hectare of meer, kan niet in de onderhavige procedure aan de orde komen, maar dient te worden beoordeeld in het kader van de procedure voor de vaststelling van het ruimtelijke plan dat daarin voorziet.

Met betrekking tot het betoog dat nieuwvestiging mogelijk is op de locatie Van Strijdhoven overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Zoals provinciale staten ter zitting hebben bevestigd, brengt de begrenzing van het gebied als secundair landbouwontwikkelingsgebied met zich dat nieuwvestiging niet mogelijk is.

2.18.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening Beerze-Reusel hebben kunnen vaststellen. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening Beerze-Reusel en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

Landbouwontwikkelingsgebied ten westen van De Hultense Leij, BR-I

2.19. De BMF en anderen betogen dat provinciale staten het gebied ten westen van De Hultense Leij ten onrechte opnieuw als primair landbouwontwikkelingsgebied hebben begrensd. Volgens hen komen de door provinciale staten aangehouden afstanden op diverse plaatsen niet overeen met de afstanden die zijn vermeld in de spelregels. De BMF en anderen wijzen er op dat alle belangen al zijn afgewogen bij het bepalen van de afstanden tot A- en B-gebieden, en dat daar alleen in zeer bijzondere omstandigheden van kan worden afgeweken. Naar hun mening hebben provinciale staten geen afdoende motivering gegeven om in dit geval af te wijken van de door hen gehanteerde afstandseisen.

2.19.1. Provinciale staten hebben zich bij de begrenzing op het standpunt gesteld dat het in het onderhavige geval gaat om kleine snippers van het landbouwontwikkelingsgebied die op een kleinere afstand dan 250 meter tot het nabijgelegen B-gebied liggen. Verder is uit ecologisch onderzoek gebleken dat er in het B-gebied geen kwetsbare natuurwaarden aanwezig zijn.

2.19.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 april 2007, nr. 200506283/1, overwogen dat de gronden ten westen van De Hultense Leij in strijd met de uitgangspunten grotendeels zijn begrensd op minder dan 250 meter afstand van een als B-gebied aangemerkt natuurgebied en dat provinciale staten niet hebben gemotiveerd waarom desondanks het gehele gebied als landbouwontwikkelingsgebied is aangemerkt.

2.19.3. In paragraaf 6.9.4 van het reconstructieplan Beerze-Reusel is, voor zover hier van belang, als uitgangspunt vermeld dat bij de zonering van een landbouwontwikkelingsgebied de grens ligt op minimaal 500 meter van de grens van een - wat betreft verzuring gevoeligheid - zeer kwetsbaar gebied (A-gebied), en op minimaal 250 meter van de grens van een - wat betreft verzuring gevoeligheid - kwetsbaar gebied (B-gebied).

2.19.4. Niet in geschil is dat het onderhavige landbouwontwikkelingsgebied, in strijd met de uitgangpunten uit paragraaf 6.9.4 van het reconstructieplan Beerze-Reusel, deels binnen een afstand van 250 meter vanaf De Hultense Leij ligt en dat de Hultense Leij is aangewezen als B-gebied. Ter zitting hebben provinciale staten verklaard dat De Hultense Leij bij de nieuwe aanwijzingen op grond van de Wav zal komen te vervallen. Om die reden kan volgens hen met een kleinere afstand dan 250-meter worden volstaan. Verder hebben zij ter zitting verklaard dat zij dit uitgangspunt in het algemeen hebben gehanteerd voor B-gebieden die komen te vervallen bij de nieuwe aanwijzingen op grond van de Wav. Dit standpunt verhoudt zich evenwel niet met het uitgangspunt van provinciale staten dat bij de correctieve herziening geen sprake is van een herziening als gevolg van een wijziging van (sectorale) wetgeving, zoals de gewijzigde Wav. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan wordt aldus op dit punt niet gedragen door een deugdelijke motivering.

2.19.5. Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening Beerze-Reusel dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden in het gebied ten westen van De Hultense Leij binnen 250 meter van voor verzuring gevoelige natuur (B-gebied) als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening Beerze-Reusel.

Het verwevingsgebied ten westen van Vessem, Eurocamping Vessem, BR-V

2.20. De BMF en anderen voeren aan dat provinciale staten ten onrechte het gebied ten westen van Vessem, waar onder meer Eurocamping Vessem is gelegen, opnieuw heeft gezoneerd als verwevingsgebied. In dit kader voeren de BMF en anderen aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 4 april 2007 heeft overwogen dat de zonering van het gebied als verwevingsgebied niet in overeenstemming is geweest met de spelregels die gelden voor extensiveringsgebieden. Dat van de spelregels is afgeweken omdat het aanhouden van een stankzone van 250 meter rond categorie I-objecten, zoals campings, facultatief is en de omstandigheid dat elders ook zones rond campings als verwevingsgebied zijn aangemerkt, kan volgens hen niet dienen als motivering.

2.20.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de gebieden rondom de campings in het reconstructiegebied, die te maken hebben met de stankregelgeving, consequent zijn aangewezen als verwevingsgebied. Dit is slechts anders indien er andere waarden aanwezig zijn. Deze waarden zijn in de omgeving van de Eurocamping Vessem niet aanwezig. Ook andere redenen om het gebied te zoneren als extensiveringsgebied zijn er volgens provinciale staten niet.

2.20.2. In paragraaf 6.9.2 van het reconstructieplan Beerze-Reusel is vermeld dat alle bestaande en nieuwe natuur (reeds begrensde EHS), waterwingebieden, kernrandgebieden, GHS landbouw, subzone leefgebied kwetsbare soorten (minus weidevogels) en, in overeenstemming met het streekplan, 250 meter zones rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) zijn begrensd als extensiveringsgebieden. Daarnaast zijn rondom steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing en bebouwingsclusters (stank)zones gezoneerd als extensiveringsgebied.

2.20.3. In de spelregels is als facultatieve spelregel vermeld:

"Stankzone (250 m rond categorie 1 en 2) De stankzone is de minst harde laag van de extensiveringsgebieden. De gemeenten zijn in de praktijk verantwoordelijk voor de aanpak en het voorkomen van stankhinder. Op de kaart is alleen een indicatieve zonering van 250 meter rondom de stankgevoelige objecten categorie 1 en 2 aangegeven.

Er kan zowel een beperktere als een ruimere zone worden aangegeven. Tot categorie 1 en 2 objecten behoren naast steden en dorpen o.a. ook niet-agrarische lintbebouwingen, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten (met recreatieve of maatschappelijke functie)."

2.20.4. De gronden ten westen van Vessem die in de herziening Beerze-Reusel zijn aangemerkt als verwevingsgebied liggen binnen de door provinciale staten op de themakaart "Integrale Zonering voor Intensieve Veehouderij: Thema's" aangegeven stankzone rondom Eurocamping Vessem.

2.20.5. In haar uitspraak van 4 april 2007 heeft de Afdeling overwogen dat het als verwevingsgebied zoneren van de gronden ten westen van Vessem niet in overeenstemming is met het uitgangspunt voor de begrenzing van extensiveringsgebieden en dat provinciale staten voor het afwijken van dit uitgangspunt geen deugdelijke motivering hebben gegeven.

2.20.6. Provinciale staten hebben betoogd dat in paragraaf 6.9.2 van het reconstructieplan Beerze-Reusel weliswaar is vermeld dat rond bebouwingsclusters stankzones worden gezoneerd als extensiveringsgebied, maar eveneens dat steeds maatwerk wordt verricht. Dat maatwerk heeft er in dit geval uit bestaan dat na een belangenafweging is gekozen in het voordeel van de landbouw en dus voor een verwevingsgebied in plaats van een extensiveringsgebied. Verder hebben provinciale staten er op gewezen dat de themakaart slechts een hulpmiddel is geweest voor de reconstructiecommissies om tot voorstellen en adviezen voor de vaststelling te komen. Niet alle zones van 250 meter rond stankgevoelige objecten, zoals die op de themakaart zijn weergegeven, zijn als extensiveringsgebied gezoneerd.

Ter zitting hebben provinciale staten verklaard dat voor campings altijd een afstand van minder dan 250 meter wordt aangehouden, omdat deze objecten extensief voor recreatie worden gebruikt. Verder hebben zij verklaard dat in twijfelgevallen altijd het belang van de landbouw voorgaat en daarom voor verwevingsgebied wordt gekozen. Provinciale staten hebben niet gemotiveerd hoe dit uitgangspunt zich verhoudt met het uitgangspunt dat steeds maatwerk wordt verricht. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan wordt aldus op dit punt niet gedragen door een deugdelijke motivering.

2.20.7. Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening Beerze-Reusel dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden in een zone van 250 meter rond Eurocamping Vessem als verwevingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening Beerze-Reusel.

Herziening reconstructieplan Maas en Meierij

Extensiveringsgebied aan de Heikampsestraat 15, MM-I

2.21. [appellant sub 1] betoogt dat de gronden behorend bij zijn bedrijf bij de herziening Maas en Meierij ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Hij voert aan dat provinciale staten op grond van de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007 in zaak nr. 200506843/1 de gronden als verwevingsgebied hadden moeten aanmerken. Volgens [appellant sub 1] hebben provinciale staten thans nog steeds niet gemotiveerd waarom de begrenzing kon worden gebaseerd op het uitgangspunt dat stankzones rondom steden, dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten worden begrensd als extensiveringsgebied. Voor zover provinciale staten zich op het standpunt hebben gesteld dat het bedrijventerrein Vorstengrafdonk zelf tot het stedelijk gebied gerekend moet worden, begrijpt [appellant sub 1] niet waarom dat destijds tijdens de zitting in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak nr. 200506843/1 niet naar voren is gebracht.

2.21.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het bedrijventerrein Vorstengrafdonk evenals de overige bedrijventerreinen die in een bestemmingsplan als zodanig zijn bestemd, tot het stedelijk gebied wordt gerekend. Daarbij is het gebied rondom deze bedrijventerreinen - in overeenstemming met de uitgangspunten voor de integrale zonering - als extensiveringsgebied gezoneerd. Dit is in het onderhavige geval in overeenstemming met het feit dat op de kaart behorende bij het provinciale Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss het bedrijventerrein is aangegeven als stedelijk gebied, aldus provinciale staten. Gezien het feit dat het bedrijf van [appellant sub 1] op ongeveer 150 meter van het bedrijventerrein Vorstengrafdonk ligt en het feit dat zich binnen de in het geldende bestemmingsplan voor deze gronden toegekende bestemming "Bedrijvenpark I" onder andere kantoorachtige bedrijven kunnen vestigen die stankgevoelig zijn, zijn provinciale staten van mening dat de zonering als extensiveringsgebied gerechtvaardigd is.

2.21.2. [appellant sub 1] exploiteert een varkenshouderij aan de Heikampsestraat 15. De gronden zijn in het reconstructieplan "Maas en Meierij" aangemerkt als extensiveringsgebied.

Bij uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200506843/1 heeft de Afdeling op het beroep van [appellant sub 1] tegen de voornoemde zonering als volgt geoordeeld:

"Uit de stukken, waaronder het uitgebrachte deskundigenbericht, volgt dat het bedrijf van appellant niet binnen een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar A-gebied, maar gedeeltelijk binnen een zone van 250 meter rondom een kwetsbaar B-gebied ligt. In zoverre wordt niet voldaan aan het uitgangspunt dat 250 meter zones rondom een zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) worden begrensd als extensiveringsgebied.

