Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200905775/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd appellant (hierna: [appellant]) vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een gebouw tegen een schuur bij een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905775/1/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juli 2009 in zaak nr. 08/2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd appellant (hierna: [appellant]) vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een gebouw tegen een schuur bij een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op 13 juli 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2010, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Sloote, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Meern Oost" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Eengezinshuizen in gesloten bebouwing, twee bouwlagen, met bijbehorende erven".

Het bouwplan is, naar niet in geschil is, in strijd met het bestemmingsplan.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren, nu de beoogde aanbouw geen zichthinder veroorzaakt. Voorts heeft zij miskend dat het met de weigering het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Daartoe wijst hij op de situaties op de percelen aan de [vijf locaties].

2.2.1. Het college heeft aan de weigering om vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet in het voorontwerp van het bestemmingsplan "De Meern Zuid" (hierna: het voorontwerp) past en het terrein, waar de aanbouw is voorzien, zo vrij mogelijk dient te blijven van bebouwing om het open karakter daarvan te behouden. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat realisering van het bouwplan geen zichthinder ten gevolge heeft faalt, reeds omdat het college aan het besluit van 11 juni 2008 geen zichthinder ten grondslag heeft gelegd.

Over het door [appellant] gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel wordt overwogen dat het college weliswaar vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een bijgebouw op het perceel [locatie A], maar dat bouwplan niet in strijd was met het voorontwerp en daarbij geen sprake was van aaneengesloten bebouwing van het erf, zodat het open karakter van het terrein daardoor niet werd aangetast. Voorts heeft het college ten aanzien van de door [appellant] aangevoerde situaties op de percelen [overige vier locaties] gemotiveerd bestreden dat het vrijstelling van het in artikel 4, lid A, onder 5, van de planvoorschriften neergelegde maximum aan de gezamenlijk oppervlakte van aan- en bijgebouwen heeft verleend. Nu [appellant] dat niet, althans niet gemotiveerd heeft bestreden, faalt ook dat betoog.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

270-543.