Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200903622/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ7885, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 juli 2003 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het college aan [appellant sub 1a] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie] te Schijndel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903622/1/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], wonend te Schijndel,

2. [appellant sub 2], wonend te Schijndel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 april 2009 in zaak nr. 08/1991 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 juli 2003 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het college aan [appellant sub 1a] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning op het perceel [locatie] te Schijndel (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 14 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juli 2008 vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 12 juni 2009. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 24 juni 2009.

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 juli 2003 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en dat besluit herroepen voor zover daarbij vrijstelling is verleend. Tevens heeft het daarbij aangegeven niet eerder een vervangend besluit te nemen dan nadat het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Boschweg 34" in werking is getreden.

[appellant sub 2] heeft tegen het nieuwe besluit gronden ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. J.F.C. Veelenturf, advocaat te Den Bosch, en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M.M. van Tilborg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum en Parochie Boschweg" (hierna: het bestemmingsplan). Om realisering daarvan toch mogelijk te maken, heeft het college bij het primaire besluit krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

 

Ter uitoefening van zijn vrijstellingsbevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld, die zijn neergelegd in bijlage 2 van de "Bebouwingsregeling wonen" (hierna: de Bebouwingsregeling).

Ingevolge bijlage 2 van de Bebouwingsregeling wordt onder erfbebouwing verstaan vergunningplichtige bouwwerken achter de achtergevelrooilijn of 3 m achter de denkbeeldige verlenging van de voorgevelrooilijn en in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

Uit die bijlage, onder 1, volgt dat het college wat erfbebouwing betreft vrijstelling kan verlenen voor aan- en/of bijgebouwen op het zij- en/of achtererf van een woning, onder voorwaarde dat, voor zover hier van belang, het bebouwingspercentage van 40%, tot een maximale oppervlakte van 100 m2, niet wordt overschreden.

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de totale oppervlakte aan aan- en bijgebouwen de op grond van de Bebouwingsregeling maximaal toegestane oppervlakte van 100 m2 ruimschoots overschrijdt, zodat het college de vrijstelling niet had mogen verlenen. Volgens hem dient, gelet op de systematiek van het bestemmingsplan, uit te worden gegaan van de zogenoemde bouwstrookmethode, hetgeen er toe leidt dat de garage aan de rechterzijgevel van de woning en de vrijstaande garage buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van de totale oppervlakte aan erfbebouwing.

2.2.1. De tekst van de Bebouwingsregeling biedt geen grond voor het oordeel dat de garages, hoewel deze voldoen aan de omschrijving van erfbebouwing als bedoeld in bijlage 2, buiten beschouwing dienen te worden gelaten bij de berekening van de totale oppervlakte van die bebouwing. De bouwstrookmethode wordt in de Bebouwingsregeling niet genoemd. Voorts kan uit die regeling niet worden afgeleid dat bij de berekening van de totale oppervlakte aan erfbebouwing moet worden aangesloten bij de plansystematiek van de verschillende bestemmingsplannen. Een dergelijke uitleg ligt ook niet voor de hand, nu dit, afhankelijk van het geldende bestemmingsplan, bij gelijke bouwplannen tot verschillende uitkomsten zou kunnen leiden. Gelet hierop, dienen alle vergunningplichtige bouwwerken achter de achtergevelrooilijn of 3 m achter de denkbeeldige verlenging van de voorgevelrooilijn, die in bouwkundig opzicht ondergeschikt zijn aan de op het perceel aanwezige woning, bij de berekening te worden betrokken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat op het perceel meer dan 100 m2 aan erfbebouwing aanwezig is, zodat de vrijstelling in strijd met de Bebouwingsregeling is verleend.

Het betoog faalt.

2.3. Het betoog van [appellant sub 1] dat de stelling van [appellant sub 2] dat wordt gebouwd op grond die hij in eigendom heeft niet juist is, is niet gericht tegen de aangevallen uitspraak en leidt reeds daarom niet tot vernietiging daarvan.

2.4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.5. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van haar uitspraak, dan wel kan zij bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

Ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de rechtbank het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit alsmede zo nodig een voorlopige voorziening treffen.

2.6. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte niet met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de verleende bouwvergunning heeft herroepen, faalt. Nu niet op voorhand was uitgesloten dat de strijd met het bestemmingsplan kon worden opgeheven, bijvoorbeeld door de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan waar het bouwplan in past, hetgeen de raad van de gemeente Schijndel inmiddels heeft gedaan, bestond voor de rechtbank geen grond om zelf in de zaak te voorzien.

2.7. [appellant sub 2] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte het primaire besluit niet met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb heeft geschorst. Nu de bouwwerkzaamheden, waarvoor de bouwvergunning is aangevraagd, reeds enkele jaren geleden zijn uitgevoerd, en, zoals hiervoor is overwogen, zich niet de situatie voordoet dat rechtens nog maar één besluit mogelijk is, namelijk herroeping van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft mogen oordelen dat niet is gebleken van een spoedeisend belang aan de zijde van [appellant sub 2] dat toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb rechtvaardigt.