Ter zitting hebben verweerders hun standpunt aangaande de ligging van het bedrijventerrein "Vorstendonk" (lees: Vorstengrafdonk) toegelicht en gesteld dat dit bedrijventerrein behoort tot het stedelijk gebied van Oss. De Afdeling kan deze stelling van verweerders niet volgen, nu de bebouwde kom van Oss blijkens plankaart 2 op circa 1 kilometer afstand ligt. Verweerders hebben verder niet onderbouwd waarom de begrenzing in dit geval is gebaseerd op het uitgangspunt dat (stank)zones rondom steden, dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten worden begrensd als extensiveringsgebied.

Gezien het voorgaande berust het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering."

2.21.2.1. Het hiervoor onder 2.11 omschreven door provinciale staten gehanteerde uitgangspunt dat (stank)zones rondom steden, dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten worden begrensd als extensiveringsgebied, heeft de Afdeling in de uitspraak 2 mei 2007 in zaak nr. 200506843/1 niet onredelijk geacht.

2.21.2.2. In de correctieve herziening van het reconstructieplan Maas en Meierij zijn de gronden aan de Heikampsestraat 15 te Oss wederom aangeduid als extensiveringsgebied.

2.21.3. Provinciale staten hebben in het vaststellingsbesluit de keuze voor deze zonering gemotiveerd door te verwijzen naar het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss en het geldende bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Vorstengrafdonk. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat provinciale staten hier thans niet meer op zouden mogen wijzen. In het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss is het bedrijventerrein Vorstengrafdonk aangewezen als stedelijk gebied, beheer en intensivering.

Volgens het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss betreft dit stedelijk gebied waar het beleid nu en in de toekomst gericht is op het beheer van de bestaande kwaliteiten. Intensivering van ruimtegebruik en aanpassing van het stedelijk gebied, waar dat vanwege bestaande ruimtelijke kwaliteiten mogelijk en verantwoord is, kan nodig zijn, aldus het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss. Dit zal volgens het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss niet snel leiden tot een totaal andere structuur of functie van stadsdelen en/of wijken.

In het voor het bedrijventerrein Vorstengrafdonk geldende bestemmingsplan is aan de gronden de bestemming "Bedrijvenpark I" toegekend. Binnen gronden met een dergelijke bestemming zijn onder meer kantoren toegestaan.

Door naar de bestemming in het geldende plan alsmede naar de aanduiding in het Uitwerkingsplan Stedelijke regio Waalboss voor het bedrijventerrein Vorstengrafdonk te verwijzen, hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling thans voldoende gemotiveerd dat ter plaatse stankgevoelige objecten zijn toegelaten, waarvoor een stankzone dient te worden aangehouden. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om het standpunt van provinciale staten dat de gronden aan de Heikampsestraat 15 tot de stankzone van het bedrijventerrein Vorstengrafdonk worden gerekend, niet te volgen.

Gelet op het voorgaande is de aanwijzing als extensiveringsgebied met het voornoemde uitgangspunt in overeenstemming. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen vasthouden aan dit uitgangspunt van de zonering.

2.21.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening Maas en Meierij hebben kunnen vaststellen. In hetgeen [appellant sub 1] in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening Maas en Meierij en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Landbouwontwikkelingsgebied nabij 't Woud, MM-IV

2.22. De BMF en anderen betogen dat ten onrechte een gedeelte van het gebied 't Woud bij de herziening Maas en Meierij is begrensd als landbouwontwikkelingsgebied.

De BMF en anderen voeren aan dat provinciale staten onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het uitgangspunt dat een landbouwontwikkelingsgebied op ten minste 600 meter van een voor verzuring gevoelig gebied wordt begrensd is verlaten en een zone van 500 meter rondom een voor verzuring gevoelig gebied thans voldoende is geacht.

2.22.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de in het reconstructieplan Maas en Meierij opgenomen afstandsnorm van 600 meter tussen een landbouwontwikkelingsgebied en een voor verzuring gevoelig gebied een verschrijving is en dat in plaats van 600 meter een afstand van 500 meter had moeten zijn vermeld, zoals dat volgens hen ook in de spelregels en in de uitgangspunten in de andere reconstructieplannen is opgenomen. Gelet hierop is bij de herziening Maas en Meierij als uitgangspunt gehanteerd dat een landbouwontwikkelingsgebied op ten minste 500 meter van voornoemde gebieden dient te liggen, aldus provinciale staten. Zij betogen dat wat betreft de gronden van het gebied 't Woud die in de herziening Maas en Meierij zijn begrensd als landbouwontwikkelingsgebied is voldaan aan dit uitgangspunt.

2.22.2. Het gebied 't Woud is in het reconstructieplan Maas en Meierij aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

Bij uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200506843/1 heeft de Afdeling over voornoemde zonering als volgt geoordeeld:

"2.32.5. De Afdeling acht de hiervoor beschreven uitgangspunten voor de begrenzing van landbouwontwikkelingsgebieden niet onredelijk. Overeenkomstig deze uitgangspunten hebben verweerders, voor zover gebieden niet zijn begrensd als extensiverings- of verwevingsgebied, de geschiktheid van de (resterende) gebieden om te begrenzen als landbouwontwikkelingsgebied nader afgewogen.

Verweerders hebben bij hun nadere afweging het uitgangspunt dat een landbouwontwikkelingsgebied minstens circa 600 meter van een voor verzuring gevoelig gebied wordt begrensd niet in acht genomen, nu landbouwontwikkelingsgebied "'t Woud" ligt op circa 250 dan wel 500 meter afstand van de voor verzuring gevoelige gebieden "Kasteel Heeswijk" respectievelijk "Wijboschbroek". Verweerders hebben niet aangegeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden, en zo ja, of deze in dit geval nopen tot afwijking van het uitgangspunt dat een landbouwontwikkelingsgebied minstens circa 600 meter van een voor verzuring gevoelig gebied wordt begrensd.

Gezien het voorgaande berust het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering."

2.22.3. In de herziening Maas en Meierij is vermeld dat de correctieve herziening zich nadrukkelijk beperkt tot die onderdelen van het reconstructieplan die door de Afdeling zijn vernietigd. Het betreft hier dus geen herziening als gevolg van gewijzigde beleidsinzichten of wijziging van (sectorale) wetgeving.

Voorts is in de herziening Maas en Meierij vermeld dat het uitgangspunt dat een landbouwontwikkelingsgebied op ten minste 600 meter van een bebouwingsconcentratie en/of verzuringsgevoelig gebied wordt begrensd is verlaten en in plaats daarvan als uitgangspunt wordt gehanteerd dat een landbouwontwikkelingsgebied op ten minste 500 meter van voornoemde gebieden dient te liggen.

2.22.4. Het deel van het gebied 't Woud dat in het reconstructieplan Maas en Meierij was aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied is, voor zover dat is gelegen binnen 500 meter van een verzuringsgevoelig gebied bij de herziening Maas en Meierij begrensd als verwevingsgebied. Het overige gedeelte van het gebied 't Woud is bij de herziening Maas en Meierij aangemerkt als landbouwontwikkelingsgebied.

2.22.5. Het hiervoor onder 2.11 omschreven uitgangspunt dat een landbouwontwikkelingsgebied op ten minste 600 meter van een bebouwingsconcentratie en/of verzuringsgevoelig gebied wordt begrensd, heeft de Afdeling in de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200506843/1 niet onredelijk geacht.

De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten in het besluit tot vaststelling van de herziening Maas en Meierij noch ter zitting afdoende hebben gemotiveerd om welke redenen is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 600 meter tot een bebouwingsconcentratie en/of verzuringgevoelig gebied en een ander uitgangspunt is gehanteerd, terwijl de herziening Maas en Meierij volgens hen is gebaseerd op dezelfde beleidskaders en feitelijke gegevens als het reconstructieplan Maas en Meierij. De enkele stelling ter zitting dat het aanpassen van de afstand een herstel is van een verschrijving om de afstandsnorm in overeenstemming te brengen met de spelregels en de uitgangspunten in de andere reconstructieplannen, acht de Afdeling in dit verband onvoldoende, aangezien niet is gebleken dat provinciale staten dit niet eerder hadden kunnen en derhalve hadden moeten aanvoeren. Overigens betwijfelt de Afdeling of de wijziging als het herstel van een kennelijke verschrijving kan worden opgevat, gelet op het feit dat de overige reconstructieplannen, met uitzondering van Beerze-Reusel, geen concrete afstandsnorm voor landbouwontwikkelingsgebieden ten opzichte van een bebouwingsconcentratie en/of verzuringsgevoelig gebied kennen en in het reconstructieplan Maas en Meierij aan intensieve veehouderijen in een landbouwontwikkelingsgebied grotere ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden dan in de overige reconstructieplannen.

2.22.6. Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening Maas en Meierij dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover het gebied 't Woud als landbouwontwikkelingsgebied is aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening Maas en Meierij.

Herziening reconstructieplan De Meierij

Extensiveringsgebied aan Nergena 36, ME-I

2.23. [appellant sub 3] voert aan dat ten onrechte en in afwijking van de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, niet zijn gehele perceel aan Nergena 36 te Boxtel als verwevingsgebied is aangemerkt. Hierdoor worden volgens hem de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf niet verbeterd.

2.23.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het gehele bouwblok, zoals dat in het geldende bestemmingsplan is voorzien voor de gronden aan Nergena 36 te Boxtel, in de herziening De Meierij als verwevingsgebied is aangemerkt. Omdat het voornoemde bestemmingsplan niet in meer uitbreidingsmogelijkheden ter plaatse voorziet, hebben provinciale staten geen aanleiding gezien om ook het resterende gedeelte van het perceel als verwevingsgebied aan te merken.

2.23.2. [appellant sub 3] exploiteert, voor zover hier van belang, een varkensmestbedrijf aan Nergena 36 te Boxtel. Ter zitting is komen vast te staan dat op plankaart ME-I behorend bij de herziening De Meierij het gehele bouwblok uit het geldende plan ter plaatse is aangemerkt als verwevingsgebied. De overige gronden van het bedrijf zijn aangemerkt als extensiveringsgebied.

2.23.2.1. In haar uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1, betreffende het reconstructieplan De Meierij, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.26.3. […] Niet is gebleken dat de begrenzing is gebaseerd op één van de door verweerders gehanteerde uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden. Gezien de aanduidingen van het gebied in het streekplan 2002 als GHS-landbouw subzone natuurontwikkelingsgebied en zoekgebied waterberging verzetten de in het reconstructieplan opgenomen criteria voor de aanwijzing van verwevingsgebieden zich niet tegen het aanwijzen van de gronden van appellant als zodanig. In het feit dat volgens verweerders de gronden zijn gelegen aan de rand van een zoekgebied robuuste ecologische verbindingszone is onvoldoende rechtvaardiging gelegen voor de aanwijzing van de gronden van het bedrijf als extensiveringsgebied. Daarbij speelt een rol dat deze verbindingszone nog niet tot op perceelsniveau is begrensd. "

In II onder het kopje "Beslissing" in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 is, voor zover hier van belang, het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan vernietigd, voor zover ter plaatse van het bouwblok van het bedrijf aan Nergena 36 te Boxtel de gronden als extensiveringsgebied zijn aangeduid.

