Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5395

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200905909/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de strijdige bedrijfsactiviteiten van [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905909/1/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 10 juli 2009 in zaak nr. 08/982 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de strijdige bedrijfsactiviteiten van [partij] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2008 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 september 2009.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door J.A. de Bus, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [verzoeker], in persoon, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" met de nadere aanduiding "detailhandel (d)". Niet in geschil is dat het gebruik van de berging op het perceel ten behoeve van een timmerbedrijf in strijd is met deze bestemming. Het college is derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in zijn besluit van 14 juli 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval van handhavend optreden is afgezien. Het voert aan dat sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst. Voorts voert het aan dat geen belangen van derden worden geschonden. Handhavend optreden zou in dit geval onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, aldus het college.

2.3.1. Aan het besluit van 14 juli 2008 ligt ten grondslag dat de berging op het perceel niet voortdurend wordt gebruikt als werkplaats ten behoeve van het timmerbedrijf, dan wel dat ter plaatse geen producten worden vervaardigd. Het gebruik van de berging heeft bovendien geen wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling dan het gebruik als berging bij een woning. Tot slot is volgens het college geen sprake van overlast voor de omgeving.

2.3.2. Ter zitting heeft [verzoeker] erkend dat bij hem niet zozeer bezwaren bestaan tegen het gebruik van de berging op het perceel ten behoeve van een timmerbedrijf, doch dat zijn belangrijkste bezwaar is dat [partij] met het parkeren van zijn bedrijfsauto inbreuk maakt op zijn recht van overpad op de gezamenlijke oprit. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat af en toe materialen ten behoeve van het timmerbedrijf door leveranciers op het perceel worden afgeleverd en in de berging worden opgeslagen. De frequentie daarvan is lager dan die van de levering van de voorheen daar gevestigde bakkerij, waarvan de aanwezigheid in overeenstemming was met het bestemmingsplan. De eigenlijke werkzaamheden van het timmerbedrijf worden op locatie uitgevoerd. Nu het perceel niet intensief wordt bevoorraad, moet worden vastgesteld dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst. Verder heeft de rechtbank, in aanmerking genomen dat de door [verzoeker] ondervonden overlast geen direct verband houdt met het gebruik in strijd met het bestemmingsplan maar evenzeer zou kunnen worden ondervonden bij een gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan, ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht dat hij door het uitblijven van handhavend optreden in zijn belangen wordt geschaad. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college in zijn besluit van 14 juli 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval van handhavend optreden is afgezien.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 juli 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 10 juli 2009 in zaak nr. 08/982;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

17-593.