Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200903287/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2009, kenmerk 2008-019211, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) bij besluit van 22 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Nijmegen-Dukenburg" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903287/1/R1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V., gevestigd te Apeldoorn,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2009, kenmerk 2008-019211, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) bij besluit van 22 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Nijmegen-Dukenburg" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2009, [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2009, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V. (hierna: RGV) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2009, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 29 mei 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellante sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [directeur], en P.A. van Beuningen, en bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.A. Wols, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en RGV, vertegenwoordigd door Th.A.M. Klein Swormink en A.A.A. van der Linden, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door ir. M. Muntjewerff, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling voor een deel van Nijmegen en vervangt 74 bestemmingsplannen. Het plan heeft overwegend een conserverend karakter.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1]. Daartoe voert zij aan dat zij haar bedrijfsterrein wenst uit te breiden en bovendien een deel van deze gronden al decennialang in gebruik is ten behoeve van haar bedrijf en zij er daarbij vanuit is gegaan dat dit gebruik legaal is.

[appellante sub 1] stelt voorts dat tegen het bestaande gebruik niet handhavend kan worden opgetreden, omdat dit gebruik ingevolge de milieuvergunning is toegestaan. Volgens [appellante sub 1] is het toekennen van de bestemming "Natuur" bovendien in strijd met het evenredigheidsbeginsel aangezien het toekennen van deze bestemming verstrekkende gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering. Daarnaast betoogt [appellante sub 1] dat geen zicht bestaat op verwezenlijking van de natuurbestemming binnen de planperiode en dat de natuurwaarden op het deel dat zij nog niet in gebruik heeft, de bestemming "Natuur" niet rechtvaardigen.

2.3.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat uitbreiding en legalisatie van het illegaal in gebruik genomen deel van het bedrijfsterrein niet wenselijk wordt geacht omdat het bedrijfsterrein grenst aan een natuurgebied en de omliggende gronden deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS).

2.3.2. In het plan is aan het meest zuidwestelijke deel van het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] de bestemming "Natuur" toegekend. Ingevolge artikel 16.1. van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor behoud en/of herstel van de op deze gronden voorkomende, dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden alsmede voor bijbehorende voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, fiets- en voetpaden en parkeervoorzieningen.

De gronden zijn thans gedeeltelijk in gebruik als tasveld bij de betonfabriek en gedeeltelijk in gebruik als groenstrook.

In het voorheen geldende plan, vastgesteld in 1968, hadden deze gronden een natuurbestemming.

2.3.3. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad aangegeven dat reeds in 1969, in het kader van de aankoop door [appellante sub 1] van extra gronden, is aangegeven dat geen toestemming wordt verleend voor het uitbreiden van het bedrijfsterrein. Voorts is verwezen naar de op 12 maart 2008 door de raad aangenomen motie "De natuur niet tussen Hamer en Aambeeld". In deze motie is het college van burgemeester en wethouders opgeroepen te werken aan draagvlak en financiering voor verplaatsing van de betonfabriek en in het gebied grenzend aan het kwetsbare en beschermde gebied Vogelzang eenduidig te kiezen voor natuurontwikkeling.

2.3.4. De Afdeling stelt vast dat voor zover een deel van de gronden met de bestemming "Natuur" reeds als bedrijfsterrein in gebruik is, dit gebruik, wat er ook zij van de milieuvergunning, in strijd is met het voorheen geldende plan. Niet wordt uitgesloten dat, zoals door de raad ter zitting is betoogd, handhavend zal kunnen worden opgetreden tegen dit illegale gebruik.

De Afdeling stelt evenwel voorts vast dat in het voorliggende plan aan de naastgelegen gronden, ter plaatse van de betonfabriek, in overeenstemming met het bestaande legale gebruik, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5 (B5)" is toegekend. Nu in het plan er voor is gekozen de betonfabriek als zodanig te bestemmen, had moeten worden onderzocht of de continuïteit van de betonfabriek is gewaarborgd zonder aan (een deel van) de reeds als tasveld in gebruik zijnde gronden een bedrijfsbestemming toe te kennen. Uit de gemeentelijke stukken is niet gebleken dat de raad deze vraag heeft onderzocht. Gelet hierop had het op de weg van het college gelegen de raad om een nadere motivering terzake te vragen dan wel zelf op dit aspect in te gaan. Dit klemt te meer nu de desbetreffende gronden, anders dan door de raad is betoogd, geen deel uitmaken van de EHS en uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verplaatsing van de betonfabriek en de ter plaatse gewenste natuurontwikkeling financieel niet haalbaar zijn.