2.23.3. De Afdeling stelt vast dat de hierboven aangehaalde uitspraak strekt tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan De Meierij voor zover dat betrekking heeft op de zonering van het bouwblok aan Nergena 36 te Boxtel als extensiveringsgebied. De herziening De Meierij voorziet voor het gehele bouwblok in een zonering als verwevingsgebied. De herziening De Meierij is in zoverre in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak van de Afdeling. Vast is komen te staan dat het bouwblok wat betreft de gronden van [appellant sub 3] al volledig is benut en de gronden grenzend aan het bouwblok zijn gezoneerd als extensiveringsgebied, waardoor uitbreiding van het bouwblok niet mogelijk is. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in hetgeen [appellant sub 3] in zijn beroepschrift en zienswijze naar voren heeft gebracht, aanleiding hadden moeten zien om te onderzoeken of in dit geval sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding geven ook de zonering voor (een gedeelte van) de overige gronden te herzien.

2.23.4. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover alleen de gronden ter plaatse van het bouwblok aan Nergena 36 te Boxtel als verwevingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening De Meierij.

Landbouwontwikkelingsgebied tegenover de Brouwerskampweg 8, ME-II

2.24. De BMF en anderen voeren aan dat bij de herziening De Meierij de gronden gelegen tegenover het perceel Brouwerskampweg 8 te Son en Breugel ten onrechte zijn aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied. Zij wijzen er op dat provinciale staten in de ontwerp herziening De Meierij de desbetreffende gronden nog als verwevingsgebied hebben aangeduid. Hierbij hebben provinciale staten aangegeven dat de omstandigheden dat de gronden zich op minder dan 500 meter afstand bevinden van natuur en zijn gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, zich verzetten tegen een zonering als landbouwontwikkelingsgebied.

De BMF en anderen betogen dat het onduidelijk is waarom provinciale staten bij de vaststelling van de herziening De Meierij op dit punt zijn afgeweken van de richtlijn tot het aanhouden van een minimale afstand van 500 meter tot natuurgebieden. De zonering als landbouwontwikkelingsgebied is voorts volgens hen in strijd met de uitgangsgedachte van een robuuste zonering. Tot slot voeren de BMF en anderen aan dat de gronden op kaart 2 behorende bij het reconstructieplan de De Meierij als boringsvrije zone zijn aangeduid, een zone die blijkens diezelfde kaart moet worden beschouwd als grondwaterbeschermingsgebied.

2.24.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien is gebleken dat de in geding zijnde gronden niet zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Verder voeren zij aan dat het hanteren van een afstandsgrens van 500 meter ten opzichte van natuur slechts een richtlijn is. Nu in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 is overwogen dat ook overigens niet is gebleken van omgevingskwaliteiten die voorschrijven dat de onderhavige gronden dienen te worden begrensd als verwevingsgebied en zich geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan, met name niet met betrekking tot het vraagstuk rondom de verstedelijking, menen provinciale staten dat zij hebben mogen kiezen voor het aanwijzen van de gronden als landbouwontwikkelingsgebied.

2.24.2. In het reconstructieplan De Meierij zijn de gronden gelegen tegenover het perceel Brouwerskampweg 8 te Son en Breugel aangewezen als verwevingsgebied. In haar uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 heeft de Afdeling hierover als volgt overwogen:

"2.40.3. De in deze gehanteerde uitgangspunten voor de begrenzing van verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden zijn in het algemeen niet onredelijk. Het plan schrijft voor dat het onderhavige gebied - de Sonniuswijk - als verwevingsgebied wordt begrensd, waarbij een rol heeft gespeeld dat in de toekomst in dit gebied het primaat bij wonen zal zijn gelegen. De stelling van verweerders dat het gebied waarin de gronden van appellant zijn gelegen in het Regionaal Structuurplan Zuid-Oost Brabant is aangewezen als transformatiegebied, waarbinnen een deel is aangeduid als te reserveren woningbouwlocatie 2015-2030, is voor het aanmerken van die gronden als verwevingsgebied evenwel een onvoldoende motivering. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken noch het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat in het onderhavige gebied concreet is voorzien in een verstedelijkingsopgave. Ook overigens is niet gebleken van omgevingskwaliteiten die voorschrijven dat de onderhavige gronden dienen te worden begrensd als verwevingsgebied.

2.40.3.1. Het beroep van [belanghebbende A] is in zoverre gegrond en het besluit tot vaststelling van het plan dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover daarbij de gronden van [belanghebbende B] tegenover het adres Brouwerskampweg 8 te Son en Breugel zijn aangemerkt als verwevingsgebied. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc de goedkeuring van rechtswege te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan. "

2.24.2.1. Op plankaart ME-II behorende bij de ontwerp herziening De Meierij zijn de gronden gelegen tegenover het perceel Brouwerskampweg 8 aangemerkt als verwevingsgebied.

Bij de vaststelling van de herziening De Meierij is de zonering van de voornoemde gronden gewijzigd in primair landbouwontwikkelingsgebied.

2.24.2.2. Het hiervoor onder 2.11 omschreven uitgangspunt dat grondwaterbeschermingsgebieden als verwevingsgebied worden begrensd en het uitgangspunt voor de begrenzing van een landbouwontwikkelingsgebied, waarbij provinciale staten blijkens de stukken, waaronder de spelregels, als richtlijn uitgaan van minimaal 500 meter rond alle natuur, heeft de Afdeling in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 niet onredelijk geacht.

2.24.3. Kaart 2 behorende bij het reconstructieplan De Meierij geeft de binnen het plangebied behorende grondwatersystemen en grondwaterbeschermingsgebieden weer. Onder het kopje grondwaterbeschermingsgebieden wordt onder meer de boringsvrije zone genoemd. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van provinciale staten desgevraagd aangegeven dat gelet hierop boringsvrije zones tot de grondwaterbeschermingsgebieden dienen te worden gerekend.

Nu niet in geding is dat de gronden gelegen tegenover Brouwerskampweg 8 behoren tot een boringsvrije zone, is bij het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij niet onderkend dat een dergelijk gebied behoort tot het grondwaterbeschermingsgebied en op grond van de uitgangspunten voor begrenzing als verwevingsgebied in aanmerking komt.

2.24.4. Onbestreden is verder dat de gronden liggen op minder dan 500 meter van voor verzuring gevoelige natuur. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij noch ter zitting hebben provinciale staten verder toegelicht om welke redenen is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 500 meter tot voor verzuring gevoelige natuur en een ander uitgangspunt is gehanteerd, terwijl de herziening De Meierij volgens hen is gebaseerd op dezelfde beleidskaders en feitelijke gegevens als het reconstructieplan De Meierij.

2.24.5. Gelet op het vorenstaande is het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij is zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en ontbeert het op dit punt eveneens een deugdelijke motivering.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Meierij dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover de gronden tegenover de Brouwerskampweg 8 als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening De Meierij.

Verwevingsgebied aan de Airborneweg 43 in de nabijheid van het landbouwontwikkelingsgebied aan de Airborneweg 31 (ME-III)

2.25. [appellant sub 19] betoogt dat ten onrechte een herziening van de integrale zonering ter plaatse van zijn bedrijf achterwege is gelaten. Hiermee is volgens hem de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 miskend. In dit verband wijst hij er op dat de Afdeling naar aanleiding van het beroep van zijn [buurman], heeft overwogen dat voor het gehele gebied niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van verwevingsgebied.

2.25.1. Provinciale staten betogen dat de onderdelen van het reconstructieplan die niet bij de voornoemde uitspraak zijn vernietigd, onherroepelijk vaststaan. Dat geldt ook voor de integrale zonering van het bouwblok van [appellant sub 19], aldus provinciale staten. Provinciale staten zien niet in dat daar waar de integrale zonering onherroepelijk vaststaat deze omdat elders een herziening plaatsvindt, ter plaatse ook herzien zou moeten worden.

2.25.2. [appellant sub 19] exploiteert een varkenshouderij aan de Airborneweg 43 te Son. In het reconstructieplan De Meierij zijn de gronden aangeduid als verwevingsgebied.

2.25.2.1. De buurman van [appellant sub 19], [buurman], heeft tegen de in het reconstructieplan De Meierij opgenomen zonering als verwevingsgebied van zijn gronden aan de Airborneweg 31 beroep ingesteld. De Afdeling heeft hierover bij voornoemde uitspraak als volgt geoordeeld:

"2.41.3. De in deze gehanteerde uitgangspunten voor de begrenzing van verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden zijn niet onredelijk. Anders dan verweerders menen, zijn de gronden van het bedrijf van appellant niet gelegen in het gebied in het Regionaal Structuurplan Zuidoost Brabant aangewezen is als transformatiegebied, waarbinnen een deel is aangeduid als te reserveren woningbouwlocatie 2015-2030. Overigens volgt uit overweging 2.40.3. dat niet is gebleken dat in dit gebied concreet is voorzien in een verstedelijkingsopgave. Gezien de aanduiding van het gebied in het streekplan 2002 als AHS-landbouw en nu ook overigens niet is gebleken van omgevingskwaliteiten die voorschrijven dat de onderhavige gronden dienen te worden begrensd als verwevingsgebied verzetten de in het reconstructieplan opgenomen uitgangspunten voor de zonering zich niet zonder meer tegen het aanwijzen van de gronden van het bedrijf van appellant als landbouwontwikkelingsgebied. Verweerders hebben ook ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat aanwijzing van de gronden van het bedrijf als verwevingsgebied is gerechtvaardigd.

2.41.3.1. Het beroep van [buurman] is in zoverre gegrond en het besluit tot vaststelling van het plan dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voor zover daarbij de gronden van het bedrijf van [buurman] aan Airborneweg 31 te Son, zijn aangemerkt als verwevingsgebied. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc de goedkeuring van rechtswege te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het reconstructieplan."

2.25.2.2. Op plankaart ME-III behorende bij de herziening De Meierij is het bouwblok van [buurman] begrensd als landbouwontwikkelingsgebied. De gronden van [appellant sub 19] zijn niet opgenomen in de herziening De Meierij.

2.25.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 19] tegen het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan De Meierij en de daarmee samenhangende goedkeuring van rechtswege, geen beroep heeft ingesteld. [appellant sub 19] moet derhalve worden geacht in dit besluit te hebben berust.

Gelet hierop en in ogenschouw genomen dat ook anderen niet tegen de in het reconstructieplan De Meierij opgenomen zonering voor de gronden van [appellant sub 19] zijn opgekomen, waren provinciale staten niet gehouden om voor deze gronden een nieuw plan vast te stellen.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 19] dat gelet op de overwegingen inzake het beroep van [buurman] in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506285/1 provinciale staten aanleiding hadden moeten zien eveneens zijn gronden opnieuw te zoneren, overweegt de Afdeling dat de overwegingen hier niet toe strekken.

Voor zover [appellant sub 19] heeft betoogd dat de in het reconstructieplan opgenomen uitgangspunten voor zonering zich, evenals wat betreft de gronden van [buurman], niet zonder meer verzetten tegen het aanwijzen van de gronden van zijn bedrijf als landbouwontwikkelingsgebied, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant sub 19] dit niet eerder heeft kunnen aanvoeren.

Nu voorts wat betreft de gronden van [appellant sub 19] voor het overige niet is gebleken van een relevante wijziging van feiten of omstandigheden, hebben provinciale staten in de aangevoerde argumenten geen aanleiding behoeven te zien om desondanks deze gronden in de herziening van het reconstructieplan De Meierij te betrekken.

Het beroep van [appellant sub 19] is ongegrond.

