Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200903240/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een verklaring gegeven als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (hierna: verklaring) met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903240/1/M1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V., gevestigd te Eibergen, gemeente Berkelland,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) een verklaring gegeven als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (hierna: verklaring) met betrekking tot een verandering van de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland.

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college het door [bezwaarmakers] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de verklaring als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer alsnog geweigerd voor de onderdelen 'verharding van het buitenterrein', 'dimensies van afschermingen' en 'wijziging van de locatie van de opslag van diverse materialen' en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Heinhuis Recycling bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 18 januari 2010 ter zitting gevoegd behandeld met de zaken 200903239/1/M1, 200904807/1/M1 en 200906057/1/M1, waar Heinhuis Recycling, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, M.B.J. Janssen en A. Sulter, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [bezwaarmakers], in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, als partij gehoord.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 december 2004 heeft het college aan Heinhuis Recycling een vergunning verleend, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan en be- en verwerken van autowrakken. De melding waarvoor bij het besluit van 23 november 2007 een verklaring is gegeven heeft betrekking op verharding van het buitenterrein, dimensies van afschermingen, realisatie van extra vloeistofdichte vloeren, wijziging van de locatie van de opslag van diverse materialen en wijziging van installaties.

2.2. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.3. De Afdeling begrijpt het betoog van Heinhuis Recycling aldus dat zij van mening is dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu in het primaire besluit wel een verklaring was afgegeven.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2.3.2. Voornoemd artikel staat niet in de weg aan het alsnog gedeeltelijk weigeren van een verklaring in het besluit op bezwaar ook al was bij het primaire besluit wel een verklaring afgegeven. De bezwaarschriftenprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 12 maart 2003, in zaak nr. 200204607/1. Het alsnog gedeeltelijk weigeren van de verklaring is niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Heinhuis Recycling betoogt dat het college ten onrechte in het bestreden besluit een verklaring alsnog heeft geweigerd voor zover deze betrekking heeft op de onderdelen 'verharding van het buitenterrein', 'dimensies van afschermingen' en 'wijziging van de locatie van de opslag van diverse materialen'. Volgens haar blijkt uit het bij de melding ingediende akoestisch rapport van Peutz van 26 juli 2007 (hierna: het akoestisch rapport) afdoende dat de gemelde veranderingen niet leiden tot een hogere geluidbelasting op de beoordelingspunten nabij de inrichting.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het akoestisch rapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd, zodat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat de gemelde veranderingen geen grotere nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Daartoe brengt het college naar voren dat het akoestisch rapport uitgaat van meer veranderingen dan zijn gemeld op het meldingsformulier. Daardoor wordt in het akoestisch rapport volgens het college uitgegaan van een andere representatieve bedrijfssituatie dan is vergund. In dit verband stelt het college dat de bronsterkte van de schrootschaar en de hoogte van het maaiveld niet juist in het akoestisch rapport zijn opgenomen.

2.4.2. Uit het meldingsformulier blijkt onder meer dat op het oude terrein, in de stukken en ter zitting aangeduid als terrein 1, in plaats van een puinverharding een verharding bestaande uit stelconplaten zal worden gerealiseerd. Echter op het meldingsformulier is niet vermeld dat tevens de ligging van het maaiveld van terrein 1 circa 1,5 meter is verhoogd. Deze wijziging in maaiveldhoogte van terrein 1 is wel in aanmerking genomen in het akoestisch rapport, zodat het akoestisch rapport naar het oordeel van de Afdeling ziet op een andere representatieve bedrijfssituatie dan waarvan de vergunning van 8 december 2004 uit is gegaan. Uit de melding kan derhalve niet worden afgeleid dat de beoogde verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Reeds hierom, wat er verder ook zij van de bronsterkte van de schrootschaar, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in zoverre terecht geen verklaring afgegeven.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

195-590.