Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200904702/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant] voor onbepaalde tijd vergunning verleend om met de woonboot [naam boot], waarvan de maten zijn: 33 meter lang, 5.80 meter breed en 4.50 meter hoog, ligplaats in te nemen aan de [locatie]. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904702/1/H3.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2009 in zaak nr. 08/1127 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellant] voor onbepaalde tijd vergunning verleend om met de woonboot [naam boot], waarvan de maten zijn: 33 meter lang, 5.80 meter breed en 4.50 meter hoog, ligplaats in te nemen aan de [locatie]. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2008 vernietigd, het bezwaar, voor zover gericht tegen de in de ligplaatsvergunning vermelde voorschriften, niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 27 juli 2009 en 28 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2009, waar [appellant] is verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en het college om nadere informatie verzocht.

Bij brief van 22 december 2009 heeft het college nadere informatie verstrekt. Bij brief van 10 januari 2010 heeft [appellant] hierop een reactie gegeven.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 van Amsterdam (hierna: Vhb 2006), voor zover thans van belang, is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden.

Ingevolge artikel 1.2.6, tweede lid, van de Vhb 2006 kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen die ten grondslag liggen aan de betrokken bepalingen.

Het beleid ten aanzien van de vergunningverlening is neergelegd in het Woonschepenbeleid Watergraafsmeer uit 1993. Volgens dit beleid zijn woonboten met een maximale breedte van 5 meter in het desbetreffende gebied toegestaan. De maximale hoogte van de woonboten is afhankelijk van het oevergebruik en de ligging ten opzichte van een fietsbrug. Als maximale lengte van de woonboten geldt de huidige lengte. Voorts staat in het beleid dat een ligplaatsvergunning op naam wordt verstrekt, dat bij omruil van een schip een omruilvergunning moet worden aangevraagd en dat bij een verbouwing van een woonschip waarbij de uitwendige maten van het schip worden gewijzigd, een verbouwingsvergunning noodzakelijk is.

2.2. Het college heeft een vergunning verleend voor de werkelijke maten van het schip en is daarmee, voor zover het betreft de breedtemaat, afgeweken van het beleid. In verband met deze afwijking heeft het college aan de vergunning de volgende voorschriften verbonden:

- voor de breedte van de [naam boot] geldt dat deze niet past binnen het vastgestelde stadsdeelbeleid. Indien [appellant] zijn huidige boot wil vervangen voor een andere moet zijn woonboot voldoen aan de maten uit het stadsdeelbeleid. Deze zijn huidige lengte en 5.00 meter breed;

- wanneer [appellant] de woonboot wil verbouwen, is het niet toegestaan af te wijken van de vergunde maten, behalve als de maten van de woonboot binnen de maten uit het stadsdeelbeleid blijven;

- voor het verbouwen/vervangen van de woonboot dient [appellant] van tevoren een verbouwings- en vervangingsvergunning aan te vragen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen bezwaar en beroep openstaat tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat er geen reden is om aan te nemen dat de door het college vastgestelde afmetingen van de [naam boot] onjuist zijn. De gangways staan duidelijk op alle bouwtekeningen, zijn vergund en hadden dan ook bij de maatvoering moeten worden betrokken, aldus [appellant].

2.3.1. De ligplaatsvergunning die is verleend, heeft betrekking op het schip zoals dat thans op de locatie ligt en door [appellant] wordt bewoond. Bij verbouwing of vervanging van het schip is ingevolge de Vhb 2006 en het door het college gevoerde beleid een nieuwe vergunning nodig. Eerst indien [appellant] een verbouwings- of omruilvergunning aanvraagt, zal door het college over de dan te vergunnen maximale maatvoering worden beslist. De voorschriften zijn derhalve slechts van informatieve aard over de toepasselijke regelgeving en het beleid. De bestuursrechter kan hierover in de procedure over de verleende ligplaatsvergunning geen inhoudelijk oordeel geven.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt hieruit echter niet dat het bezwaar tegen deze voorschriften niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De voorschriften vormen een onderdeel van de verleende vergunning, waartegen als zodanig bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld, zoals [appellant] ook heeft gedaan. Indien het beroep zich richt tegen voorschriften die slechts informatieve mededelingen bevatten, dient de bestuursrechter zich echter van een inhoudelijk oordeel te onthouden. Een dergelijke beroepsgrond zal dan niet slagen. De informatieve mededelingen die het college in dit geval heeft gedaan over de maximale maatvoering in geval van verbouwing of vervanging, kunnen wel een rol spelen bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning daartoe.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte op deze grond het beroep van [appellant] gegrond heeft verklaard, het besluit van 6 februari 2008 heeft vernietigd en het bezwaar van [appellant] ten onrechte in zoverre niet-ontvankelijk heeft verklaard. In zoverre slaagt het betoog van [appellant].