Herziening reconstructieplan De Peel

Het extensiveringsgebied Bleek 32 te De Mortel, PE-I

2.26. [appellant sub 9] voert aan dat provinciale staten één van zijn percelen, Bleek 32, niet had mogen zoneren als extensiveringsgebied. Hij wijst er op dat zij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2007, nr. 200506286/1, hadden moeten onderzoeken of de bosstrook die ten zuidwesten van het perceel Bleek 32 ligt, is aangelegd of begrensd nà 1 mei 1988. Verder betwist [appellant sub 9] de stelling van provinciale staten dat de bosstrook in de desbetreffende bestemmingsplannen de bestemming bosgebied heeft en dat het bos dateert van vóór 1988. Hij wijst er op dat deze stelling niet door onderzoeken wordt gestaafd. Aan de hand van die onderzoeken had verder kunnen worden vastgesteld of het bosgebied als kwetsbaar in de zin van artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wav had moeten worden aangemerkt. Tot slot betoogt [appellant sub 9] dat het bosgebied geen kwetsbaar en voor verzuring gevoelig gebied is, aangezien het zich pas in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot bos.

2.26.1. Provinciale staten hebben zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op 10 januari 2006 het college van gedeputeerde staten van Brabant heeft besloten om het gebied ten zuidwesten van het perceel Bleek 32 als kwetsbaar in de zin van de Wav aan te wijzen. Aangezien het bouwblok van het bedrijf aan Bleek 32 binnen de 250-meterzone ligt van dit kwetsbare gebied hebben provinciale staten overeenkomstig paragraaf 6.9.2 van het reconstructieplan De Peel het perceel gezoneerd als extensiveringsgebied.

2.26.2. In paragraaf 6.9.2 van deel B van het reconstructieplan De Peel staan de uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden beschreven.

Provinciale staten hanteren onder meer de uitgangspunten dat zones van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden (A-gebieden) worden begrensd als extensiveringsgebied en dat rondom steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten, (stank)zones worden begrensd als extensiveringsgebied.

2.26.3. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 16 mei 2007, samengevat weergegeven, heeft overwogen, is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zeer kwetsbaar gebied (A-gebied) van belang of sprake is van een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav. Verder heeft de Afdeling overwogen dat ten tijde van het vaststellen van het reconstructieplan met betrekking tot het onderhavige gebied nog geen besluit als bedoeld in artikel 2 van de Wav was genomen, en dat het daarom, gezien het stelsel van de Wav, de Interimwet ammoniak en veehouderij en de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij, op de weg van provinciale staten had gelegen om te onderzoeken of het desbetreffende bosgebied is aangelegd of begrensd vóór dan wel ná 1988.

2.26.4. Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het college van gedeputeerde staten een besluit genomen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wav en het bosgebied ten zuidwesten van Bleek 32 aangewezen als kwetsbaar gebied. Hieruit volgt dat het door [appellant sub 9] bedoelde onderzoek naar de vraag of het bosgebied als kwetsbaar moet worden aangemerkt en of het vóór of ná 1988 is aangelegd, niet behoeft te worden uitgevoerd. Of het gebied al dan niet terecht is aangewezen als kwetsbaar gebied in de zin van de Wav, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

Het bouwblok van het bedrijf van [appellant sub 9] op het perceel De Bleek 32 ligt binnen een afstand van 250 meter vanaf het als kwetsbaar aangewezen gebied. Provinciale staten hebben derhalve in overeenstemming met de door hen gekozen uitgangspunten van het beleid genoemd in paragraaf 6.9.2 van deel B van het reconstructieplan het perceel aan De Bleek 32 als extensiveringsgebied gezoneerd. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd hebben provinciale staten geen aanleiding behoeven te zien om van dit beleid af te wijken.

2.26.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening De Peel hebben kunnen vaststellen. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening De Peel en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Landbouwontwikkelingsgebied Someren-Heide, PE-III

2.27. [appellant sub 7] en [appellant sub 16] voeren aan dat het landbouwontwikkelingsgebied ten westen van de kern Someren-Heide op een te korte afstand van het recreatiebedrijf van [appellant sub 7] ligt. Ten onrechte is geen afstand van ten minste 500 meter aangehouden. Hierdoor zullen problemen ontstaan op het gebied van de volksgezondheid. Dit is volgens [appellant sub 7] en [appellant sub 16] door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant al in eerdere procedures aangegeven. Het is niet mogelijk om in de directe omgeving van het recreatiebedrijf nieuwe veehouderijen te vestigen, daarom is een zonering als landbouwontwikkelingsgebied zinloos. Tevens is het landbouwontwikkelingsgebied ten onrechte op bouwblokniveau begrensd in plaats van op perceelsniveau, aldus [appellant sub 7] en [appellant sub 16].

Voorts brengt [appellant sub 7] naar voren dat hij de gronden van zijn recreatiebedrijf wil laten aanmerken als extensiveringsgebied.

2.27.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het niet verplicht is om het landbouwontwikkelingsgebied te begrenzen op 500 meter vanaf het recreatiebedrijf. Het gaat volgens provinciale staten met name om de vraag of ter plaatse van het bedrijf een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Nu de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden is vervallen, wordt dit door de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) gereguleerd. In het kader van de herziening De Peel hoeft hier volgens provinciale staten dan ook geen rekening meer mee te worden gehouden. De aanwezigheid van het geurgevoelige bedrijf staat er derhalve niet aan in de weg om het gebied opnieuw als landbouwontwikkelingsgebied aan te merken. Desondanks zijn, om een bufferzone te creëren, de twee naastgelegen bouwblokken aangemerkt als verwevingsgebied, aldus provinciale staten.

2.27.2. [appellant sub 7] exploiteert een kampeerbedrijf aan de Smulderslaan 23 te Someren-Heide. Het kampeerbedrijf is door de vader van [appellant sub 7] in 1967 opgericht en het agrarisch bedrijf is indertijd beëindigd. De accommodatie bestaat uit voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en een buitenterrein waar tenten kunnen worden geplaatst. Het perceel aan de Smulderslaan 23 heeft op grond van het reconstructieplan De Peel een zonering als verwevingsgebied.

Op plankaart PE-III behorend bij de herziening De Peel is ten westen van het kampeerbedrijf een landbouwontwikkelingsgebied aangemerkt. De bouwblokken van de twee agrarische bedrijven direct grenzend aan het perceel van [appellant sub 7] zijn aangemerkt als verwevingsgebied.

2.27.3. In de herziening De Peel is vermeld dat de correctieve herziening zich nadrukkelijk beperkt tot die onderdelen van het reconstructieplan die door de Afdeling zijn vernietigd. Het betreft hier dus geen herziening als gevolg van gewijzigde beleidsinzichten of wijziging van (sectorale) wetgeving. Een herziening naar aanleiding daarvan zal mogelijk in een later stadium in een afzonderlijke procedure worden doorgevoerd.

2.27.4. Niet in geschil is dat het recreatiebedrijf van [appellant sub 7] in verband met de zonering van het aangrenzende gebied als landbouwontwikkelingsgebied moet worden aangemerkt als een stankgevoelig object. Hieruit volgt echter niet zonder meer dat het bedrijf ook als groot stankgevoelig object in het kader van de zonering van extensiveringsgebieden zou moeten worden aangemerkt en een zonering als extensiveringsgebied zou zijn vereist. Dit vloeit ook niet voort uit voormelde uitspraak van de Afdeling. Gelet hierop, de in de spelregels vermelde omschrijving van stankgevoelige objecten in het kader van de aanwijzing van extensiveringsgebieden en het karakter van het bedrijf van [appellant sub 7], namelijk een groepsaccommodatie met een camping ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in de door [appellant sub 7] aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hebben behoeven te zien om de zonering ter plaatse van de Smulderslaan 23 te Someren-Heide te herzien.

Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre ongegrond.

2.27.5. Het hiervoor onder 2.11 omschreven uitgangspunt voor de begrenzing van een landbouwontwikkelingsgebied, waarbij provinciale staten blijkens de stukken, waaronder de spelregels, als richtlijn uitgaan van minimaal 500 meter rond alle gevoelige objecten is door de Afdeling in de vorige uitspraak niet onredelijk geacht. In de toelichting bij plankaart PE-III is echter vermeld dat provinciale staten in afwijking hiervan ten aanzien van het bedrijf van [appellant sub 7] zijn uitgegaan van het feit dat de Wgv in werking is getreden en dat daarom in de herziening geen rekening meer behoefde te worden gehouden met het geurgevoelige bedrijf. Overeenkomstig dit uitgangspunt hebben provinciale staten het landbouwontwikkelingsgebied Someren-Heide aangewezen. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel, noch ter zitting, hebben provinciale staten toegelicht om welke redenen voor alleen het bedrijf van [appellant sub 7] is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 500 meter tot gevoelige objecten en een ander uitgangspunt is gehanteerd, terwijl de herziening De Peel volgens hen is gebaseerd op dezelfde beleidskaders en feitelijke gegevens als het reconstructieplan De Peel.

2.27.6. Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan op dit punt een deugdelijke motivering.

De beroepen van [appellant sub 7] en [appellant sub 16] zijn in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden ten westen van de kern Someren-Heide binnen 500 meter van het recreatiebedrijf van [appellant sub 7] aan de Smulderslaan 23 als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening De Peel.

2.28. [appellant sub 16] voert voorts aan dat het zuidoostelijke gedeelte van het landbouwontwikkelingsgebied Someren-Heide niet is gebaseerd op de gehanteerde uitgangspunten. Ten onrechte is bij de begrenzing volgens [appellant sub 16] geen afstand van 500 meter aangehouden tot de woonkern en het sportpark. Hij stelt voorts dat de zonering als landbouwontwikkelingsgebied conflicteert met de waterwinning ter plaatse. Tevens is in verband met deze uitbreiding van het landbouwontwikkelingsgebied het stiltegebied verplaatst terwijl onduidelijk is of de gevolgen hiervan voor de flora en fauna deugdelijk zijn onderzocht. Door de ontwikkeling van het landbouwontwikkelingsgebied zal het aantal geurgehinderden in de gemeente juist sterk toenemen en bovendien is bij de berekening van dit aantal nog uitgegaan van een te hoge bestaande belasting. Voorts beschermt richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: IPPC-richtlijn) de volksgezondheid onvoldoende. Gelet hierop moeten volgens [appellant sub 16] grotere afstanden ten opzichte van het landbouwontwikkelingsgebied worden aangehouden. Het landbouwontwikkelingsgebied is bovendien in strijd met de IPPC-richtlijn, omdat het te dicht bij het Natura 2000-gebied 'Weerterbos' ligt. Hierdoor wordt het behoud van flora en fauna onmogelijk, aldus [appellant sub 16].

2.28.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het voorstel voor het landbouwontwikkelingsgebied is besproken in een klankbordgroep die vervolgens de reconstructiecommissie heeft geadviseerd. Het feit dat in een deel van het gebied burgerwoningen en melkveebedrijven liggen doet niet af aan het feit dat het gebied geschikt was voor aanwijzing als landbouwontwikkelingsgebied. Het landbouwontwikkelingsgebied ligt niet in een grondwaterwingebied, maar hoogstens gedeeltelijk in een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens provinciale staten betekent het feit dat niet overal de kadastrale grenzen zijn gevolgd niet dat de begrenzing als zodanig onlogisch is. Voorts voldoet het gebied aan de uitgangspunten van het reconstructieplan De Peel, aldus provinciale staten.

2.28.2. Op plankaart PE-III behorende bij de herziening De Peel is ten westen van de kern Someren-Heide een landbouwontwikkelingsgebied aangeduid. De woning van [appellant sub 16] ligt direct ten oosten van dit landbouwontwikkelingsgebied.

2.28.3. In paragraaf 11.6.1 van deel B van het reconstructieplan De Peel staat het beleid voor landbouwontwikkelingsgebieden beschreven. In deze paragraaf is aangegeven dat dit beleid geldt behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische optiek.

