Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200900129/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2008, kenmerk 2008/43532, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel (hierna: de raad) bij besluit van 17 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Drakenrijk".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900129/1/R2.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de parochie R.K. Parochie H. Lambertus, gevestigd te Reuver, gemeente Beesel,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2008, kenmerk 2008/43532, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beesel (hierna: de raad) bij besluit van 17 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Drakenrijk".

Tegen dit besluit heeft de parochie R.K. Parochie H. Lambertus (hierna: de parochie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en de naamloze vennootschap N.V. Niba Beheer (hierna: Niba Beheer) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2010, waar de parochie, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door H.J.W. Engelen, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Niba Beheer, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, en mr. J. Coppus, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan ziet op de ontwikkeling van een natuur- en recreatiepark met een omvang van ongeveer 60 hectare, met inbegrip van een waterplas van 25 hectare, ten zuiden van de kern van Reuver.

2.3. De parochie betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden R" dat betrekking heeft op perceel kadastraal bekend gemeente Beesel, sectie K, nr. 1877, dat gelegen is langs de Klokweg (hierna: het perceel). Hiertoe stelt de parochie dat de absolute noodzaak van de verwerving van het perceel en de winning van grondstoffen op dit perceel voor de ontwikkeling van een natuur- en recreatiepark ontbreekt. In de procedure tot het verlenen van een ontgrondingvergunning heeft het college te kennen gegeven dat zonder het perceel een natuur- en recreatiepark met een kleinere omvang kan worden gerealiseerd, zo voert de parochie aan. Voorts leidt volgens de parochie de voorziene waterplas van 25 hectare en de hiermee gepaard gaande beleving van landschappelijke weidsheid niet tot de komst van meer bezoekers, gelet op de gefaseerde uitvoering van het plan. Het natuur- en recreatiepark zal ook met een kleinere waterplas rendabel geëxploiteerd kunnen worden. Verder stelt de parochie dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het perceel na ontgronding niet kan worden opgevuld met voor de ontgronder onbruikbare specie.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de verwerving van het perceel financieel noodzakelijk is om het natuur- en recreatiepark te realiseren. Voorts is de voorziene waterplas een essentieel onderdeel van de opzet van het natuur- en recreatiepark, zo stelt het college. Uit de gefaseerde uitvoering van het natuur- en recreatiepark kan verder niet worden afgeleid dat een kleinere waterpartij voor het natuur- en recreatiepark toereikend is. Volgens het college zal het perceel geïsoleerd komen te liggen ten opzichte van omliggende gronden, indien het perceel niet bij het natuur- en recreatiepark wordt betrokken.

2.5. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de WRO, aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen.

In de plantoelichting staat dat het gebied waarop het plan ziet volgens de gemeentelijke ruimtelijke visie op dit gebied ontwikkeld dient te worden ten behoeve van natuur- en recreatieve doeleinden. Met het voorziene natuur- en recreatiepark wordt deze visie voor een deel ingevuld. De parochie heeft het belang van het voorziene natuur- en recreatiepark niet betwist.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zal in het voorziene natuur- en recreatiepark een waterplas worden gerealiseerd met een omvang van 25 hectare. Hiermee wordt beoogd voor bezoekers een landschappelijke weidsheid te creëren en een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de recreatieve voorzieningen. Zodoende is de voorziene omvang van de waterplas een essentieel onderdeel in de opzet van het park. Gelet hierop heeft het college in de stelling van de parochie dat de voorziene waterplas niet tot meer bezoekers zal leiden, geen aanleiding behoeven zien om de keuze voor een waterplas met een omvang van 25 hectare onredelijk te achten.

Voorts overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad het perceel bij de voorziene waterplas heeft kunnen betrekken. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het perceel een centrale ligging in het voorziene park heeft en een omvangrijk deel uitmaakt van de waterplas, zonder welk perceel de waterplas niet de beoogde uitstraling kan krijgen. Daarnaast wordt met het betrekken van het perceel bij het natuur- en recreatiepark voorkomen dat in het betreffende gebied vermenging van recreatieve en agrarische functies plaats zal vinden. Voorts heeft het college mede in aanmerking kunnen nemen dat met de grondstofwinning op het perceel de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt zekergesteld. Gezien het vorenstaande, behoefde het college in navolging van de raad niet tegemoet te komen aan de wens van de parochie om het perceel na ontgronding al dan niet gedeeltelijk weer op te vullen met van elders aan te voeren specie.

2.6. De conclusie is dat hetgeen de parochie heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het gaat om het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" dat betrekking heeft op het perceel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

177-629.