Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200904807/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor onder meer het opslaan en be- en verwerken van autowrakken, gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland. Dit besluit is op 3 juni 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904807/1/M1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor onder meer het opslaan en be- en verwerken van autowrakken, gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland. Dit besluit is op 3 juni 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellanten]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 18 januari 2010 ter zitting gevoegd behandeld met de zaken 200903239/1/M1, 200903240/1/M1 en 200906057/1/M1, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, M.B.J. Janssen en A. Sulter, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Heinhuis Recycling, vertegenwoordigd door J. Granneman, J. Oostdijk en W. Berghorst, als partij gehoord.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een veranderingsvergunning verleend en zijn voorschriften van de onderliggende vergunning met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer gewijzigd met ingang van het moment dat de geluidswallen binnen en buiten de inrichting overeenkomstig de plattegrondtekening behorende bij de aanvraag tot stand zijn gebracht. De aangevraagde verandering heeft betrekking op vervangen van een deel van de puinverharding van terrein 1 door een verharding van stelconplaten, verhogen van de rondom het terrein aanwezige betonblokken en wijzigen van de ligging van het maaiveld van terrein 1 tot een hoogte van 1 tot 1,5 meter hoger dan het maaiveld van terrein 2.

2.2. Ter zitting hebben [appellanten] hun beroepsgrond met betrekking tot visuele hinder ingetrokken.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellanten] betogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit niet alle wijzigingen van de vergunning en geaccepteerde meldingen zijn opgenomen.

2.4.1. De overwegingen in het bestreden besluit dienen ter motivering van het besluit, maar roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Deze overwegingen zijn als zodanig niet voor beroep vatbaar.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] betogen dat de inrichting niet valt onder het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba), zodat het college volgens hen ten onrechte de voorschriften uit het Bba aan de vergunning heeft verbonden. Verder voeren zij aan dat het gebruik van een shredderinstallatie in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat het bestreden besluit niet ziet op voorschriften met betrekking tot het Bba en de shredderinstallatie, maar strekt tot wijziging van de geluidvoorschriften. Deze beroepsgronden richten zich derhalve niet tegen het bestreden besluit. Reeds hierom kunnen deze beroepsgronden niet slagen. Voorts wijst de Afdeling erop dat het college bij besluit van 2 maart 2009 de voorschriften uit het Bba aan de vergunning heeft verbonden. Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld. Bij uitspraak van heden, in zaak nr. 200903239/1/M1 heeft de Afdeling op dit beroep beslist.

2.6. [appellanten] betogen dat door eerdere meldingen en veranderingsverzoeken niet meer inzichtelijk is wat is vergund en welke voorschriften van toepassing zijn, zodat het college had moeten verlangen dat Heinhuis Recycling een aanvraag om een revisievergunning zou indienen.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat deze bevoegdheid terughoudend dient te worden gebruikt, bijvoorbeeld ingeval het vergunningenbestand zo onoverzichtelijk is dat dit tot problemen bij de handhaving kan leiden. Dit is volgens het college in deze zaak niet het geval.

2.6.2. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, het college beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een aanvraag om een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd.

2.6.3. De aangevraagde wijzigingen hebben invloed op het geluid afkomstig van de inrichting. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, levert geen aanknopingspunt op voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de andere voorschriften die aan de oprichtingsvergunning van 8 december 2004 zijn verbonden geen aanpassing behoeven. Verder is niet gebleken dat de inrichting zodanig ingrijpend wordt veranderd dat om die reden een aanvraag om een revisievergunning had moeten worden verlangd.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten] vrezen geluidhinder. In verband daarmee voeren zij aan dat het college ten onrechte ervan uit is gegaan dat buiten de grenzen van de inrichting een geluidswal geplaatst kan worden. Volgens [appellanten] is de aanleg van een geluidswal in strijd met het bestemmingsplan. Ter zitting hebben zij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009, in zaak nr. 200807763/1/R2 waaruit volgens hen blijkt dat de geluidswal buiten de grenzen van de inrichting feitelijk niet gerealiseerd kan worden.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat de uitbreiding van de beroepsgrond met betrekking tot de geluidswal buiten de grenzen van de inrichting in strijd met de goede procesorde pas ter zitting naar voren is gebracht. Voorts stelt het college dat de geluidswal buiten de grenzen van de inrichting buiten de toets aan het bestemmingsplan in het kader van de vergunningverlening valt.

2.7.2. Ten aanzien van hetgeen het college stelt omtrent strijd met de goede procesorde overweegt de Afdeling dat in punt 7 van het beroepschrift [appellanten] reeds hebben betoogd dat een geluidswal buiten de inrichting naar hun mening niet gerealiseerd kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond is derhalve niet in strijd met de goede procesorde.

Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling echter terecht op het standpunt gesteld dat de geluidswal buiten de grenzen van de inrichting buiten de toets aan het bestemmingsplan in het kader van de vergunningverlening valt.

2.7.3. Het college heeft ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder de voorschriften 1.1 tot en met 1.3 en 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden besluit aan de vergunning verbonden.

Volgens het dictum van het bestreden besluit gaan op het moment dat de geluidswallen zijn gerealiseerd de geluidvoorschriften 2.1 tot en met 2.11 gelden en gelden alsdan de geluidvoorschriften D.1 tot en met D.3 van de vergunning van 8 december 2004 niet langer.