2.28.4. Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor het milieu die volgens [appellant sub 16] voortvloeien uit de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied merkt de Afdeling het volgende op.

Provinciale staten hebben in paragraaf 11.6.1 beleidsuitspraken opgenomen met betrekking tot de in artikel 1 van de Rwc voorziene gehele of gedeeltelijke mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij in landbouwontwikkelingsgebieden. Deze beleidsuitspraken vergen van de bestemmingsplanwetgever nader onderzoek en (belangen)afweging, reeds omdat het algemene voorbehoud wordt gemaakt dat het beleid geldt, behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke, landschappelijke, maatschappelijke en/of milieuhygiënische optiek. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek en de belangen)afweging kunnen in een bestemmingsplan ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden worden opgenomen die afwijken van eerder bedoelde beleidsuitspraken in het reconstructieplan De Peel. Uit de Rwc, het reconstructieplan De Peel noch de herziening De Peel vloeien in zoverre rechtstreekse ontwikkelingsmogelijkheden voort voor intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden.

Gezien het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied als zodanig geen nadelige gevolgen voor het milieu meebrengt en dat de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied op zichzelf niet leidt tot een toename van stankhinder, een verslechterende luchtkwaliteit en/of gevaren voor de volksgezondheid. Deze aspecten kunnen zo nodig worden afgewogen bij een bestemmingsplan waarin voor de aangewezen gronden concrete ontwikkelingsmogelijkheden worden toegekend.

2.28.5. Voorts heeft [appellant sub 16] niet aannemelijk gemaakt dat de IPPC-richtlijn zich verzet tegen de uitgangspunten die aan de zonering ten grondslag liggen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de herziening De Peel nog geen directe, juridische grondslag biedt voor het uitbreiden, hervestigen of nieuw vestigen van een intensieve veehouderij.

2.28.6. De onder 2.11 beschreven uitgangspunten voor de begrenzing van verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden heeft de Afdeling in de vorige uitspraak niet onredelijk geacht. Overeenkomstig deze uitgangspunten hebben provinciale staten, voor zover gebieden niet zijn begrensd als extensiverings- of verwevingsgebied, de geschiktheid van de (resterende) gebieden om deze te begrenzen als landbouwontwikkelingsgebied nader afgewogen. Deze nadere afweging brengt mee dat gebieden worden begrensd als verwevingsgebied, indien zij ongeschikt zijn om te begrenzen als landbouwontwikkelingsgebied.

De Afdeling stelt vast dat ten opzichte van de meest zuidelijke woningen van de kern Someren-Heide, de sportvelden en het recreatiebedrijf van [appellant sub 7] geen 500 meter is aangehouden tot het landbouwontwikkelingsgebied. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel noch ter zitting hebben provinciale staten aangegeven om welke redenen op voornoemde plaatsen is afgeweken van de door hen als richtlijn gehanteerde afstand van 500 meter tot geurgevoelige objecten zoals de bebouwde kom van Someren-Heide, voornoemde sportvelden en het recreatiebedrijf van [appellant sub 7].

Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellant sub 16] is in zoverre gegrond.

2.28.7. In het verweerschrift hebben provinciale staten bevestigd dat het landbouwontwikkelingsgebied gedeeltelijk in een grondwaterbeschermingsgebied ligt. Gelet op de in 2.10 genoemde spelregels had dit deel van het gebied als verwevingsgebied moeten worden aangemerkt. In het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel noch ter zitting hebben provinciale staten aangegeven om welke redenen zij op dit punt hebben afgeweken van deze door hen als uitgangspunt gehanteerde spelregel.

Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel ook op dit punt een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellant sub 16] is ook in zoverre gegrond.

2.28.8. Het besluit tot vaststelling van de herziening De Peel dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd voor zover de gronden ten westen van de kern Someren-Heide binnen 500 meter van de kern Someren-Heide en binnen 500 meter van de sportvelden als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt. Voorts dient het besluit tot vaststelling te worden vernietigd voor zover het landbouwontwikkelingsgebied ten westen van de kern Someren-Heide overlapt met de grondwaterbeschermingsgebied.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de hiervoor genoemde onderdelen van de herziening De Peel.

Herziening reconstructieplan Peel en Maas

Straatkantseweg 30 te Haps, PM-II

2.29. [appellante sub 2] voert aan dat ten onrechte, en in afwijking van de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, niet haar gehele perceel als verwevingsgebied is aangemerkt. Hierdoor valt bestaande bebouwing in extensiveringsgebied en worden de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf niet verbeterd.

2.29.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het gehele bouwblok zoals dat in het bestemmingsplan "Buitengebied Haps, 3e partiële herziening" is voorzien, in de herziening Peel en Maas als verwevingsgebied is aangemerkt. Omdat het voornoemde bestemmingsplan niet in meer uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf voorziet, hebben provinciale staten geen aanleiding gezien om ook de overige gronden van het perceel als verwevingsgebied aan te merkten.

2.29.2. [appellante sub 2] exploiteert een nertsenhouderij aan de Straatkantseweg 30 te Haps. Ter zitting is komen vast te staan dat op plankaart PM-II behorend bij de herziening Peel en Maas het gehele bouwblok ter plaatse is aangemerkt als verwevingsgebied. De overige gronden van het bedrijf zijn aangemerkt als extensiveringsgebied.

2.29.3. In haar uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506292/1, betreffende het reconstructieplan Peel en Maas, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.31.3. […] Niet is gebleken dat de begrenzing is gebaseerd op één van de door verweerders gehanteerde uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden. Voorts blijkt uit de stukken niet dat de in het reconstructieplan opgenomen criteria voor de aanwijzing van verwevingsgebieden zich verzetten tegen het aanwijzen van de gronden van het bedrijf van [appellante sub 2] als verwevingsgebied. […] Ook overigens hebben verweerders niet aangegeven dat er andere motieven zijn die de aanwijzing van de gronden als extensiveringsgebied rechtvaardigen. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is dan ook in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

2.31.3.1. […] Het besluit tot vaststelling van het plan dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij de gronden ter plaatse van het bouwblok van het bedrijf gelegen aan (de) Straatkantseweg 30 te Cuijk zijn begrensd als extensiveringsgebied."

2.29.4. De Afdeling stelt vast dat de hierboven aangehaalde uitspraak strekt tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan Peel en Maas voor zover dat betrekking heeft op de zonering van het bouwblok aan de Straatkantseweg 30 te Cuijk als extensiveringsgebied. De herziening Peel en Maas voorziet voor het gehele bouwblok in een zonering als verwevingsgebied. De herziening Peel en Maas is in zoverre in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak van de Afdeling. Vast is komen te staan dat het bouwblok van [appellante sub 2] al volledig is benut en de aangrenzende gronden zijn gezoneerd als extensiveringsgebied waardoor uitbreiding van het bouwblok niet mogelijk is. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten in hetgeen [appellante sub 2] in haar beroepschrift en zienswijze naar voren heeft gebracht, aanleiding hadden moeten zien om te onderzoeken of in dit geval sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding geven ook de zonering voor (een gedeelte van) de overige gronden te herzien.

2.29.5. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van de herziening Peel en Maas in zoverre niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening Peel en Maas dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover alleen de gronden ter plaatse van het bouwblok aan de Straatkantseweg 30 te Haps, gemeente Cuijk, als verwevingsgebied zijn aangemerkt.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening Peel en Maas.

Middenweg 3 te Sint Hubert, PM-IV

2.30. De BMF en anderen voeren aan dat ten onrechte het gehele perceel en niet alleen het bouwblok van het perceel Middenweg 3 als verwevingsgebied is aangemerkt. Dit is niet in overeenstemming met het advies van de Reconstructiecommissie. Voorts wijzen zij erop dat het perceel op een kruising van twee ecologische verbindingszones ligt en dat ter plaatse landschappelijke en natuurwaarden aanwezig zijn. Hiertoe stellen zij dat het perceel gedeeltelijk is aangeduid als AHS subzone leefgebied dassen en als GHS subzone struweelvogelgebieden. De zonering als verwevingsgebied leidt bovendien tot versnippering, aldus de BMF en anderen.

2.30.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007 een nieuwe afweging heeft plaatsgevonden. Op grond van de gehanteerde uitgangspunten hoeft het gebied niet te worden aangewezen als extensiveringsgebied. Mede gelet op de omvang van het huidige bouwblok zijn ook de overige gronden aangemerkt als verwevingsgebied. De aanwezigheid van landschappelijke of natuurwaarden of een ecologische verbindingszone heeft niet tot gevolg dat deze gronden als extensiveringsgebied had moeten worden aangemerkt, aldus provinciale staten.

2.30.2. Op plankaart PM-IV behorend bij de herziening Peel en Maas zijn het bouwblok en de overige gronden ter plaatse van de Middenweg 3 te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert, aangemerkt als verwevingsgebied.

2.30.3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200506292/1 het volgende overwogen:

"2.33.3. Niet is gebleken dat de begrenzing is gebaseerd op één van de door verweerders gehanteerde uitgangspunten voor de begrenzing van extensiveringsgebieden. Verweerders hebben ook ter zitting niet kunnen aangeven waarom de aanwijzing van de gronden van dit bedrijf als extensiveringsgebied gerechtvaardigd is, gelet op de gehanteerde uitgangspunten. Het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan is dan ook in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

2.33.3.1. Het beroep van [belanghebbenden C] is, voor zover ontvankelijk, in zoverre reeds hierom gegrond. Het besluit tot vaststelling van het plan dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij de gronden ter plaatse van het bouwblok van het bedrijf gelegen aan Middenweg 3 te Sint Hubert, gemeente Mill en St. Hubert, zijn begrensd als extensiveringsgebied."

2.30.4. De BMF en anderen stellen zich terecht op het standpunt dat de Afdeling in haar bovengenoemde uitspraak alleen de zonering voor de gronden ter plaatse van het bouwblok aan de Middenweg 3 te Sint Hubert heeft vernietigd. In aanmerking genomen de hiervoor onder 2.11 genoemde uitgangspunten en de door provinciale staten in de toelichting bij de herziening Peel en Maas naar voren gebrachte motivering dat het alleen wijzigen van de zonering gelet op de geringe omvang van het huidige bouwblok feitelijk geen verschil zou maken voor het ter plaatse gevestigde bedrijf, hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in deze omstandigheden in redelijkheid aanleiding kunnen zien ook de zonering voor (een gedeelte van) de overige gronden te herzien. De BMF en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de zonering van de betrokken gronden als verwevingsgebied in strijd zou zijn met de door provinciale staten gehanteerde uitgangspunten.

2.30.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid de herziening Peel en Maas hebben kunnen vaststellen. In hetgeen de BMF en anderen in zoverre hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening Peel en Maas en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre ongegrond.

Herziening integrale zonering voor doorsneden bouwblokken

2.31. In de reconstructieplannen was voor de gevallen waarin door de integrale zonering een doorsnijding van een vigerend bouwblok heeft plaatsgevonden, het volgende beleid geformuleerd:

"Een dergelijke doorsnijding is vanuit oogpunt van rechtszekerheid niet gewenst. Bij doorsnijdingen wordt het lichter rechtsregiem van toepassing verklaard op het hele bouwblok, tenzij bij de betreffende doorsnijding een ‘harde’ grens van de integrale zonering in het geding is (afstand van 220 meter rond A-gebieden en 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswet-gebieden), in dat geval is het zwaarste rechtsregiem van toepassing. Hierbij geldt dat extensiveringsgebied het zwaarste en landbouwontwikkelingsgebied het lichtste regiem omvat.