2.3.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd inzake het plandeel met de bestemming "Natuur" dat reeds als bedrijfsterrein in gebruik is, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.3.6. Voor zover [appellante sub 1] wenst dat aan zijn gronden die in gebruik zijn als groenstrook een bedrijfsbestemming wordt toegekend, wordt overwogen dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het handhaven van de natuurbestemming dan aan de belangen van [appellante sub 1] bij (verdere) uitbreiding van haar bedrijfsterrein. In dat verband overweegt de Afdeling dat deze gronden deel uitmaken van de EHS. Voorts wordt overwogen dat voor zover [appellante sub 1] betoogt dat de ter plaatse aanwezige natuurwaarden de bestemming "Natuur" niet rechtvaardigen, wat daarvan ook zij, de bestemming "Natuur" niet alleen ziet op behoud van natuurwaarden, maar ook op herstel van natuurwaarden. De omstandigheid dat deze gronden niet openbaar toegankelijk zijn, staat anders dan [appellante sub 1] heeft betoogd, evenmin aan het toekennen van de bestemming "Natuur" in de weg.

2.3.7. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd inzake het plandeel met de bestemming "Natuur" dat thans in gebruik is als groenstrook, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.4. [appellante sub 1] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5 (B5)" ter plaatse van haar perceel plaatselijk bekend [locatie 1]. Zij voert daartoe aan dat de planregeling, vanwege het opnemen van bouwvlakken, niet voorziet in de benodigde flexibiliteit. Zij wenst dat ter plaatse wordt voorzien in een planregeling overeenkomstig het voorheen geldende plan. Volgens [appellante sub 1] zijn er geen plannen om de productie uit te breiden, maar is de door haar gewenste flexibiliteit noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf. In dat verband voert zij onder meer aan dat vervanging van machines veel tijd vergt en dat er daarom doorgaans voor wordt gekozen de nieuwe machine op een nieuwe plaats te installeren in de aanvoerlijn, waarbij de te vervangen machine door kan blijven produceren.

2.4.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat door middel van bouwvlakken de bestaande bebouwing ter plaatse als zodanig is bestemd.

In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad aangegeven dat de bouwvlakken iets ruimer om de bestaande bebouwing zijn gelegd, waardoor enige uitbreidingsruimte bestaat.

2.4.2. In het plan zijn op de plankaart ter plaatse van de bestaande bebouwing bouwvlakken opgenomen. Ingevolge artikel 8.2.2., sub a, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak.

In het voorheen geldende plan hadden de desbetreffende gronden waaraan in het voorliggende plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5 (B5)" is toegekend, de bestemming "Industrie". Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften behorende bij dat plan mocht de bebouwde oppervlakte ten hoogste 30% van het bouwperceel bedragen. Ingevolge het derde lid moest de afstand van één van de zijgevels van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens tenminste 3 meter bedragen.

2.4.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij het vaststellen van de bouwvlakken rekening is gehouden met de bestaande bebouwing en enige uitbreidingsruimte is geboden. Voor zover [appellante sub 1] een ruimere bestemmingsregeling wenst in verband met toekomstige bouwmogelijkheden overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van concrete bouwvoornemens en [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gewenste flexibiliteit noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf.

2.5. [appellante sub 1] betoogt voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften. Daartoe voert zij aan dat ten gevolge van dat planvoorschrift de ter plaatse van haar bedrijf bestaande opslag met een hoogte van meer dan vijf meter en dat zichtbaar is vanaf de openbare weg ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, aangezien niet aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

2.5.1. In artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften is bepaald dat de opslag van goederen op onbebouwde gronden met een totale stapelhoogte van meer dan vijf meter als met de bedrijfsbestemming strijdig gebruik wordt aangemerkt en dat de opslag van de goederen vanaf de openbare weg aan het zicht onttrokken dient te zijn.

2.5.2. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad aangegeven dat voor zover de bestaande opslag hoger is dan vijf meter en niet aan het zicht vanaf de openbare weg is onttrokken, dat gebruik onder het overgangsrecht van het voorliggende plan mag worden voortgezet.

2.5.3. Niet in geschil is dat op het bedrijfsterrein opslag plaatsvindt met een stapelhoogte van meer dan vijf meter, welke zichtbaar is vanaf de openbare weg, en dat dit gebruik onder het voorheen geldende plan mocht worden uitgeoefend zodat sprake is van bestaand legaal gebruik. In het plan is dit gebruik door het vaststellen van artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften, onder het overgangsrecht gebracht. Het slechts onder het overgangsrecht toestaan van onder het vorige plan legaal gebruik is, bijzondere gevallen daargelaten, alleen mogelijk indien aannemelijk is dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Alhoewel de raad verplaatsing van het bedrijf wenselijk acht is niet gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is tot aankoop van de desbetreffende gronden over te gaan. Gelet hierop heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het desbetreffende planvoorschrift niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het voornoemde planvoorschrift.

