Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200903239/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften verbonden aan de bij besluit van 8 december 2004 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) verleende vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een inrichting gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland. Dit besluit is op 25 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.23
Besluit bijzondere akten van de burgerlijke stand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903239/1/M1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Eibergen, gemeente Berkelland,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften verbonden aan de bij besluit van 8 december 2004 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heinhuis Recycling B.V. (hierna: Heinhuis Recycling) verleende vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een inrichting gelegen aan de Hupselsedwarsweg 2a te Eibergen, gemeente Berkelland. Dit besluit is op 25 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 18 januari 2010 ter zitting gevoegd behandeld met de zaken 200903240/1/M1, 200904807/1/M1 en 200906057/1/M1, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, M.B.J. Janssen en A. Sulter, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Heinhuis Recycling, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een inrichting voor onder meer het opslaan en het be- en verwerken van autowrakken.

2.2. Het college heeft het bestreden besluit genomen naar aanleiding van het Besluit tot wijziging van het Besluit beheer autowrakken (hierna: Bba) van 19 juni 2007 (Stb. 231). Daartoe heeft het college een aantal aan de bij besluit van 8 december 2004 verleende vergunning verbonden voorschriften ingetrokken onderscheidenlijk gewijzigd en een aantal nieuwe voorschriften daaraan verbonden.

2.3. Eerst ter zitting hebben [appellanten] gronden aangevoerd met betrekking tot de wijzigingen in de terreinindeling waarop het besluit volgens hen ziet.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit betoog niet in voldoende mate grondslag vindt in het beroepschrift, zodat het in strijd met de goede procesorde is en buiten beoordeling dient te blijven.

Naar het oordeel van de Afdeling is dit betoog niet in strijd met de goede procesorde, nu zoals [appellanten] ter zitting hebben toegelicht dit betoog grondslag vindt in punt 4 in samenhang gelezen met de punten 7 en 8 van het beroepschrift.

2.3.1. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat het bestreden besluit niet ziet op een wijziging van de terreinindeling. De Afdeling stelt vast dat het besluit hierop inderdaad niet ziet. Het betoog van [appellanten] faalt.

2.4. Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.23, derde lid, zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. [appellanten] betogen dat door twee meldingen als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, een eerdere ambtshalve wijziging en de onderhavige ambtshalve wijziging van de vergunning van 8 december 2004 niet meer inzichtelijk is wat precies is vergund, zodat het college niet tot ambtshalve wijziging had mogen overgaan, maar had moeten verlangen dat Heinhuis Recycling een aanvraag om een revisievergunning zou indienen.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag, indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, of artikel 8.1, tweede lid, in verbinding met artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor de betrokken inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

2.5.2. Nu geen veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, in verbinding met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer is aangevraagd, was het college gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet bevoegd om de indiening van een aanvraag om een zogenoemde revisievergunning te verlangen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] betogen dat het college het besluit ten onrechte niet heeft getoetst aan het bestemmingsplan. In dit verband stellen zij dat het in gebruik hebben van een shredderinstallatie binnen de inrichting volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet ziet op enige verandering waarop het bestemmingsplan betrekking heeft. Ten aanzien van de shredderinstallatie brengt het college naar voren dat deze nooit is vergund, ook niet bij het bestreden besluit.

2.6.2. Bij het bestreden besluit is het in werking zijn van een shredderinstallatie binnen de inrichting niet vergund. Voor zover [appellanten] betogen dat door de voorschriften in onderdeel F van het bestreden besluit de onjuiste indruk ontstaat dat het plaatsen van een shredderinstallatie is vergund, treft dit geen doel. Het opnemen van de voorschriften onder F strekt er uitsluitend toe uitvoering te geven aan het Bba en leidt er niet toe dat het plaatsen van een shredderinstallatie wordt vergund. Gelet daarop en nu in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ook voor het overige geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor de veronderstelling dat het bestreden besluit betrekking heeft op punten die in het bestemmingsplan worden geregeld, mist dit betoog feitelijke grondslag.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten] voeren aan dat het bestreden besluit in strijd is met het saneringsplan dat voor het betrokken terrein geldt, aangezien stelconplaten worden gebruikt bij wijze van vloeistofdichte vloer in plaats van het in het saneringsplan opgenomen ongebroken puin. Verder vrezen zij geluidhinder door de aanwezigheid van stelconplaten en de hogere ligging van het maaiveld. Volgens [appellanten] heeft het college het aspect geluidhinder ten onrechte niet bij deze wijziging van de vergunning betrokken.

2.7.1. Het bestreden besluit noopt niet tot het gebruik van stelconplaten of het verhogen van het maaiveld. Er was voor het college dan ook geen aanleiding om bij de beoordeling van de milieugevolgen van het bestreden besluit met eventueel gebruik van stelconplaten of met eventueel verhogen van het maaiveld rekening te houden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

195-590.