Indien de doorsnijding van een bouwblok een ‘harde’ grens betreft en het gedeelte van het doorsneden bouwblok dat binnen het zwaarste regiem ligt (afstand van 220 meter rond A-gebieden en 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden) ondergeschikt en niet benut is, kan worden uitgegaan van het lichtere regiem met als gevolg dat de bouw- en gebruiksrechten voor dat gedeelte komen te vervallen."

2.31.1. In de uitspraken over de beroepen tegen de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplannen, nrs. 200506288/1, 200506283/1, 200506839/1, 200506285/1, 200506843/1, 200506286/1 en 200506292/1, heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2005, nr. 200405077/1, overwogen dat de zonering intensieve veehouderij, bezien in het licht van artikel 27 van de Rwc, in het kader van een reconstructieplan volledig moet zijn afgewogen op bouwblokniveau, hetgeen is miskend door in de reconstructieplannen een aantal bouwblokken te voorzien van twee zoneringsaanduidingen. Dit heeft de Afdeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geacht. Naar het oordeel van de Afdeling werd deze strijdigheid niet weggenomen doordat in de reconstructieplannen afzonderlijk beleid voor doorsneden bouwblokken was opgenomen, nu de bestemmingsplanwetgever bij de toepassing van dat beleid nog een beoordeling diende te verrichten en voorts onder omstandigheden een keuze kon maken welke ontwikkelingsmogelijkheden voor een doorsneden bouwblok zouden gelden. Bovendien heeft de Afdeling rechtsonzeker geacht dat op de plankaarten twee gebiedsaanduidingen voorkwamen, maar blijkens de plantekst slechts één daarvan van toepassing is. Gelet hierop zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplannen vernietigd, voor zover bouwblokken zijn voorzien van twee zoneringsaanduidingen.

2.31.2. In het voorstel tot vaststelling van de correctieve herziening is opgenomen dat bij het toekennen van de integrale zonering aan een doorsneden bouwblok de systematiek is toegepast die was opgenomen in de in 2005 vastgestelde reconstructieplannen. Volgens het voorstel kan deze regeling opnieuw worden toegepast, omdat deze als zodanig niet is vernietigd, maar alleen niet zonder afweging naar een individueel bouwblok gehanteerd mocht worden. Voorts is vermeld dat geen herziening heeft plaatsgevonden van de integrale zonering van gebieden en bouwblokken die in de voornoemde uitspraken niet zijn vernietigd. Evenmin is vooruit gelopen op eventuele wijzigingen van de integrale zonering als gevolg van de gewijzigde Wav. Dergelijke wijzigingen komen bij een eventuele algehele herziening aan de orde, aldus het voorstel.

2.31.3. Volgens het vaststellingsbesluit zijn de doorsneden bouwblokken opnieuw begrensd met behulp van de uitgangspunten voor de begrenzing van de integrale zonering in de reconstructieplannen. Bij de herbegrenzing zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

"Bij doorsnijdingen wordt het lichtste regiem van toepassing verklaard op het gehele bouwblok, tenzij bij de betreffende doorsnijding een 'harde' grens van de integrale zonering in het geding is. Als 'harde' grenzen worden aangemerkt: 220 meter rondom A-gebieden en 1000 meter rond Vogel- en Habitatrichtlijn-gebieden en Natuurbeschermingswetgebieden. Wordt een bouwblok doorsneden door een harde grens, dan is het zwaarste regiem van toepassing. Extensiveringsgebied geldt als zwaarste regiem en landbouwontwikkelingsgebied als lichtste. Indien een bouwblok wordt doorsneden door een harde grens en het gedeelte van het doorsneden bouwblok dat binnen het zwaarste regiem ligt, ondergeschikt is en niet benut is, is van het lichtere regiem uitgegaan. […]

In een enkel geval is een miniem gedeelte van het bouwblok onbedoeld in een andere zone komen liggen. […] Hier is eerder sprake van een technische fout op de kaart dan van een doorsnijding. Op plaatsen waar zich dit voordoet wordt onder correctie van de begrenzing de oorspronkelijke zonering gehandhaafd."

Het beroep van [appellanten sub 5]

2.32. [appellanten sub 5] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 5]) betogen dat het bouwblok van hun perceel Oosterheidestraat 6 te Uden (PM-059) ten onrechte is gezoneerd als extensiveringsgebied, nu deze zonering leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de ontwikkelingsmogelijkheden van zijn agrarisch bedrijf ter plaatse ten opzichte van de zonering als verwevingsgebied in het reconstructieplan. [appellant sub 5] bestrijdt het standpunt van provinciale staten dat in het reconstructieplan onbedoeld een minimale doorsnijding van het bouwblok heeft plaatsgevonden. Volgens hem was een deel van het bouwblok in het reconstructieplan bewust gezoneerd als verwevingsgebied, omdat bij verplaatsing van de bebouwing naar dit deel een kleiner deel van de geurcontour van het bedrijf over het nabijgelegen recreatiepark Hemelrijk zou komen te liggen. Op dit deel van het bouwblok wenst [appellant sub 5] een nieuwe varkensstal te bouwen, terwijl de bestaande stallen op kortere afstand van Hemelrijk buiten gebruik worden gesteld. Hij voert aan dat dit zou leiden tot een afname van de geurbelasting op het park, hetgeen niet kan worden gerealiseerd op basis van de thans toegekende zonering als extensiveringsgebied. Voorts voert hij aan dat de geurgevoeligheid van het park inmiddels is afgenomen.

2.32.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat een klein deel van het bouwblok in het reconstructieplan Peel en Maas onbedoeld was gezoneerd als verwevingsgebied en dat deze zonering voor het gehele bouwblok in strijd zou zijn met het uitgangspunt van robuuste zonering. Voorts hebben zij gesteld dat de zonering als extensiveringsgebied, gelet op de ligging van het bedrijf ten opzichte van het recreatiepark en omliggende woonbebouwing, in overeenstemming is met de reconstructiedoelstelling om het aantal stankgehinderden terug te dringen. Nu slechts op een ondergeschikt deel van het bouwblok het lichtere regime van verwevingsgebied was toegepast, bestond in dit concrete geval aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in geval van doorsnijding in beginsel voor het lichtste regime wordt gekozen, aldus provinciale staten.

2.32.2. Blijkens het vaststellingsbesluit is geen sprake van doorsnijding door een zogenoemde harde grens, zodat volgens de uitgangspunten bij de herbegrenzing van doorsneden bouwblokken het relatief lichtere regime van verwevingsgebied van toepassing had moeten worden verklaard op het gehele bouwblok. In afwijking hiervan hebben provinciale staten echter het gehele bouwblok als extensiveringsgebied gezoneerd. Gelet op de ter zitting door [appellant sub 5] genoemde vergelijkbare gevallen waarin wél volgens de uitgangspunten is gekozen voor toepassing van het relatief lichtere regime, waaronder bouwblokken met een minimale - wellicht evenzeer onbedoelde - doorsnijding ten gevolge waarvan slechts op een ondergeschikt deel van het bouwblok het relatief lichtere regime was toegepast, hebben provinciale staten niet deugdelijk gemotiveerd dat ten aanzien van het bouwblok van het perceel van [appellant sub 5] kon worden afgeweken van de uitgangspunten bij de herbegrenzing van doorsneden bouwblokken. Dit temeer nu provinciale staten niet hebben bezien of het aantal stankgehinderden in dit geval (ook) kan worden teruggedrongen door zonering van het bouwblok als verwevingsgebied, op basis waarvan een herinrichting van het bouwblok ten gunste van omliggende geurgevoelige objecten mogelijk zou worden gemaakt.

2.32.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat de herziening Peel en Maas in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond. Het besluit tot vaststelling van de herziening Peel en Maas dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het bouwblok van het perceel Oosterheidestraat 6 te Uden is aangeduid als extensiveringsgebied.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van de herziening Peel en Maas.

Het beroep van [appellante sub 10]

2.33. [appellante sub 10] betoogt dat het bouwblok van haar perceel Mathijseind 7 te Bakel (PE-032) ten onrechte is gezoneerd als extensiveringsgebied. Zij betoogt dat met deze zonering ten onrechte is vooruitgelopen op de aanwijzing van het nabijgelegen bosgebied als zeer kwetsbaar gebied krachtens de Wav. Voorts stelt zij dat dit gebied feitelijk niet kwalificeert als A-gebied in de zin van het reconstructieplan, omdat het een productiebos betreft en het bosareaal zal worden verkleind in verband met de ter plaatse beoogde waterberging. Ten slotte wijst de maatschap op de nadelige gevolgen van de zonering voor de bedrijfsvoering.

2.33.1. Niet in geschil is dat het in geding zijnde bosgebied ten tijde van de vaststelling van het reconstructieplan De Peel op de bijbehorende kaart 7 als A-gebied is aangemerkt. In de eerdergenoemde uitspraken is ter zake van de uitgangspunten voor de integrale zonering intensieve veehouderij onder meer overwogen dat provinciale staten wat betreft het aanduiden van de kwetsbare gebieden hebben kunnen volstaan met een vermelding van de ligging daarvan op kaart 7 van het reconstructieplan, dat deze vermelding een feitelijke inventarisatie betreft van gebieden die vanuit hun gebruiksfunctie of kritische depositiewaarde verzuringsgevoelig geacht moeten worden en dat provinciale staten voor de vermelding van die gebieden op kaart 7 geen nader onderzoek ter plaatse behoefden te verrichten. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de herziening zich nadrukkelijk beperkt tot de onderdelen van de reconstructieplannen die in de voornoemde uitspraken zijn vernietigd, zodat het in geding zijnde doorsneden bouwblok uitsluitend is herzien in verband met de dubbele zoneringsaanduiding. Gelet hierop hebben provinciale staten bij de herbegrenzing van het doorsneden bouwblok van het perceel Mathijseind 7 te Bakel (PE-032) kunnen uitgaan van de status van het betrokken bosgebied als A-gebied.

2.33.2. Blijkens het vaststellingsbesluit was het bouwblok doorsneden door de harde grens van 220 meter rondom een A-gebied. Provinciale staten hebben thans het gehele bouwblok als extensiveringsgebied gezoneerd, omdat het gedeelte van het bouwblok dat in het zwaarste regime was gelegen, volgens hen niet een ondergeschikt en onbenut deel van het vigerende bouwblok betreft. Anders dan de maatschap ter zitting heeft betoogd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het criterium dat sprake is van een ondergeschikt deel van het bouwblok, willekeurig is gekozen en daarom buiten beschouwing had moeten worden gelaten. Voorts blijkt uit het vaststellingsbesluit dat een aanzienlijk deel van het bouwblok dat met stallen is bebouwd, binnen de zone van 220 meter rondom een A-gebied is gelegen. Nu derhalve is besloten in overeenstemming met de uitgangspunten voor de herbegrenzing van doorsneden bouwblokken en [appellante sub 10] overigens niet heeft aangevoerd op welke gronden in dit geval van deze uitgangspunten had moeten worden afgeweken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten wat betreft het bouwblok voor het perceel Mathijseind 7 te Bakel (PE-032) niet in redelijkheid de herziening hebben kunnen vaststellen.

In hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de herziening en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.33.3. Het beroep van [appellante sub 10] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 20]

2.34. [appellante sub 20] betoogt dat een deel van haar perceel Gezandebaan 5 te Someren (PE-043a), dat aansluit op het vigerende bouwblok, ten onrechte niet is aangewezen als verwevingsgebied, voor zover daardoor de ter plaatse gewenste vergroting van het bouwblok ten behoeve van uitbreiding van de varkenshouderij onmogelijk is gemaakt. Zij voert aan dat de procedure omtrent aanwijzing van zeer kwetsbare gebieden krachtens de Wav ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog niet was afgerond. Voorts stelt [appellante sub 20] dat het, gelet op het uitgangspunt van robuuste zonering, in de rede had gelegen een groter gebied dan uitsluitend haar bouwblok als verwevingsgebied aan te wijzen.