2.5.5. Hetgeen [appellante sub 1] verder tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5 (B5)" ter plaatse van haar perceel, plaatselijk bekend [locatie 1], heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor het overige niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" ten oosten van zijn perceel aan de [locatie 2]. Daartoe voert hij ten eerste aan dat de behoefte aan de ter plaatse voorziene appartementen niet is onderbouwd.

2.6.1. Voor het verwezenlijken van de appartementen is naast het voorliggende plan tevens een procedure aanhangig omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing inzake de vrijstellingsprocedure, welke als bijlage bij de plantoelichting is opgenomen, voorziet het desbetreffende plandeel in 202 appartementen.

In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat er in de regio Arnhem-Nijmegen een grote groei is van het aantal alleenstaanden, terwijl de woningvoorraad in de regio voor een groot gedeelte bestaat uit eengezinswoningen, hetgeen vraagt om toevoeging van andere woningbouwtypen. Dit standpunt komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

In de ruimtelijke onderbouwing is voorts verwezen naar het Gelders kwalitatief woonbeleid zoals vastgelegd in het streekplan Gelderland 2005. Volgens dit woonbeleid dient onder meer de realisatie van woningen voor ouderen en starters en woningen in centrumstedelijke woonmilieu's te worden bevorderd. Daarbij is aangegeven dat blijkens het woonbeleid voor de stadsregio Arnhem-Nijmegen een behoefte is geconstateerd aan 34.000 toe te voegen woningen in de periode 2005-2015, waarvan 30% dient te worden gebouwd in bestaand bebouwd gebied. Volgens de ruimtelijke onderbouwing resteert een opgave van ongeveer 15.500 woningen. Niet is gebleken dat de behoefteraming, zoals opgenomen in het provinciale woonbeleid zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich bij het nemen van zijn besluit hierop niet had mogen baseren.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan de in het plandeel voorziene appartementen voldoende is aangetoond.

2.7. [appellant sub 2] voert verder aan dat het plandeel leidt tot verstening en tot het verdwijnen van schaars groengebied. Volgens [appellant sub 2] brengt het plandeel, met name het deel dat voorziet in bebouwing met een maximale bouwhoogte van 35 meter, een vermindering van zijn privacy teweeg. [appellant sub 2] vreest voorts windhinder rond de ter plaatse toegestane hoge bebouwing.

2.7.1. De gronden waarop de appartementen zijn voorzien zijn thans grotendeels in gebruik als grasland. Aan de gronden rondom de appartementengebouwen is de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" toegekend.

De appartementengebouwen variëren in bouwhoogten van 4 meter tot 35 meter. Voor het overgrote deel van de nieuwbouw gelden maximale bouwhoogten van 16 en 23 meter. Voor twee relatief kleine bouwvlakken met een breedte van 15 meter en een diepte van 18 gelden maximale bouwhoogten van 35 meter.

2.7.2. Niet kan worden ontkend dat de in het plandeel voorziene bebouwing leidt tot een aantasting van het ter plaatse aanwezige groen en dat de in het plandeel voorziene bebouwing, met name de bebouwing met een maximale bouwhoogte van 35 meter, bij [appellant sub 2] kan leiden tot verlies aan privacy.

Gelet op de omstandigheid dat de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot de bouwvlakken met een maximale bouwhoogte van 35 meter ongeveer 60 onderscheidenlijk 90 meter bedraagt, alsmede gelet op het toekennen van de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" aan de omliggende gronden en het versterken van de laanbeplanting in de omgeving, heeft het college zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de groenstructuur en de privacy niet zodanig ernstig is dat hieraan groot gewicht toekomt. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de bouwvlakken met een maximale bouwhoogte van 35 meter een relatief geringe omvang hebben.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene nieuwbouw leidt tot een zodanige windhinder dat het college daaraan niet in redelijkheid voorbij kon gaan.

2.8. [appellant sub 2] voert verder aan dat ten gevolge van de ontsluiting van het plandeel de Oude Dukenburgseweg overbelast zal raken en het plan in zoverre leidt tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse van de uitrit van zijn perceel.