In voorschrift 1.3 van het bestreden besluit is bepaald dat de gevraagde veranderingen van de inrichting niet eerder mogen worden verwezenlijkt dan nadat de geluidswallen binnen en buiten de inrichting overeenkomstig de plattegrondtekening behorend bij de aanvraag (bijlage 2) tot stand zijn gebracht.

2.7.4. In voorschrift 2.2 behorend bij het bestreden besluit is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op de volgende beoordelingspunten (woningen) niet meer mag bedragen dan:

Hupselsedwarsweg 2b: 42 dB(A), 40 dB(A) en 28 dB(A)

Hupselsedwarsweg 1a: 43 dB(A), 38 dB(A) en 26 dB(A)

Groenloseweg 33: 40 dB(A), 38 dB(A) en 24 dB(A)

Groenloseweg 31: 44 dB(A), 41 dB(A) en 25 dB(A)

Groenloseweg 29: 48 dB(A). 42 dB(A) en 26 dB(A)

Kiefte 8: 45 dB(A), 41 dB(A) en 24 dB(A)

Venneslatweg 17a: 43 dB(A), 38 dB(A) en 23 dB(A)

Venneslatweg 18: 41 dB(A), 36 dB(A) en 22 dB(A)

Wesselsdijk: 38 dB(A), 34 dB(A) en 13 dB(A).

2.7.5. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te ondervinden geluidbelasting de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden genomen bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving beveelt de Handreiking richtwaarden aan van 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

2.7.6. Op pagina 12 van de overwegingen van het bestreden besluit is vermeld dat het college per woning het referentieniveau van het omgevingsgeluid heeft bepaald. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van deze gemeten referentieniveaus mocht uitgaan. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt verder dat het college het op grond van een bestuurlijke afweging aanvaardbaar acht dat op een aantal locaties de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau hoger zijn dan de richtwaarden die in de Handreiking worden aanbevolen voor een landelijke omgeving, maar dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet wordt overschreden. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de mogelijk te treffen maatregelen om de van de inrichting te duchten geluidhinder terug te brengen, reeds in de aan de vergunning verbonden voorschriften zijn voorgeschreven en dat geen verdergaande maatregelen kunnen worden vereist.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 2.2 toereikend is om onaanvaardbare geluidhinder vanwege de inrichting wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te voorkomen.

2.7.7. In voorschrift 2.3 behorend bij het bestreden besluit is bepaald dat het maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand "fast", gedurende de dagperiode voor respectievelijk de activiteiten belading containers, schroothandling, heftrucks en vrachtwagens en wisselende containers op de volgende beoordelingspunten (woningen) niet meer mag bedragen dan:

Hupselsedwarsweg 2b: 62 dB(A), 58 dB(A), 49 dB(A) en 45 dB(A)

Hupselsedwarsweg 1a: 62 dB(A), 58 dB(A), 57 dB(A) en 47 dB(A)

Groenloseweg 33: 62 dB(A), 55 dB(A), 51 dB(A) en 42 dB(A)

Groenloseweg 31: 66 dB(A), 59 dB(A), 47 dB(A) en 43 dB(A)

Groenloseweg 29: 69 dB(A). 63 dB(A), 51 dB(A) en 46 dB(A)

Kiefte 8: 68 dB(A), 63 dB(A), 52 dB(A) en 44 dB(A)

Venneslatweg 17a: 67 dB(A), 60 dB(A), 48 dB(A) en 44 dB(A)

Venneslatweg 18: 65 dB(A), 58 dB(A), 46 dB(A) en 41 dB(A)

Wesselsdijk: 63 dB(A), 57 dB(A), 46 dB(A) en 41 dB(A).

In voorschrift 2.3a behorend bij het bestreden besluit is bepaald dat maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand "fast", gedurende de avond- en nachtperiode voor respectievelijk de activiteiten schroothandling, heftrucks en vrachtwagens en wisselende containers op de volgende beoordelingspunten (woningen) niet meer mag bedragen dan:

Hupselsedwarsweg 2b: 60 dB(A), 55 dB(A) en 47 dB(A)

Hupselsedwarsweg 1a: 58 dB(A), 57 dB(A) en 47 dB(A)

Groenloseweg 33: 56 dB(A), 52 dB(A) en 47 dB(A)

Groenloseweg 31: 61 dB(A), 48 dB(A) en 45 dB(A)

Groenloseweg 29: 63 dB(A). 51 dB(A) en 46 dB(A)

Kiefte 8: 64 dB(A), 53 dB(A) en 45 dB(A)

Venneslatweg 17a: 60 dB(A), 48 dB(A) en 44 dB(A)

Venneslatweg 18: 59 dB(A), 47 dB(A) en 42 dB(A)

Wesselsdijk: 58 dB(A), 47 dB(A) en 42 dB(A

2.7.8. Het college heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de voor de inrichting geldende maximale geluidgrenswaarden aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2 van de Handreiking. De in de voorschriften 2.3 en 2.3a gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de in de paragraaf 3.2 van de Handreiking genoemde maximale waarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.7.9. Uit de in het dossier gevoegde akoestische rapporten blijkt dat aan de in voorschrift 2.2, 2.3 en 2.3a vastgestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan als de geluidswallen zijn gerealiseerd. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

2.7.10. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege de inrichting niet behoeft te worden gevreesd.

De beroepsgronden falen.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

195-590.