Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200904917/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2005 heeft de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) aan [appellant] € 17.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904917/1/H2.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Belfeld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 mei 2009 in zaak nr. 08/1829 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2005 heeft de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) aan [appellant] € 17.500,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 24 september 2008 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. I.L. van Geel, advocaat te Deurne, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.M.L. Sweelssen-van Buggenum, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die gold ten tijde van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant], eigenaar van het perceel met vrijstaande woning aan de [locatie] te Belfeld (hierna: het perceel), heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van zijn perceel ten gevolge van het bestemmingsplan "Kern Belfeld". Dit plan, in werking getreden op 9 november 2001, maakt onder meer de oprichting mogelijk van een schoolcomplex aan de zuidzijde van de Prins Frederikstraat en kent aan de gronden van het perceel van [appellant] de bestemming "Woondoeleinden in open bebouwing WI" toe en voorziet in de mogelijkheid om naast zijn woning één extra woning op het perceel te realiseren.

2.2.1. Voorheen gold voor het perceel van [appellant] het bestemmingsplan "Van Cleef", dat daaraan de bestemmingen "Woondoeleinden IV", "Tuin, bijgebouwen toegestaan", "Tuin, bijgebouwen niet toegestaan" en "Verkeer- en groenvoorzieningen" en Woondoeleinden I" toekende. Dit plan voorzag in de mogelijkheid om naast de bestaande woning zeven extra woningen op het perceel te realiseren.

2.2.2. Bij uitspraak van 17 oktober 2006, zaak nr. 06/779 WET K1, heeft de rechtbank overwogen dat de raad zich bij een eerder besluit op bezwaar van 28 september 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] door de planologische wijzingen op de gronden aan de zuidzijde van de Prins Frederikstraat in een nadeliger situatie is komen te verkeren en dat de planschade dientengevolge € 17.500,00 bedraagt. De rechtbank heeft het besluit evenwel vernietigd voor zover de raad, met verwijzing naar een rapport van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van mei 2005, zich zonder nadere cijfermatige toelichting op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] door de planologische wijzigingen op zijn eigen perceel per saldo niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.2.3. De raad heeft het verzoek hierop ter nadere advisering aan de SAOZ voorgelegd, die in mei 2007 een nader advies heeft uitgebracht. De SAOZ heeft het standpunt gehandhaafd dat [appellant] door de planologische wijziging op zijn perceel per saldo niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren. De mogelijkheid om onder het oude planologische regime zeven extra woningen op het perceel te bouwen, betekende volgens de SAOZ weliswaar een meerwaarde voor de gronden, maar zou voor de bestaande woning tot een aanmerkelijk lagere waarde leiden in verband met een vermindering van het uitzicht, de privacy en de situeringwaarde. Voorts stelt de SAOZ dat de situering van de bouwstrook voor één extra woning op het perceel onder het nieuwe planologische regime gunstiger is dan de situering van de bouwstrook voor zeven extra woningen onder het oude planologische regime. De SAOZ heeft verder toegelicht welke berekeningen ten grondslag liggen aan de eerder door haar vastgestelde waarden van het perceel op de peildatum 9 november 2001 vóór de planologische wijzigingen op € 425.000,00 en na die wijzigingen op € 407.500,00.

2.2.4. De raad heeft in het besluit van 24 september 2008, met verwijzing naar de aan hem uitgebrachte adviezen van de SAOZ van mei 2005, mei 2007 en een nader rapport van 4 maart 2008, het standpunt gehandhaafd dat [appellant] door de planologische wijziging op zijn perceel per saldo niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan het besluit van 24 september 2008 ten grondslag liggende rapporten van de SAOZ onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. [appellant] voert aan dat de SAOZ bij de taxatie van zijn perceel op de peildatum vóór de planologische wijzigingen ten onrechte is uitgegaan van een oppervlakte van 510 m² met een waarde van € 7,50 per m². [appellant] stelt, onder verwijzing naar een rapport van Adriaan van den Heuvel makelaars en adviseurs van 29 juli 2009 (hierna: Van den Heuvel), dat bij die taxatie moet worden uitgegaan van een oppervlakte van 220 m² met een waarde van € 7,50 per m². [appellant] heeft ter zitting nog een rapport van Van den Heuvel van 29 januari 2010 overgelegd, waarin een nadere toelichting op de door hem gemaakte taxatie is gegeven.

2.3.1. De SAOZ is in het nader advies van mei 2007 bij de taxatie van het perceel op de peildatum vóór de planologische wijzigingen, voor zover thans van belang, uitgegaan van een oppervlakte van 1.100 m² voor ondergrond en tuin ten behoeve van zeven aaneen gebouwde woningen, met een waarde van € 110,00 per m², en een oppervlakte van 510 m² voor gronden ten behoeve van groenvoorzieningen en verkeer met een waarde van € 7,50 per m².

Van den Heuvel is bij de taxatie van het perceel op de peildatum vóór de planologische wijzigingen, voor zover thans van belang, uitgegaan van een oppervlakte van 1.390 m² voor ondergrond en tuin ten behoeve van zeven aaneen gebouwde woningen, met een waarde van € 110,00 per m², en een oppervlakte van 220 m² voor gronden ten behoeve van groenvoorzieningen en verkeer met een waarde van € 7,50 per m².

2.3.2. Het rapport van Van den Heuvel biedt geen grond voor het oordeel dat het nader advies van de SAOZ van mei 2007 onjuist is. Het rapport van Van den Heuvel gaat er ten onrechte van uit dat onder het oude planologische regime slechts een strook grond van 220 m² ten noordoosten van het bouwblok bestemd was voor verkeer- en groenvoorzieningen. Ten zuidoosten en noordwesten van dat bouwblok lagen echter ook stroken grond met die bestemming. De door Van den Heuvel gemaakte taxatie gaat er kennelijk van uit dat laatstgenoemde stroken grond de bestemming "Tuin, bijgebouwen niet toegestaan" hadden en gaat aldus uit van een onjuiste planvergelijking. Het rapport van Van den Heuvel biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de SAOZ bij de bepaling van de waarde van het perceel op de peildatum vóór de planologische wijziging ten onrechte is uitgegaan van een oppervlakte van 510 m² voor gronden ten behoeve van groenvoorzieningen en verkeer met een waarde van € 7,50 per m².

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

344.