Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200905632/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Zandhorst e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905632/1/R3.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk,

appellant,

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Heerhugowaard (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Zandhorst e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (hierna: het college) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door O.H. Stom en L.M. Zeedijk, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Langedijk, en de raad, vertegenwoordigd door S.C.M. Waardenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente Heerhugowaard, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt een aantal ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, waaronder een verhoging van de voorheen geldende bouwhoogte op het bedrijventerrein Zandhorst te Heerhugowaard (hierna: het bedrijventerrein) van 12 naar 18 meter. Voorts is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor een verdere verhoging van de toegestane bouwhoogte naar 21 meter.

2.2. Het college kan zich niet verenigen met de verhoging van de maximale bouwhoogte op het bedrijventerrein, voor zover het betreft een strook van 150 meter vanuit de gemeentegrens.

Het college stelt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de landschappelijke gevolgen voor het Oosterdelgebied. Daartoe voert het college aan dat het plan leidt tot landschapsvervuiling omdat de bedrijfsbebouwing vanuit dit natuurgebied prominent zichtbaar zal zijn. Het college stelt dat het Oosterdelgebied een eeuwenoud cultuurlandschap is en zich typeert door een weids open landschap met zicht tot aan de horizon. De historische waarde is groot als laatste deel van de polder Geestmerambacht welke eeuwenlang als vaarpolder was ingericht en werd gebruikt, aldus het college. Deze cultuurhistorische en landschappelijke waarde is volgens het college, mede gelet op de wandelroute over de dijk behorende bij het kanaal Alkmaar-Kolhorn, vanuit economisch, toeristisch en recreatief opzicht van groot belang voor de gemeente Langedijk. Tot slot wijst het college er op dat het natuurgebied door provinciale staten van Noord-Holland (hierna: provinciale staten) als onderdeel van de provinciale ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) is aangewezen, waaruit blijkt dat ook het provinciebestuur grote waarde aan het gebied toekent.

2.3. De raad betoogt dat de mate van aantasting van het gebied beperkt is en voert daartoe het volgende aan. Allereerst is er een ruime afstand van ongeveer 80 tot 110 meter tussen de eerste bebouwing van het bedrijventerrein en het natuurgebied. Voorts is sprake van een fysieke scheiding tussen het natuurgebied en het bedrijventerrein door de Westerweg en het kanaal Alkmaar-Kolhorn met het bijbehorende dijklichaam dat van hoge beplanting is voorzien. Het kanaal en de dijk liggen hoger dan het natuurgebied en het bedrijventerrein.

Voorts betoogt de raad dat het plan ziet op een intensivering van het ruimtegebruik, zodat gezien de vraag naar bedrijfsruimte, wordt voorkomen dat elders een nieuw bedrijventerrein dient te worden bestemd. Hiermee is het plan in overeenstemming met de door de raad als beleid overgenomen uitgangspunten uit de SER-ladder. Bovendien leidt het plan tot investeringen in het bedrijventerrein, zodat de ruimtelijke kwaliteit omhoog gaat, aldus de raad.

2.4. De plandelen, gelegen in een strook van 150 meter vanuit de gemeentegrens, hebben de bestemming "Bedrijf 2". Voor bebouwing op deze gronden geldt ingevolge de aanduidingen op de plankaart een maximale bouwhoogte van 18 meter. Ingevolge artikel 8.4.4 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor het verhogen van de bouwhoogte tot 21 meter onder de volgende voorwaarden:

a. de bebouwing draagt bij aan de gewenste ruimtelijke kwaliteit;

b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:

1. het straat- en bebouwingsbeeld;

2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

2.5. De raad hanteert het beleid dat ruimte intensief, en daarmee duurzaam, dient te worden gebruikt. Daarbij wijst de raad op het door de regering, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gehanteerde uitgangspunt, neergelegd in de SER-ladder dat uitbreiding van het ruimtegebruik pas aan de orde is wanneer de reeds gebruikte ruimte niet toereikend blijkt, mede gelet op de mogelijkheden tot herstructurering en verhoging van de ruimteproductiviteit door meervoudig ruimtegebruik.

2.6. De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat behoefte aan uitbreiding van de mogelijkheden voor bedrijvigheid bestaat. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat verhoging van de bebouwing past binnen het beleid, als bedoeld in de SER-ladder, nu hierin verhoging van ruimteproductiviteit voorop staat. In de door het college aangevoerde gronden ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid aan dat beleid heeft kunnen vasthouden. Daartoe wordt het volgende overwogen. Niet in geschil is dat het Oosterdelgebied belangrijke waarden heeft die beschermd worden door de aanwijzing als EHS in het streekplan 'Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord' van 25 oktober 2004. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhoging van de toegestane bouwhoogte zal leiden tot een relevante verslechtering van de EHS. Ook anderszins is niet gebleken van onevenredige aantasting van het uitzicht of de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het Oosterdelgebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gaat om een bestaand bedrijventerrein met een afstand tussen de bouwvlakken en het Oosterdelgebied van ongeveer 80 tot 110 meter. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het dijklichaam met de bijbehorende hoge beplanting, in combinatie met de hoogteverschillen, voor een gedeelte als fysieke scheiding functioneert. Hoewel de zichtbaarheid van het bedrijventerrein zal toenemen bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.7. De conclusie is dat hetgeen het college heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

371-635.