2.34.1. Blijkens het vaststellingsbesluit was het bouwblok voor het perceel Gezandebaan 5 te Someren (PE-043a) in het reconstructieplan De Peel doorsneden door de harde grens van 220 meter rondom een A-gebied. Niet in geschil is dat dit A-gebied ten tijde van de vaststelling van het reconstructieplan op de bijbehorende kaart 7 als zodanig was aangemerkt. Zoals hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep van [appellante sub 10], ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat provinciale staten wat betreft het aanduiden van de kwetsbare gebieden hebben kunnen volstaan met een vermelding van de ligging daarvan op kaart 7 van het reconstructieplan, mede gelet op de aard van de correctieve herziening. Aan de omstandigheid dat het betrokken A-gebied inmiddels niet is aangewezen als zeer kwetsbaar gebied krachtens de Wav, kan geen betekenis worden toegekend, reeds omdat dit een omstandigheid van na het nemen van de bestreden besluiten betreft.

2.34.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de zonering van het aan het bouwblok grenzende, als extensiveringsgebied aangemerkte gedeelte van het perceel Gezandebaan 5 te Someren (PE-043a) niet in redelijkheid niet hebben herzien. In hetgeen [appellante sub 20] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herziening en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit op dit punt anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 20] is ongegrond.

Het beroep van de BMF en anderen

2.35. De BMF en anderen betogen dat van een aantal bouwblokken ten onrechte de zonering is herzien, omdat in het reconstructieplan geen sprake was van een doorsneden bouwblok en derhalve in zoverre sprake is van een ambtshalve herziening, die de reikwijdte van de correctieve herziening te buiten gaat.

2.35.1. Wat betreft de bouwblokken van de percelen Bruggenseweg 13 te Deurne (PE-014) en Nieuwedijk 1A te Nuenen (PE-039) hebben provinciale staten in hun aanvullend verweerschrift van 24 juni 2009 een ander standpunt ingenomen dan in het vaststellingsbesluit. Blijkens nader onderzoek zou geen sprake zijn van een doorsneden bouwblok onderscheidenlijk zou van een onjuiste omvang van het bouwblok zijn uitgegaan. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt hebben gesteld dan zij in het vaststellingsbesluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat dit besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van de BMF en anderen is op deze punten gegrond, zodat de herziening wat betreft de bouwblokken van de percelen Bruggenseweg 13 te Deurne (PE-014) en Nieuwedijk 1A te Nuenen (PE-039) wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. Gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc dient eveneens het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.35.2. Ten aanzien van de bouwblokken van de percelen Oosterwijksestraat 24 te Alphen-Chaam (BA-017), De Uitgang 18 te Bladel (BR-003), Keijenhurkseweg 2/4 te Eersel (BR-011), Lieringsedijk 20 te Best (ME-003), Sloef 11 te Sint-Oedenrode (ME-038), Vlosbergseweg 14a te Asten (PE-007) en Olen 20 te Nuenen (PE-040) is ter zitting vastgesteld of door provinciale staten erkend, althans niet weersproken, dat geen sprake was van een doorsneden bouwblok dan wel dat bij de herbegrenzing is uitgegaan van een onjuiste omvang van het vigerende bouwblok.

Wat betreft het perceel Olen 20 te Nuenen (PE-040) zijn provinciale staten uitgegaan van een doorsnijding van het thans vigerende bouwblok, dat echter eerst na de vaststelling en goedkeuring van het reconstructieplan De Peel in het desbetreffende bestemmingsplan is vastgesteld. De vernietiging van het reconstructieplan De Peel heeft derhalve geen betrekking gehad op dit bouwblok, zodat de zonering hiervan is herzien in afwijking van het uitgangspunt van provinciale staten dat het een correctieve herziening betreft. Provinciale staten hebben dit niet onderkend.

Gelet op het vorenstaande is de herziening ook op deze onderdelen genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.35.3. Het beroep van de BMF en anderen is ook in zoverre gegrond. De herziening dient wat betreft de bouwblokken van de voornoemde percelen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.36. De BMF en anderen betogen dat een aantal doorsneden bouwblokken, gezien hun ligging tot natuurgebieden, thans ten onrechte met het relatief lichtere regime is gezoneerd. Daarmee zijn mogelijkheden voor nieuwvestiging, omschakeling of uitbreiding geboden, die bij een zonering met het relatief zwaarste regime zouden zijn uitgesloten. In zoverre leidt de herziening tot een toename van de ammoniakemissie op natuurgebieden, hetgeen zij in strijd achten met de reconstructiedoelstellingen. Volgens hen had niet uitsluitend bij doorsnijdingen door een harde grens moeten worden gekozen voor zonering met het relatief zwaardere regime.

2.36.1. Provinciale staten hebben in beginsel, bij wijze van algemene regel, uitsluitend bij doorsnijding van het bouwblok door een harde grens het relatief zwaardere regime toegepast op het gehele bouwblok.

Naar het oordeel van de Afdeling kan onder omstandigheden ook in andere gevallen dan uitsluitend de door een harde grens doorsneden bouwblokken de keuze voor het relatief zwaarste regime in de rede liggen, temeer indien in het reconstructieplan aan een ondergeschikt en onbenut deel van het bouwblok het lichtste regime was toegekend en ten gevolge van de herziening aan het gehele bouwblok het lichtste regime is toegekend. In dit licht hebben provinciale staten, door niet per afzonderlijk doorsneden bouwblok de relevante feiten en belangen te vergaren en af te wegen, maar te volstaan met toepassing van een algemene regel, de herziening ook in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en zonder deugdelijke motivering. Dit betreft de niet door een harde grens doorsneden bouwblokken van de volgende percelen: Abcovensedijk 8 te Goirle (BR-016), Vijfhuizenbaan 42 (BR-022) en Vijfhuizenbaan 46 (BR-023) te Goirle, Driehuizen 1 te Hilvarenbeek (BR-032), Hoog Munsel 9 te Boxtel (ME-009), Ruiting 5 te Haaren (ME-016), Laag Heukelomseweg 11 te Oisterwijk (ME-029), Liempdseweg 14 te Sint-Oedenrode (ME-035), Schoor 8 te Sint-Oedenrode (ME-036), Sloef 7 te Sint-Oedenrode (ME-037), Vresselseweg 40a te Sint-Oedenrode (ME-040), Papenvoortsedijk 1b te Boxmeer (PM-019), De Bengels 2/4 te Cuijk (PM-027) en Van Ophovenlaan 66 te Mill en Sint-Hubert (PM-038).

2.36.2. Het beroep van de BMF en anderen is ook in zoverre gegrond. De herziening dient wat betreft de bouwblokken van de voornoemde percelen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.37. De BMF en anderen betogen dat bij de herbegrenzing van doorsneden bouwblokken ten onrechte de ligging op een afstand van 220 meter rondom een A-gebied als criterium is gehanteerd. Volgens hen bieden de reconstructieplannen slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid tot verkleining van de beschermingszones van 250 tot 220 meter, zodat bij de herbegrenzing in beginsel bepalend had moeten zijn of het betrokken bouwblok in een zone van 250 meter rond een A-gebied is gelegen.

2.37.1. Provinciale staten hebben gesteld dat bij de keuze voor de harde grens van 220 meter rondom een A-gebied is aangesloten bij de uitgangspunten voor de integrale zonering. Hierin is neergelegd dat gronden binnen 250 meter tot een A-gebied - in voorkomend geval teruggebracht tot 220 meter - als extensiveringsgebied worden gezoneerd. Dat de afstand van 220 meter tot een A-gebied is beperkt tot voorkomende gevallen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet anders worden begrepen dan dat provinciale staten deze afstand hebben beschouwd als een afwijking van de afstand van 250 meter, welke afwijking van een motivering dient te worden voorzien. Dit geldt derhalve evenzeer voor de keuze van de harde grens van 220 meter rondom een A-gebied als algemeen uitgangspunt bij de herbegrenzing van doorsneden bouwblokken, waarbij immers is aangesloten bij de uitgangspunten voor de integrale zonering. Ter zitting hebben provinciale staten echter toegelicht dat de harde grens van 220 meter rondom een A-gebied niet is gebaseerd op voor de reconstructie relevante argumenten, maar is voortgekomen uit het louter pragmatische motief om het aantal door een harde grens doorsneden bouwblokken, waaraan bij de herbegrenzing in beginsel het zwaarste regime wordt toegekend, zo veel mogelijk te beperken. In zoverre berust de herziening niet op een deugdelijke motivering. Dit betreft de bouwblokken van de navolgende percelen die geheel of gedeeltelijk op een kortere afstand dan 250 meter tot een A-gebied zijn gelegen en waaraan niet het zwaarste regime van extensiveringsgebied is toegekend: Strijbeekseweg 53 te Alphen-Chaam (BA-021), Overaseweg 186 te Breda (BA-025), Akkerweg 8 te Goirle (BR-016a), Huijgevoort 3 te Middelbeers (BR-080), Langegracht 6 te Middelbeers (BR-083), Keersopperdreef 1 te Bergeijk (BD-014), Lommelsedijk 15 te Bergeijk (BD-016), Lommelsedijk 25 te Bergeijk (BD-018), Achterste Brug 39 te Valkenswaard (BD-028), Heikantstraat 25 te Waalre (BD-034), Onze Lieve Vrouwedijk 78/80 te Waalre (BD-035), Lieringsedijk 20 te Best (ME-003), De Kuilen 4a te Son en Breugel (ME-041), Loonsehoek 2 te Tilburg (ME-049), Ericaweg 3 te Asten (PE-003), Biesdeel 20 te Deurne (PE-012), Waterstraat 2/2a te Deurne (PE-025b), Gezandebaan 5 te Someren (PE-043a) en Otterdijk 3 te Someren (PE-047).

2.37.2. Het beroep van de BMF en anderen is ook in zoverre gegrond. De herziening dient wat betreft de bouwblokken van de voornoemde percelen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.38. De BMF en anderen betogen dat ten onrechte niet het beleid is gehandhaafd dat, indien ondergeschikte en onbenutte delen van door harde grenzen doorsneden bouwblokken binnen het zwaarste regime liggen, het lichtere regime van toepassing wordt verklaard met dien verstande dat de bouw- en gebruiksrechten voor dat gedeelte komen te vervallen. Zij betogen dat in zoverre sprake is van nieuw beleid dat de reikwijdte van de correctieve herziening te buiten gaat. Voorts is daardoor ten onrechte niet langer verzekerd dat niet mag worden gebouwd binnen de zones rondom A-gebieden en rondom Vogel- of Habitatrichtlijngebieden of Natuurbeschermingswetgebieden, aldus de BMF en anderen.

