Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200906057/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift A.16 van de op 8 december 2004 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) verleende vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en be- en verwerken van autowrakken, gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland, gewijzigd. Dit besluit is op 1 juli 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906057/1/M1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift A.16 van de op 8 december 2004 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) verleende vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en be- en verwerken van autowrakken, gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland, gewijzigd. Dit besluit is op 1 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 18 januari 2010 ter zitting gevoegd behandeld met de zaken 200903239/1/M1, 200903240/1/M1 en 200904807/1/M1, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C] in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, M.B.J. Janssen en A. Sulter, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Heinhuis Recycling, vertegenwoordigd door J. Granneman, J. Oostdijk en W. Berghorst, als partij gehoord.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep voor zover ingesteld door [appellant B] en [appellant C] niet-ontvankelijk is, aangezien zij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Uit de stukken blijkt dat [appellant A] mondeling zienswijzen naar voren heeft gebracht tijdens een telefoongesprek met een ambtenaar van de gemeente. [appellant B] en [appellant C] hebben niet aannemelijk gemaakt dat [appellant A] zijn mondelinge zienswijzen ook namens hen heeft ingebracht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant B] en [appellant C] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voor zover dat is ingesteld door [appellant B] en [appellant C], niet-ontvankelijk is. In het vervolg van deze uitspraak wordt met [appellant] bedoeld [appellant A].

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college op verzoek van Heinhuis Recycling in voorschrift A.16 van de vergunning van 8 december 2004 de frequentie van de verplichting tot het doen van grondwatermonitoringsonderzoek gewijzigd van jaarlijks naar eenmalig. In het nieuwe voorschrift A.16 is, voor zover van belang, bepaald dat in de inrichting ter vaststelling van de effectiviteit van bodembeschermende voorzieningen en de invloed van de inrichting op de kwaliteit van de bodem (grond- en grondwater), voor 1 december 2010 een grondwatermonitoringsonderzoek moet worden uitgevoerd. De resultaten van de monitoring dienen binnen zes weken na uitvoering van het onderzoek aan het college te worden toegezonden.

2.3. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen, of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de vergunning verbinden.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8.24 zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.17 van de Wet milieubeheer overeenkomstig van toepassing.

Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellant A] betoogt dat ten onrechte de in het verleden opgestelde grondwatermonitoringsrapportages niet tijdig en volledig met het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen.

2.4.1. Het college heeft in zijn verweerschrift en ter zitting erkend dat deze rapportages ten onrechte niet bij het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd, maar heeft gesteld dat het verzoek van Heinhuis Recycling wel ter inzage heeft gelegen en dat daarbij tevens is vermeld dat overige informatie desgevraagd ter inzage zou worden verstrekt. Volgens het college is [appellant A] niet in zijn belangen geschaad, nu de desbetreffende rapportages wel bij het definitieve besluit ter inzage hebben gelegen.

2.4.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.4.3. Het verzoek van Heinhuis Recycling bestaat uit niet meer dan de volgende zin "naar aanleiding van uw schrijven d.d. 22 september 2008, willen wij graag een verzoek indienen om de bemonsteringsfrequentie van de peilbuizen in onze vergunning te verlagen naar eenmaal in de vijf jaar". Gelet op deze beperkte informatie van het verzoek en de erkenning van het college dat geen andere stukken ter inzage hebben gelegen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:11 van de Awb tot stand gekomen. Hieraan doet niet af dat bij de ter inzage was vermeld dat overige informatie desgevraagd ter inzage werd verstrekt, nu het eerste lid van genoemd artikel 3:11 van de Awb aan het bestuursorgaan de verplichting oplegt om uit zichzelf de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling ter inzage te leggen.