2.8.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar de zienswijzennota op het standpunt gesteld dat het verkeer zal worden verdeeld over de Zwanenveld 13e straat en de Oude Dukenburgseweg en dat de extra verkeersbewegingen op deze wegen goed opgevangen worden.

[appellant sub 2] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze weerlegging onjuist zou zijn. Voor zover [appellant sub 2] ter zitting heeft gesteld dat de Oude Dukenburgseweg te smal is, wordt overwogen dat niet is gebleken dat deze weg zodanig smal is dat een verkeersonveilige situatie ontstaat.

2.9. [appellant sub 2] voert voorts aan dat het plan in zoverre niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet, waardoor de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen.

2.9.1. Op de ontwikkelingslocatie bevinden zich plandelen met de bestemming "Verkeersdoeleinden" en de bestemming "Woondoeleinden (W)" waarbinnen onder meer parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd.

In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat voor de 202 appartementen in totaal 288 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, waarvan 226 parkeerplaatsen voor de bewoners en 62 parkeerplaatsen voor bezoekers. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal onvoldoende is.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen parkeerproblemen zijn te verwachten. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat blijkens de ruimtelijke onderbouwing de parkeerbehoefte is geraamd aan de hand van door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (CROW) opgestelde parkeernormen.

2.10. [appellant sub 2] voert daarnaast aan dat het uitgevoerde geluidonderzoek onvolledig is aangezien de spoorlijn, de verkeerstoename en het bouwverkeer daarin niet zijn opgenomen.

2.10.1. Ten behoeve van het woningbouwproject is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van de Nieuwe Dukenburgseweg, Zwanenveld 12e en 14e straat en de Oostkanaaldijk. De resultaten zijn neergelegd in het geluidrapport van 18 maart 2008. In dit geluidrapport is aangegeven dat de verkeersgegevens zijn ontleend aan de regionale verkeersmilieukaart voor 2020.

2.10.2. Ingevolge artikel 4.1. van het Besluit geluidhinder worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een geluidzone langs een spoorweg, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de spoorweg waarlangs de zone ligt, van de gevel van woningen, de waarden in acht genomen die ingevolge het Besluit als de ten hoogste toelaatbare waarden worden aangemerkt.

2.10.3. Vast staat dat de geluidzone van de spoorweg Nijmegen-Den Bosch, traject 475, 200 meter bedraagt en dat de nieuw te bouwen woningen op de locatie Oude Dukenburgseweg niet binnen deze zone zijn gelegen.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge de Wet geluidhinder en het daarop gebaseerde Besluit geluidhinder geen onderzoek behoefde te worden verricht naar het geluid van de spoorlijn. Ook overigens is niet gebleken van zodanige ontwikkelingen dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onderzoek naar het geluid van de spoorlijn ter plaatse geboden was.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de in het geluidrapport gehanteerde invoergegevens onjuist zouden zijn. In dat verband overweegt de Afdeling dat voor zover de woningbouwlocatie Oude Dukenburgseweg leidt tot een toename van de verkeersintensiteit op de omliggende wegen, niet is gebleken dat deze toename niet in de regionale verkeersmilieukaart is verdisconteerd.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting ten gevolge van het bouwverkeer, wordt overwogen dat dit bezwaar ziet op de uitvoering van het plandeel en voorts een tijdelijk karakter heeft. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.11. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat een andere groenere invulling van het plandeel mogelijk en wenselijk is door bijvoorbeeld ter plaatse laagbouw te realiseren, wordt overwogen dat het bestaan van alternatieven voor de in het plandeel voorziene woningbouw op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorgestane stedenbouwkundige indeling van het plandeel. Het college heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" ten oosten van de [locatie 2] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van RGV

2.13. RGV betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" gelegen tussen het recreatiegebied de Berendonck en de A73. Daartoe voert zij aan dat zij deze gronden onlangs heeft aangekocht en wenst toe te voegen aan het recreatiegebied de Berendonck. Volgens RGV hadden deze gronden onder het voorheen geldende plan reeds een recreatieve bestemming en is het plan in zoverre in strijd met het streekplan aangezien in het streekplan ter plaatse de aanduiding "dagrecreatief concentratiepunt" is opgenomen. RGV wenst in dat kader tevens dat een door haar te verleggen watergang als zodanig wordt bestemd. Voorts betoogt RGV dat voor zover delen van deze gronden reeds behoren tot het recreatiegebied de Berendonck, de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" in strijd is met het ter plaatse bestaande en legale recreatiegebruik.