2.38.1. Provinciale staten hebben erop gewezen dat in de reconstructieplannen geen planologische doorwerking in de zin van artikel 27 van de Rwc was toegekend aan het bepaalde dat de bouw- en gebruiksrechten komen te vervallen voor het gedeelte van het doorsneden bouwblok binnen het zwaarste regime. Zij hebben echter niet onderkend dat, anders dan in het beleid dat voor doorsneden bouwblokken was geformuleerd in de reconstructieplannen, de voornoemde clausule ten gevolge van de herziening ook niet langer als beleid is opgenomen en dat in zoverre derhalve sprake is van een wijziging van het beleid. De herziening van alle voornoemde bouwblokken is ook in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.39. Het perceel Markweg ong. te Alphen-Chaam (BA-016) is gelegen in de rand van een zone verwevingsgebied, grenzend aan extensiveringsgebied - natuur. Volgens de BMF en anderen is in de herziening ten onrechte slechts rekening gehouden met de vormverandering van het bouwblok door uitsluitend het deel van de gronden ten noorden van het oude bouwblok, dat thans bij het bouwblok behoort, als verwevingsgebied in plaats van als extensiveringsgebied te zoneren. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten, gelet op de ligging van het perceel, niet uitsluitend op basis van de aard van de correctieve herziening kunnen voorbijgaan aan herziening van de zonering van het oostelijke deel van het perceel, dat thans geen onderdeel van het bouwblok meer uitmaakt en derhalve niet was doorsneden. Ook op dit punt is de herziening vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.39.1. Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre gegrond. De herziening dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op dit onderdeel te worden vernietigd.

2.40. De bouwblokken behorende bij de percelen Donschotseweg 1/13/14 te Deurne (PE-014a) en Keulsebaan 15/15a te Deurne (PE-015a) betreffen zogenoemde gekoppelde bouwblokken, die in de geldende bestemmingsplannen wat betreft de planologische mogelijkheden worden beschouwd als één bouwblok. Gelet hierop dienen gekoppelde bouwblokken waaraan verschillende zoneringen waren toegekend, te worden aangemerkt als doorsneden bouwblokken ten aanzien waarvan de Afdeling in de uitspraken over de beroepen tegen de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplanen, nrs. 200506288/1, 200506283/1, 200506839/1, 200506285/1, 200506843/1, 200506286/1 en 200506292/1, heeft overwogen dat door bouwblokken te voorzien van twee zoneringsaanduidingen, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld. Zoals de BMF en anderen hebben betoogd, brengt dit echter niet met zich dat aan gekoppelde bouwblokken die niet door een harde grens worden doorsneden, zonder meer het relatief lichtste regime moet worden toegekend. Ook ten aanzien van deze bouwblokken hadden provinciale staten afzonderlijk de relevante feiten en belangen moeten vergaren en afwegen, zoals in dit geval de ligging nabij de zone van 220 meter rondom een A-gebied. Nu dit is nagelaten, is de herziening ook in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.40.1. Het beroep van de BMF en anderen is ook op deze punten gegrond. De herziening dient wat betreft de bouwblokken van de percelen Donschotseweg 1/13/14 te Deurne (PE-014a) en Keulsebaan 15/15a te Deurne (PE-015a) wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.41. De bouwblokken voor de percelen Langstraat 73 te Deurne (PE-018) en Zandschelweg 3 te Deurne (PE-027) zijn doorsneden door de harde grens van 1000 meter rondom Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en Natuurbeschermingswetgebieden. In reactie op de beroepsgrond van de BMF en anderen dat geen sprake is van een ondergeschikt deel van het bouwblok in het relatief zwaarste regime, hebben provinciale staten ter zitting naar voren gebracht dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een ondergeschikt gedeelte, is beoordeeld of ter plaatse een oppervlakte van ongeveer 30 bij 70 meter beschikbaar is, die volgens provinciale staten ten minste nodig is voor de bouw van een moderne stal met bijbehorende voorzieningen. Dit criterium is echter niet aan het vaststellingsbesluit ten grondslag gelegd, zodat de herziening ook in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de BMF en anderen is ook in zoverre gegrond, zodat de herziening wat betreft de bouwblokken voor de percelen Langstraat 73 te Deurne (PE-018) en Zandschelweg 3 te Deurne (PE-027) wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het besluit tot goedkeuring op deze onderdelen te worden vernietigd.

2.42. De BMF en anderen hebben ten aanzien van het bouwblok voor het perceel Voordijk 31 te Mill en Sint Hubert (PM-039) aangevoerd dat het agrarisch bedrijf ter plaatse ten tijde van de vaststelling van de correctieve herziening was gestopt, zodat het bouwblok volgens hen ten onrechte als verwevingsgebied is gezoneerd. Zij hebben echter eveneens erkend dat in het vigerende bestemmingsplan een agrarisch bouwblok is opgenomen dat (omschakeling naar) intensieve veehouderij toelaat. Gelet hierop hebben provinciale staten dit bouwblok op goede gronden in de herziening betrokken. Het beroep van de BMF en anderen is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.43. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 5], de BMF en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 16]en [appellante sub 2] dienen provinciale staten, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 4], [appellanten sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], De Malpie, [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 21], [appellanten sub 6], [appellant sub 11], [appellant sub 9], [appellante sub 10] en [appellante sub 20] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 12], [appellant sub 13], [appellanten sub 14], de stichting Stichting Belangenplatform de Malpie e.o., [appellanten sub 17], [appellant sub 18], en [appellanten sub 21] geheel, en het beroep van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen, voor zover dit ziet op de zonering van de gronden aan de Achterdijk 110 te Sint Hubert, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 5] en [appellant sub 16] geheel, en de beroepen van [appellant sub 7] en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 27 juni 2008, kenmerk 33/08B, tot vaststelling van de correctieve herziening van de reconstructieplannen De Baronie, Beerze-Reusel, Boven-Dommel, De Meierij, Maas en Meierij, De Peel en Peel en Maas, voor zover:

a. de gronden in het gebied Druisdijk binnen 500 meter van voor verzuring gevoelige natuur als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (BA-V (1));

b. de gronden aan de noordzijde en de oostzijde van het noordelijke deel van het landbouwontwikkelingsgebied Alphen Oost binnen 500 meter van natuur als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (BA-V (2) en (3));

c. de gronden in het gebied ten westen van De Hultense Leij binnen 250 meter van voor verzuring gevoelige natuur (B-gebied) als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (BR-I);

d. de gronden in een zone van 250 meter rond Eurocamping Vessem als verwevingsgebied zijn aangemerkt (BR-V);

e. het gebied 't Woud als landbouwontwikkelingsgebied is aangemerkt (MM-IV);

f. alleen de gronden ter plaatse van het bouwblok aan Nergena 36 te Boxtel als verwevingsgebied zijn aangemerkt (ME-I);

g. de gronden tegenover de Brouwerskampweg 8 als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (ME-II);

h. de gronden ten westen van de kern Someren binnen 500 meter van het recreatiebedrijf van [appellant sub 7] aan de Smulderslaan 23 als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (PE-III);

i. de gronden ten westen van de kern Someren-Heide binnen 500 meter van de kern Someren-Heide en binnen 500 meter van de sportvelden als landbouwontwikkelingsgebied zijn aangemerkt (PE-III);

j. het landbouwontwikkelingsgebied ten westen van de kern Someren-Heide overlapt met het grondwaterbeschermingsgebied (PE-III);

k. alleen de gronden ter plaatse van het bouwblok aan de Straatkantseweg 30 te Haps, gemeente Cuijk, als verwevingsgebied zijn aangemerkt (PM-II);

l. het bouwblok van het perceel Oosterheidestraat 6 te Uden (PM-059) is aangeduid als extensiveringsgebied;

m. de zonering van de bouwblokken van de navolgende percelen is herzien:

Bruggenseweg 13 te Deurne (PE-014)

Nieuwedijk 1A te Nuenen (PE-039)

Oosterwijksestraat 24 te Alphen-Chaam (BA-017)

De Uitgang 18 te Bladel (BR-003)

Keijenhurkseweg 2/4 te Eersel (BR-011)

Lieringsedijk 20 te Best (ME-003)

Sloef 11 te Sint-Oedenrode (ME-038)

Vlosbergseweg 14a te Asten (PE-007)

Olen 20 te Nuenen (PE-040)

Abcovensedijk 8 te Goirle (BR-016)

Vijfhuizenbaan 42 te Goirle (BR-022)

Vijfhuizenbaan 46 te Goirle (BR-023)

Driehuizen 1 te Hilvarenbeek (BR-032)

Hoog Munsel 9 te Boxtel (ME-009)

Ruiting 5 te Haaren (ME-016)

Laag Heukelomseweg 11 te Oisterwijk (ME-029)

Liempdseweg 14 te Sint-Oedenrode (ME-035)

Schoor 8 te Sint-Oedenrode (ME-036)

Sloef 7 te Sint-Oedenrode (ME-037)

Vresselseweg 40a te Sint-Oedenrode (ME-040)

Papenvoortsedijk 1b te Boxmeer (PM-019)

De Bengels 2/4 te Cuijk (PM-027)

Van Ophovenlaan 66 te Mill en Sint Hubert (PM-038)

Strijbeekseweg 53 te Alphen-Chaam (BA-021)

Overaseweg 186 te Breda (BA-025)

Akkerweg 8 te Goirle (BR-016a)

Huijgevoort 3 te Middelbeers (BR-080)

Langegracht 6 te Middelbeers (BR-083)

Keersopperdreef 1 te Bergeijk (BD-014)

Lommelsedijk 15 te Bergeijk (BD-016)

Lommelsedijk 25 te Bergeijk (BD-018)

Achterste Brug 39 te Valkenswaard (BD-028)

Heikantstraat 25 te Waalre (BD-034)

Onze Lieve Vrouwedijk 78/80 te Waalre (BD-035)

Lieringsedijk 20 te Best (ME-003)

De Kuilen 4a te Son en Breugel (ME-041)

Loonsehoek 2 te Tilburg (ME-049)

Ericaweg 3 te Asten (PE-003)

Biesdeel 20 te Deurne (PE-012)

Waterstraat 2/2a te Deurne (PE-025b)

Gezandebaan 5 te Someren (PE-043a)

Otterdijk 3 te Someren (PE-047)

Markweg ong. te Alphen-Chaam (BA-016)

Donschotseweg 1/13/14 te Deurne (PE-014a)

Keulsebaan 15/15a te Deurne (PE-015a)

Langstraat 73 te Deurne (PE-018)

Zandschelweg 3 te Deurne (PE-027);

IV. vernietigt het besluit tot goedkeuring van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 augustus 2008, kenmerk DRZZ.2008/2923, voor zover dat betrekking heeft op de onder III. genoemde planonderdelen;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 6], [appellante sub 10], [appellante sub 11], [appellant sub 9], [appellant sub 19] en [appellant sub 20] geheel, en de beroepen van [appellant sub 7] en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt provinciale staten van Noord-Brabant, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk in de door onderstaande appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten. Deze bedragen dienen door provinciale staten van Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan:

a. [appellante sub 2]: een bedrag van € 685,79 (zegge: zeshonderdvijfentachtig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 3]: een bedrag van € 678,19 (zegge: zeshonderdachtenzeventig euro en negentien cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellanten sub 5]: een bedrag van € 677,59 (zegge: zeshonderdzevenenzeventig euro en negenenvijftig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

d. [appellant sub 7]: een bedrag van € 67,43 (zegge: zevenenzestig euro en drieënveertig cent);

e. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen: een bedrag van € 2928,69 (zegge: tweeduizend negenhonderdachtentwintig euro en negenenzestig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

f. [appellant sub 16]: een bedrag van € 213,35 (zegge: tweehonderddertien euro en vijfendertig cent);

VII. gelast dat provinciale staten van Noord-Brabant, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoeden. Deze bedragen dienen door provinciale staten van Noord-Brabant te worden betaald:

a. voor [appellante sub 2] en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, elk een bedrag van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro);

b. voor [appellant sub 3], [appellanten sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 16], ieder afzonderlijk, een bedrag van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

516-361-545-466.