Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5384

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200904899/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 128.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904899/1/V6.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 mei 2009 in zaak nr. 08/3552 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 128.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 29 mei 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 200904901/1/V6, ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar [appellante] vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk en mr. H.A.W. Stiekema, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 20 augustus 2007 in zaak nr. 06/3516 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 26 juli 2006 ingestelde beroep, waarbij de minister beslissend in bezwaar de op grond van artikel 2 van de Wav opgelegde boete heeft gehandhaafd, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister, met inachtneming van die uitspraak, een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar neemt. Bij uitspraak van 28 mei 2008 in zaak nr. 200706917/1 heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd.

Gelet hierop staat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, thans nog ter beoordeling of de minister in de door [appellante] gestelde financiële situatie terecht geen aanleiding heeft gezien om de haar opgelegde boete te matigen.

2.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr. 200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr. 200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr. 200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.

De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenormbedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boetenormbedragen eveneens als uitgangspunt.

2.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2007 overwogen dat [appellante] haar slechte financiële positie voldoende heeft onderbouwd en dat de minister, door het beleid onverkort toe te passen en de bijzondere financiële situatie van [appellante] in het kader van de evenredigheidstoets buiten de besluitvorming te laten, in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld.

De minister heeft zich vervolgens in het besluit van 28 augustus 2008 op het standpunt gesteld dat de financiële situatie van [appellante] niet tot het oordeel noopt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de boete dient te worden gematigd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de financiële draagkracht van een belanghebbende in beginsel geen bijzondere omstandigheid vormt op grond waarvan de boete moet worden gematigd en dat uit het door [appellante] opgestelde stuk blijkt dat zij in elk jaar, behalve in het jaar 2000, winst heeft gemaakt. De minister heeft voorts gewezen op de mogelijkheid tot het treffen van een betalingsregeling.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 mei 2009 ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een dusdanig slechte financiële situatie dat de continuïteit van de onderneming van [appellante] door het betalen van de boete ernstig in gevaar komt. Daartoe stelt [appellante] dat zij haar financiële situatie voldoende heeft onderbouwd en dat de rechtbank dat in haar uitspraak van 20 augustus 2007 ook heeft onderkend. Door zich in het besluit van 28 augustus 2008 op het standpunt te stellen dat de financiële situatie van [appellante] niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt, heeft de minister geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van 20 augustus 2007. De rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellante].

2.4.1. Uit de uitspraak van 20 augustus 2007 volgt dat de minister diende te onderzoeken of [appellante], gegeven de door haar gestelde slechte financiële situatie, onevenredig door de opgelegde boete wordt getroffen. Uit het besluit van 28 augustus 2008, zoals dat hiervoor in 2.3. is weergegeven, volgt dat de minister nader heeft onderzocht of de slechte financiële situatie van [appellante] tot matiging van de opgelegde boete noopte. Anders dan [appellante] stelt, heeft de minister daarmee uitvoering gegeven aan voormelde uitspraak van 20 augustus 2007.

Gezien de financiële gegevens die [appellante] heeft overgelegd en die betrekking hebben op de periode 1999-2003, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet kan worden staande gehouden dat sprake is van een dusdanig slechte financiële positie, dat de continuïteit van de door [appellante] gedreven onderneming door het betalen van de boete ernstig in gevaar komt. Daartoe is redengevend dat [appellante] met die gegevens haar financiële situatie en de gevolgen die het voldoen van de boete met zich brengt niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het voor haar niet mogelijk was om meer financiële stukken over te leggen dan zij heeft gedaan. Uit de gestelde omstandigheid dat [appellante] met de Belastingdienst in gesprek was over haar fiscale verplichtingen en zij daarom geen stukken kon overleggen, wat daarvan ook zij, vloeit niet zonder meer voort dat zij in het geheel geen actuele financiële gegevens aan de minister of de rechtbank kon verstrekken. Dat, zoals [appellante] stelt, de financiële stukken die zij ter staving van haar gestelde financiële situatie over had willen leggen door politie en justitie in het kader van een onderzoek in beslag zijn genomen, leidt niet tot een ander oordeel. Door geen stukken over te leggen op het moment dat zij daarover de beschikking had, heeft [appellante] het risico genomen dat deze niet meer bij de beoordeling van het geding zouden kunnen worden betrokken. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening. Ook de door [appellante] gestelde omstandigheid dat zij wegens haar financiële situatie de rekeningen van haar accountant niet heeft kunnen voldoen en deze daarom geen jaarstukken voor haar heeft opgemaakt, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van [appellante] komen.

2.6. [appellante] betoogt evenzeer tevergeefs dat het oordeel van de rechtbank, dat de verschuldigdheid van de openstaande belastingsaanslagen niet is komen vast te staan, er niet toe mag leiden dat niet kan worden aangenomen dat het voldoen van de opgelegde boete zal leiden tot een ernstig gevaar voor de continuïteit van haar onderneming. Met het door haar ter zitting overgelegde overzicht van openstaande belastingschulden van 2 oktober 2009 heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij de door de minister opgelegde boete niet kan voldoen, althans dat zij daardoor onevenredig wordt getroffen.

2.7. Aan het betoog van [appellante], dat de uitkomst van onderhavige procedure afhankelijk is van de uitkomst van de procedures die aanhangig zijn bij de rechtbank en betrekking hebben op besluiten van de voormalige Centrale organisatie werk en inkomen over de afgifte van tewerkstellingsvergunningen, zal voorbij worden gegaan, omdat dat betoog reeds in voormelde uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2008 is verworpen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

501.