2.13.1. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat in het plan geen gronden zijn opgenomen die behoren tot het bestaande recreatiegebied de Berendonck. Voorts stelt het college dat de aan de strook grond tussen het recreatiegebied en de rijksweg A73 toegekende bestemming "Groenvoorzieningen (G)" in overeenstemming is met het bestaande gebruik.

2.13.2. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad aangegeven vooralsnog niet mee te werken aan de door RGV gewenste uitbreiding van het recreatiegebied, omdat de raad zich niet kan vinden in de ontwikkelingsvisie van RGV voor het recreatiegebied. Volgens de raad wil RGV de desbetreffende gronden aan het recreatiegebied toevoegen mede ten behoeve van de uitbreiding van de golfbaan en is de ontwikkelingsvisie in zoverre in strijd met de op 24 januari 2007 door de raad aangenomen motie "Houd Berendonck breed toegankelijk".

2.13.3. In het plan is aan een strook grond tussen het recreatiegebied de Berendonck, gelegen binnen de gemeente Wijchen, en de A73 de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" toegekend. Ingevolge artikel 14.1 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor groenvoorzieningen, waterpartijen, behoud en/of herstel van cultuurhistorische- en natuurwaarden, alsmede voor voorzieningen zoals: speelvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen, hondenuitlaatplaatsen, overstortvijvers, rioolbuffers, verhardingen, in- en uitritten en fiets- en voetpaden.

2.13.4. Op themakaart 25 behorende bij het streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) zijn de gronden tussen de gemeente Wijchen en de gemeente Nijmegen aangeduid als "dagrecreatief concentratiepunt". In het streekplan is ten aanzien van deze aanduiding, voor zover thans van belang, aangegeven dat in de nabijheid of aansluitend aan het terrein mogelijkheden zijn voor particuliere initiatieven en/of commerciële activiteiten mits dit een aanvulling vormt op het bestaande recreatieaanbod en niet leidt tot een aantasting van het openbare karakter van de basisvoorziening.

2.13.5. In het voorheen geldende plan, vastgesteld in 1971, had de strook grond tussen het recreatiegebied en de A73 de bestemming "Recreatieve doeleinden".

2.13.6. RGV heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het plan aan gronden behorende tot het bestaande recreatiegebied de Berendonck, de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" is toegekend. In dat verband overweegt de Afdeling dat het recreatiegebied is gelegen binnen de gemeente Wijchen en de grens van de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" samenvalt met de gemeentegrens.

Voor zover RGV opkomt tegen de goedkeuring van de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" aan gronden die zij aan het recreatiegebied wenst toe te voegen, wordt als volgt overwogen. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften vaststellen.

Vast staat dat de desbetreffende gronden thans in gebruik zijn als grasland en dat de desbetreffende gronden in het voorliggende plan overeenkomstig dit bestaande gebruik zijn bestemd voor "Groenvoorzieningen (G)".

Voor zover RGV wenst dat aan deze gronden een recreatieve bestemming wordt toegekend, wordt overwogen dat RGV ten tijde van het bestreden besluit de golfbaan in het recreatiegebied wenste uit te breiden. Mede gelet op de door de raad aangenomen motie "Houd Berendonck breed toegankelijk", heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om aan de desbetreffende gronden geen recreatieve bestemming toe te kennen. Voor zover ter zitting door RGV is betoogd dat inmiddels een nieuwe ontwikkelingsvisie is opgesteld waarin wordt afgezien van uitbreiding van de golfbaan, wordt overwogen dat deze nieuwe ontwikkelingsvisie dateert van na het bestreden besluit en daarom hier buiten beschouwing dient te blijven.

Bij zijn oordeel betrekt de Afdeling dat ook binnen de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" diverse voorzieningen ten behoeve van een recreatiegebied kunnen worden gerealiseerd, waaronder eventueel te verleggen watergangen alsmede de ter zitting genoemde fietspaden.

Voorts wordt overwogen dat uit de omstandigheid dat ingevolge het streekplan ter plaatse onder voorwaarden recreatieve activiteiten zijn toegestaan, niet kan worden afgeleid dat het toekennen van de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" aan de desbetreffende gronden in strijd is met het streekplan.

2.13.7. De conclusie is dat hetgeen RGV heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van RGV is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 1] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 2] en RGV geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 20 maart 2009, kenmerk 2008-019211, voor zover goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1], zoals nader aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaart 1;

b. artikel 8.4, sub c, van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II.b genoemde planonderdeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2009 voor zover dit onder II.b is vernietigd;

V. verklaart het beroep van [appellante sub 1] voor het overige en de beroepen van [appellanten sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RGV Holding B.V. geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 682,79 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro en negenenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

466-525.

<HR>

plankaart