2.4.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 15 juni 2009 komt voor vernietiging in aanmerking. Nu de betrokken rapportages na het bestreden besluit ter inzage hebben gelegen en [appellant A] deze bij zijn beroep heeft kunnen betrekken, ziet de Afdeling aanleiding te onderzoeken of er grond bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

2.5. [appellant A] betoogt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte de frequentie van de grondwatermonitoringsrapportages heeft beperkt. Volgens hem blijkt uit de eerdere grondwaterrapportages dat er wel degelijk verontreinigingen hebben plaatsgevonden. Bovendien vinden door veranderingen van de indeling van het terrein de bodembedreigende activiteiten, zoals het knippen van metaal, niet langer plaats op een vloeistofdichte vloer waardoor grotere verontreinigingen in de toekomst zijn te verwachten, aldus [appellant A].

2.5.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de reeds uitgevoerde grondwaterrapportages geen aanleiding geven voor de vrees dat er verontreinigingen plaatsvinden. Deze positieve resultaten zijn volgens het college ook bij andere autodemontagebedrijven in Gelderland gesignaleerd, waardoor het college een ander inzicht heeft gekregen ten aanzien van de noodzakelijke frequentie van monitoring van grondwater bij autodemontagebedrijven. Mede gelet op de vloeistofdichte vloeren die zijn voorgeschreven en de omstandigheid dat de looptijd van de vergunning tot 8 december 2014 is beperkt, is het college van mening dat ermee volstaan kan worden dat nog één maal een grondwatermonitoringsrapportage wordt gemaakt en wel voor 1 december 2010.

2.5.2. Uit de conclusies in de grondwaterrapportages blijkt dat alleen lichte verontreinigingen zijn geconstateerd. In de grondwaterrapportage van Rouwmaat Groep van 25 augustus 2008 is vermeld dat geen van de gemeten waarden duidelijk afwijkt van de waarde welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. In hetgeen [appellant A] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusies in de grondwaterrapportages onjuist zijn.

Voorts is bij de vergunning van 8 december 2004 wat betreft het buiten knippen van ferro-metalen slechts toegestaan dat dit op een vloeistofdichte vloer plaatsvindt, nu de aanvraag van destijds daartoe strekt en deze van die vergunning deel uitmaakt. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gewijzigde voorschrift afdoende bescherming biedt tegen verontreinigingen van de bodem.

2.5.3. Ten aanzien van de stelling van [appellant A] dat feitelijk niet alle bodembedreigende activiteiten op een vloeistofdichte vloer plaatsvinden, merkt de Afdeling op dat dit een kwestie van handhaving is die niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan worden betrokken.

2.6. [appellant A] betoogt dat in de overwegingen van het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat de vergunde situatie betrekking heeft op de vergunning van 8 december 2004, de wijzigingsvergunningen van 2 maart 2009 en 13 mei 2009. Volgens hem zijn er in het verleden meer wijzigingsvergunningen verleend en meldingen geaccepteerd dan in de overwegingen van het bestreden besluit is vermeld.

2.6.1. Het bestreden besluit ziet op wijziging van alleen voorschrift A.16. Gelet daarop was het niet nodig in de overwegingen bij het bestreden besluit een volledig overzicht van de eerdere besluiten te vermelden. De overwegingen van het bestreden besluit geven voldoende inzicht in de achtergronden van het geval en de beweegredenen van het college om het besluit te nemen.

2.7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het besluit van 15 juni 2009 komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen [appellant A] voor het overige heeft aangevoerd, zal de Afdeling evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant A] te worden veroordeeld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat er geen termen aanwezig zijn de geclaimde reiskosten op basis van een kilometervergoeding toe te kennen aangezien niet is gebleken dat [appellant A] onvoldoende mogelijkheid heeft gehad om met het openbaar vervoer te reizen. De reiskosten worden gesteld op € 44,05. Tevens is in aanmerking genomen dat de door [appellant C] opgegeven verletkosten niet zijn onderbouwd, zodat deze moeten worden gesteld op (6 uur x € 4,54 =) € 27,24.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door [appellant B] en [appellant C];

II. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellant A] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 15 juni 2009, kenmerk 2008-017112/MPM15604;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III. bedoelde besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 715,29 (zegge: zevenhonderdvijftien euro en negenentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant A] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

195-590.