Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200905708/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) geweigerd [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905708/1/H3.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juni 2009 in zaak nr. 08/7923 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) geweigerd [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C af te geven.

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2009, verzonden op 23 juni 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het CBR het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 10 juni 2008 opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, werkzaam bij het CBR en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.E.M. Vermeij, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, wordt door de aangewezen arts of artsen aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) wordt in deze regeling verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E;

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C + E, D en D + E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Paragraaf 7.6 van deze bijlage, met als opschrift "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen", luidt:

"Doorbloedingsstoornissen van de hersenen omvatten beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA), TIA's (transient ischemic attacks), verwijdingen van de slagaders (aneurysmata) en andere vaatmisvormingen van de hersenvaten."

Paragraaf 7.6.2.2, met als opschrift "TIA en beroerte", luidt:

"Na een TIA of beroerte zijn personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen na deze periode weer geschikt worden verklaard als uit het neurologisch rapport blijkt dat zij vrij zijn van geestelijke of lichamelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar. Voor personen met epilepsie geldt tevens paragraaf 7.2."

2.2. Naar aanleiding van een aanvraag om een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen is [wederpartij] onderzocht door dr. T.C. van der Ree (hierna: Van der Ree) en J.A.M. Kuster (hierna: Kuster). In zijn rapport van 23 januari 2008 acht Van der Ree [wederpartij] geschikt voor rijbewijzen van zowel groep 1 als groep 2. Bij brief van 13 februari 2008 heeft hij het CBR medegedeeld dat [wederpartij] een lichte uitval rechts zonder duidelijke beperkingen heeft en acht hij hem onbeperkt geschikt voor rijbewijzen van groep 1 en geschikt voor tien jaar voor rijbewijzen van groep 2 omdat geen problemen te verwachten zijn. Bij een herkeuring door de neuroloog Kuster concludeert deze in zijn rapport van 8 mei 2008 dat [wederpartij] weliswaar een lichte handicap heeft, maar dat zijns inziens geen functiestoornissen aanwezig zijn die relevant zijn in relatie tot autorijden, althans niet als met eventuele uit een rijtest naar voren gekomen beperkingen rekening wordt gehouden.

2.3. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C af te geven heeft het CBR ten grondslag gelegd dat [wederpartij] in 1982 een CVA heeft gehad met blijvende functiestoornissen en daardoor niet voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage behorende bij de Regeling.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat volgens haar niet valt in te zien dat paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling aldus moet worden uitgelegd dat reeds het enkele feit van een na een CVA resterende functiestoornis dient te leiden tot een weigering van de gevraagde verklaring van geschiktheid. Een juiste uitleg van voormelde paragraaf brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich, dat deze functiestoornis mede wordt bezien in het licht van de fysieke en mentale eisen die mogen worden gesteld aan bestuurders van die categorieën motorvoertuigen, waarvoor de verklaring van geschiktheid wordt gevraagd. Het CBR kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op basis van de door haar gebezigde redenering voorbij gaan aan de adviezen van de beide genoemde keuringsartsen.

2.5. Het CBR betoogt dat de rechtbank ten onrechte een ruimere uitleg aan de tekst van paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling heeft gegeven en daarmee op de stoel van de wetgever is gaan zitten. De bepalingen in de bijlage bij de Regeling moeten, onder meer gelet op het imperatieve karakter daarvan en gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, volgens het CBR strikt worden uitgelegd. In paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling is bepaald dat personen na een beroerte alleen geschikt kunnen worden verklaard als er geen functiestoornissen zijn. Dat de tekst van deze paragraaf strikt moet worden uitgelegd, kan volgens het CBR ook uit de totstandkoming daarvan worden afgeleid. Zo heeft de Gezondheidsraad niet geadviseerd in paragraaf 7.6.2.2 op te nemen dat personen met een functiestoornis na een positieve rijtest geschikt kunnen worden geacht.

Ter onderbouwing van haar betoog wijst het CBR op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgens het CBR volgt dat voor een belangenafweging geen plaats is, het de rechterlijke macht niet vrijstaat om te treden in de billijkheid van een wettelijke regeling en dat het de taak is van de regelgever om te beoordelen of veranderde medische inzichten tot aanpassing van de bijlage bij de Regeling moeten leiden.

2.5.1. Niet in geschil is dat [wederpartij] in 1982 is getroffen door een CVA. Uit onderzoeken van de neurologen Van der Ree en Kuster blijkt dat [wederpartij] een uitval rechts heeft. Daarmee staat vast dat [wederpartij] een functiestoornis heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303199/1), behelzen paragraaf 7.6.1 en 7.6.2.2 van de bijlage wettelijke voorschriften, waarbij aan het CBR geen ruimte is gelaten om per geval rekening te houden met de individuele belangen van betrokkene. Dat de uitval volgens beide neurologen licht te noemen is en dat deze functiestoornis naar hun oordeel niet relevant is in relatie tot autorijden, maakt niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, deze functiestoornis mede moet worden bezien in het licht van de fysieke en mentale eisen die mogen worden gesteld aan bestuurders van de categorieën motorvoertuigen, waarvoor de verklaring van geschiktheid wordt gevraagd. Nu [wederpartij] als gevolg van zijn CVA niet voldeed aan het bepaalde in paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage, was het CBR verplicht de gevraagde verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C en E bij C te weigeren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het CBR niet voorbij mocht gaan aan de adviezen van de beide neurologen.

Ook als de toepassing van paragraaf 7.6.2.2 overeenkomstig het oordeel van de rechtbank tot een onredelijk resultaat zou leiden, leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers het staat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608543/1), de rechter niet vrij te treden in de billijkheid van de regelgeving en het is de taak van de wetgever om te beoordelen of veranderde medische inzichten tot aanpassing van de regelgeving moeten leiden. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 september 2008 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Het besluit van 31 augustus 2009 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken. Het besluit van 31 augustus 2009 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juni 2009 in zaak nr. 08/7923;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2009 gegrond;

V. vernietigt het besluit van 31 augustus 2009.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

307-624.