2.3.2. De Afdeling komt vervolgens toe aan de vraag of de rechtbank, in het licht van het betoog van [appellant] in hoger beroep, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige terecht in stand heeft gelaten. Daartoe overweegt zij met betrekking tot de breedtemaat van het schip, gelet op de dossierstukken, het volgende.

[appellant] heeft op 29 mei 2000 een ligplaatsvergunning en verbouwingsvergunning aangevraagd voor de [naam boot]. In oktober 2000 is een tijdelijke ligplaatsvergunning verleend. In december 2000 is een ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend met registratienummer [nummer A]. In februari en maart 2001 heeft overleg plaatsgevonden over de aangevraagde verbouwingsvergunning tussen [appellant] en het stadsdeel Watergraafsmeer als het toenmalige bevoegd gezag. Bij brief van 7 maart 2001 is aan [appellant] een verbouwingsvergunning gestuurd, alsmede een factuur. Hoewel deze brief het registratienummer [nummer B] heeft, heeft de verbouwingsvergunning zelf het registratienummer [nummer A], dat overeenkomt met het nummer van de ligplaatsvergunning van december 2000.

De Afdeling houdt het er voor dat deze verbouwingsvergunning op enig moment aan [appellant] is toegezonden. Het betoog van het college dat de brief en de vergunning niet bij elkaar horen, en de welstandscommissie negatief heeft geadviseerd over de bouwtekening die bij deze vergunning hoort, is onvoldoende om hetgeen uit de overige dossierstukken volgt, te weerleggen.

In de verbouwingsvergunning met nummer [nummer A] wordt overwogen dat gezien de bouwtekeningen geen bezwaar bestaat tegen de afmeting van het te verbouwen vaartuig. In de enige ter beschikking staande tekeningen, waarvan de Afdeling aanneemt dat deze bij de verbouwingsvergunning horen, staan twee demontabele gangways. In deze tekening heeft de [naam boot] een totale breedte van meer dan 6 meter.

Het college heeft geen afdoende verklaring gegeven waarom het, gelet op de gegevens van de verbouwingsvergunning, ondanks het uitgangspunt van het college dat de bestaande ligplaatsvergunningen worden aangepast aan de meest actuele gegevens, is overgegaan tot het verlenen van een ligplaatsvergunning voor de [naam boot] met een maximale breedte van 5,85 meter. De Afdeling deelt niet het oordeel van de rechtbank dat de gangways, reeds omdat deze op de huidige locatie nooit aan de [naam boot] bevestigd zijn geweest, niet bij de door het college uitgevoerde meting betrokken hadden moeten worden. Het college had zich, gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), naar aanleiding van het steeds herhaalde betoog van [appellant] dat de gang van zaken bij eerst het stadsdeel en later het college onzorgvuldig is geweest, waarbij hij heeft verwezen naar de eerder verleende vergunningen en tekeningen, van de juridische status van de eerder genoemde verbouwingsvergunning dienen te vergewissen. De Afdeling neemt daarbij voorts in aanmerking dat in het document "Meten is Weten", waarvan het college gebruik maakt bij de metingen ten behoeve van aanvragen voor ligplaatsvergunningen, op pagina 1 staat dat bij de breedte van de boot, naast loopranden, ook "gangboorden" worden betrokken.

Gelet op het vorenstaande is het besluit van 6 februari 2008 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank heeft derhalve naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 6 februari 2008 in stand gelaten. Ook dit betoog van [appellant] slaagt.

Hieruit volgt voorts dat de rechtbank terecht, zij het op onjuiste gronden, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 6 februari 2008 gegrond heeft verklaard en dit besluit heeft vernietigd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar, voor zover gericht tegen de in de ligplaatsvergunning vermelde voorschriften, niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven. Het college dient opnieuw op het bezwaar van [appellant] te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2009 in zaak nr. 08/1127, voor zover daarbij het bezwaar, voor zover gericht tegen de in de ligplaatsvergunning vermelde voorschriften, niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

350-624.