2.8. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank, gelet op de houding van het college, ten onrechte geen dwangsom heeft verbonden aan de verplichting van het college om binnen zes weken na verzending van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, slaagt evenmin. De rechtbank mocht daarvan afzien met als motivering dat zij ervan uitgaat dat de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor het college voldoende aansporing zal vormen om tijdig een nieuw besluit te nemen.

2.9. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Bij het besluit van 30 juni 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 juli 2003 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en dat besluit herroepen voor zover daarbij vrijstelling is verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.11. [appellant sub 2] betoogt dat het college in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld door de vrijstelling te herroepen, maar daarvoor geen vervangend besluit in de plaats te stellen. Volgens hem kon het college niet volstaan met de aankondiging dat een vervangend besluit zal worden genomen na afronding van de inmiddels opgestarte bestemmingsplanprocedure.

2.11.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2006 in zaak nr. 200601912/1) vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift, maar voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen. In de situatie dat het nemen van een vervangend besluit nog niet mogelijk is, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen, waarmee een geruime termijn kan zijn gemoeid, moet daarover anders worden geoordeeld.

2.11.3. Ten tijde van het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar van 30 juni 2009 was het ontwerp-bestemmingsplan, dat het bouwplan mogelijk maakt, reeds ter inzage gelegd, maar was het bestemmingsplan nog niet door de raad van de gemeente Schijndel vastgesteld. Onder die omstandigheden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het nemen van een vervangend besluit niet mogelijk is, dan nadat de bestemmingsplanprocedure, waarmee een langere termijn is gemoeid dan de termijn waarbinnen op het bezwaar moet worden beslist, is afgerond. Het besluit van 30 juni 2009, bestaande uit de herroeping van de vrijstelling en de verwijzing naar de gestarte bestemmingsplanprocedure, is dan ook niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb.

Het betoog faalt.

2.12. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het college in strijd met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld door hem niet opnieuw te horen.

2.12.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

2.12.2. De nieuwe feiten en omstandigheden waar [appellant sub 2] met zijn betoog op doelt, hebben betrekking op een strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan. Daarover kan en moet het college [appellant sub 2] in het kader van de voorbereiding van het tweede deel van het besluit op bezwaar horen. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van 30 juni 2009 in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand is gekomen.

2.13. Anders dan [appellant sub 2] verder betoogt, bestaat, gelet op de hem toekomende beleidsvrijheid, geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het bepaalde in artikel 2.1.5, vijfde lid, van de Bouwverordening van de gemeente Schijndel en van het bepaalde in artikel 71a van het Bouwbesluit.

2.14. Het betoog van [appellant sub 2] dat de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen niet duidelijk zijn, heeft de Afdeling reeds in haar uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400036/1 in deze procedure verworpen. Die uitspraak is onherroepelijk.

2.15. Nu de rechtbank reeds in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en het college heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1000,00 als vergoeding van door [appellant sub 2] geleden immateriële schade, bestond er voorts in zoverre, anders dan hij betoogt, geen aanleiding voor het college om daar in het nieuwe besluit op in te gaan.

2.16. [appellant sub 2] betoogt verder tevergeefs dat het college de door hem in verband met het bezwaar gemaakte kosten in strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet heeft vergoed. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat het verzoek om vergoeding van die kosten overeenkomstig het derde lid van dat artikel is gedaan voordat het college op het bezwaar heeft beslist.

2.17. Voor het oordeel dat, zoals [appellant sub 2] betoogt, het dictum van het besluit van 30 juni 2009 onvoldoende duidelijk en onvolledig is, bestaat geen grond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 december 2002 in zaak nr. 200202535/1), artikel 7:11 van de Awb, op een herroeping van het bestreden besluit door het bestuursorgaan na, geen formulering voorschrijft bij de beslissing op een ontvankelijk bezwaar. Voorts biedt die bepaling, gelet op haar bewoordingen, geen grond voor het standpunt dat het bestuursorgaan, indien het bij de beslissing op bezwaar tot herroeping van het bestreden besluit overgaat, daarbij tevens zijn opvatting omtrent de gegrondheid van de daartegen gemaakte bezwaren dient weer te geven in de vorm van een bepaalde uitspraak.

2.18. Het betoog van [appellant sub 2] dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woongenot, heeft geen betrekking op een onderdeel van het ter toetsing voorliggende besluit en leidt reeds daarom niet tot vernietiging daarvan.

2.19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond. Reeds hierom kan geen gevolg worden gegeven aan zijn verzoek om op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

2.20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

457.