Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200904812/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2009:BI8248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [appellante sub 1] tijdelijke vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het vestigen van een tijdelijke winkel op het perceel [locatie] te Venray (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904812/1/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Venray,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2009 in zaak

nr. 08/1897 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Venray,

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [appellante sub 1] tijdelijke vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het vestigen van een tijdelijke winkel op het perceel [locatie] te Venray (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 oktober 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 30 juli 2009. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 juli 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door W. Pluk, bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [ex-directeur], bijgestaan door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan houdt verband met de beoogde herontwikkeling van het perceel, waarbij mede wordt voorzien in de nieuwbouw van een supermarkt. In afwachting van het gereedkomen van die nieuwbouw voorziet het bouwplan in de vestiging van een tijdelijke winkel elders op het perceel.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burggraaf". Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren zal blijven respectievelijk voortduren.

2.4. Het college en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vereiste tijdelijkheid van de winkel voldoende is gewaarborgd. Daartoe wijzen zij op de tussen [belanghebbende], die eigenares is van het perceel, en [appellante sub 1] voor de duur van maximaal vijf jaren gesloten huurovereenkomst voor het perceel, welke - naar gesteld - niet kan worden verlengd, en op de tussen Neptunes B.V. en [appellante sub 1] voor bepaalde duur tot stand gekomen huurovereenkomst voor de plaatsing van de winkel. Voorts betogen zij dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het perceel voor het einde van de duur van de vrijstelling zal zijn herontwikkeld.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2005, in zaak nr. 200407942/1, biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor maximaal vijf jaar is verleend op zichzelf onvoldoende waarborg dat sprake is van een tijdelijke situatie. Teneinde het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk.

2.4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren voor het aannemen van de tijdelijkheid van de winkel op het perceel. Weliswaar is in de tussen [belanghebbende] en [appellante sub 1] gesloten huurovereenkomst opgenomen dat deze na afloop van de duur daarvan niet zal worden verlengd, doch daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat de winkel dan ook daadwerkelijk van het perceel zal zijn verdwenen. Zoals de rechtbank eveneens met juistheid heeft overwogen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante sub 1] binnen de aan de vrijstelling verbonden termijn van vijf jaren haar intrek zal hebben genomen in de nieuw te bouwen supermarkt op het perceel. De omstandigheid dat in de tussen [belanghebbende] en [appellante sub 1] gesloten huurovereenkomst een garantieverplichting is opgenomen op grond waarvan [belanghebbende] binnen vijf jaar na de start van de exploitatie van de tijdelijke winkel een nieuwbouw supermarkt op het perceel aan [appellante sub 1] dient op te leveren, leidt niet tot een ander oordeel, nu schending van deze verplichting op zichzelf niet tot gevolg heeft dat de tijdelijke winkel binnen de wettelijke termijn van maximaal vijf jaren van het perceel zal zijn verdwenen. Bovendien zijn er geen wettelijke beletselen voor [belanghebbende] en [appellante sub 1] om die vijfjaarstermijn met onderling goedvinden te verlengen.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen duidelijkheid bestond over de planologische haalbaarheid van de herontwikkeling van het perceel. Dat het college, zoals volgt uit zijn conceptnotitie van 17 juni 2008, positief staat tegenover de herontwikkeling van het perceel, leidt niet tot een ander oordeel. Van enige, concrete bestuurlijke besluitvorming in dat kader was nog geen sprake. Anders dan [appellante sub 1] betoogt, heeft de rechtbank in haar oordeel over de planologische haalbaarheid van de herontwikkeling van het perceel ook feiten en omstandigheden in aanmerking genomen van na het besluit op bezwaar. Ook deze feiten en omstandigheden hebben de rechtbank terecht geen grond geboden voor het oordeel dat aannemelijk is dat de winkel binnen de wettelijke termijn van maximaal vijf jaren van het perceel zal zijn verdwenen.

De tussen Neptunes B.V. en [appellante sub 1] voor de duur van vier jaren tot stand gekomen huurovereenkomst biedt evenmin voldoende zekerheid dat de winkel binnen de wettelijke termijn van maximaal vijf jaren van het perceel zal zijn verdwenen, nu ook deze overeenkomst met onderling goedvinden kan worden verlengd tot een tijdstip gelegen na afloop van deze termijn.

Ten slotte bieden, anders dan het college en [appellante sub 1] betogen, de omstandigheden dat de winkel is opgebouwd uit demontabele prefabelementen en de infrastructurele werken ten behoeve van de bereikbaarheid van de winkel gemakkelijk te verwijderen zijn, onvoldoende grond om aan te nemen dat de winkel na afloop van de wettelijke termijn van maximaal vijf jaren zal zijn verdwenen.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van het Bro 1985, zodat het college geen gebruik kon maken van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 17 van de WRO.

Het betoog faalt.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Venray griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

531.