Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200901288/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) aan [appellante sub 2] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het slachten van vee, het gekoeld opslaan van geslacht vee en het transporteren van geslacht vee. Dit besluit is op 15 januari 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901288/1/M2.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te De Hoef, gemeente De Ronde Venen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te De Hoef, gemeente De Ronde Venen,

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) aan [appellante sub 2] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het slachten van vee, het gekoeld opslaan van geslacht vee en het transporteren van geslacht vee. Dit besluit is op 15 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2009, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 maart 2009. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 24 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. S.P. Dalmolen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.S. Verheul, ir. A.A. van der Linde en ing. M.P. van de Bank, allen werkzaam bij de Milieudienst Noord-West Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellante sub 2] de beroepsgronden over de omschrijving van de activiteiten, voorschriften 4.6 en 15.24, voorschrift 6.6, voorschrift 6.30, voorschriften 7.5 tot en met 7.9 en voorschriften 15.18 tot en met 15.23 ingetrokken.

2.2. Het college stelt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is voor zover het de bij brief van 4 maart 2009 aangevoerde aanvullende beroepsgronden betreft. Deze beroepsgronden zijn buiten de beroepstermijn ingediend, aldus het college.

2.2.1. De vraag of het buiten de gestelde beroepstermijn indienen van aanvullende beroepsgronden leidt tot het in zoverre niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, dient te worden beoordeeld in het licht van de goede procesorde. [appellant sub 1] heeft op 4 maart 2009 na het verstrijken van de beroepstermijn en in aanvulling op zijn binnen die termijn ingediende beroepschrift nadere beroepsgronden ingediend. Ter onderbouwing van deze gronden heeft hij een deskundigenrapport van Peutz van 25 februari 2009, kenmerk F 18834-2, overgelegd. De op dit rapport gebaseerde beroepsgronden zijn gelijk aan hetgeen [appellant sub 1] in zijn zienswijzen naar voren heeft gebracht. Ter onderbouwing van zijn zienswijzen heeft [appellant sub 1] een deskundigenrapport van Peutz van 15 mei 2008, kenmerk F 18834-1, overgelegd met daarin dezelfde stellingen als in het rapport van 25 februari 2009. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de goede procesorde zich er tegen verzet dat deze beroepsgronden bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

2.3. Het college stelt dat [appellant sub 1] geen zienswijzen naar voren heeft gebracht over parkeeroverlast van vrachtwagens met vee. Het beroep van [appellant sub 1] is volgens het college in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 2] is volgens het college niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op voorschrift 5.11. Over dit voorschrift heeft [appellante sub 2] geen zienswijzen naar voren gebracht, aldus het college.

2.3.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van zienswijzen hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 november 2006 in zaak nr. 200602308/1) worden bij besluiten inzake een milieuvergunning - zoals het onderhavige besluit - de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

2.3.2. De beroepsgrond over parkeeroverlast van vrachtwagens met vee heeft betrekking op het besluitonderdeel parkeerhinder waarover [appellant sub 1] een zienswijze naar voren heeft gebracht. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep [appellant sub 1] .

2.3.3. [appellante sub 2] heeft zienswijzen naar voren gebracht over onder meer voorschrift 5.18. Dit voorschrift ziet net als voorschrift 5.11 op het lozen van afvalwater en daarmee op hetzelfde besluitonderdeel. In zoverre bestaat er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep van [appellante sub 2] .

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. [appellante sub 2] stelt dat de gestelde geluidgrenswaarden te laag zijn. Volgens haar heeft het college ten onrechte aangesloten bij de richtwaarden voor een rustige woonwijk, weinig verkeer.

2.5.1. Het college heeft bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking worden richtwaarden gegeven voor verschillende woonomgevingen. Het college heeft bij het stellen van de geluidgrenswaarden de richtwaarden voor een rustige woonwijk, weinig verkeer als uitgangspunt genomen.

2.5.2. Uit de stukken blijkt dat de omgeving van de inrichting overwegend landelijk gebied betreft. In nabijheid van de inrichting zijn een aantal bedrijven alsmede de verbindingsweg tussen de N231 en de N201 gelegen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de omgeving van de inrichting terecht aangemerkt als rustige woonwijk, weinig verkeer. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellante sub 2] stelt dat in voorschrift 2.13 ten onrechte niet is opgenomen dat de toegangspoort in de avond- en nachtperiode incidenteel geopend mag worden voor noodslachtingen. Dit is volgens haar wel aangevraagd en noodzakelijk voor een goede bedrijfsvoering.

2.6.1. In voorschrift 2.12 is bepaald dat de toegangspoort in de avond- en nachtperiode gesloten dient te zijn. In voorschrift 2.13 is een aantal uitzonderingen daarop opgenomen.

2.6.2. Het college stelt dat op de aanvraag is beslist zoals deze is ingediend en dat geen vervoersbewegingen in de avond- en nachtperiode ten behoeve van het incidenteel uitvoeren van noodslachtingen zijn aangevraagd.

2.6.3. Uit het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van april 2007, kenmerk HL.Z2436.R02, en het aanvullend akoestisch onderzoek van 20 februari 2008, kenmerk 2008.0137.AB.085-P3689.info, blijkt dat twee vervoersbewegingen voor een terreinwagen in de avond- en nachtperiode zijn aangevraagd. Hoewel niet expliciet voor de avond- en nachtperiode is aangegeven dat de aangevraagde vervoersbewegingen ten behoeve van het incidenteel uitvoeren van noodslachtingen worden gemaakt, zijn voor die periode wel vervoersbewegingen aangevraagd. Om die te kunnen uitvoeren moet de toegangspoort geopend worden. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek volgt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan als in de avond- en nachtperiode twee vervoersbewegingen plaatsvinden ten behoeve van het aanvoeren van vee voor noodslachtingen. Gelet hierop heeft het college niet in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van een uitzondering in voorschrift 2.13 ten behoeve van de aangevraagde vervoersbewegingen in avond- en nachtperiode. De beroepsgrond slaagt.

2.7. [appellante sub 2] stelt dat voorschrift 5.11 disproportioneel is. In dit voorschrift is bepaald dat de reeds bestaande vetafscheider en slibvangput dienen te voldoen aan NEN 7087. Volgens [appellante sub 2] zijn de vetafscheider en slibvangput niet overeenkomstig de in voorschrift 5.11 genoemde NEN-norm gerealiseerd, maar functioneren ze naar behoren.

2.7.1. De in voorschrift 5.11 genoemde NEN-norm was de ten tijde van het plaatsen van de bestaande vetafscheider en slibvangput geldende norm. Op grond van de eerder voor de inrichting verleende vergunning moest reeds aan deze norm worden voldaan. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de in voorschrift 5.11 gestelde eis onevenredig bezwarend is voor [appellante sub 2]. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 1] stelt dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met parkeeroverlast als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

2.8.1. Met betrekking tot parkeerhinder bieden de Wegenverkeerswet en daarop gebaseerde regelgeving het primaire toetsingskader, maar daarnaast is plaats voor een aanvullende toetsing in het kader van de Wet milieubeheer.

2.8.2. In het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek is vermeld dat de auto's die de inrichting aandoen, parkeren langs de openbare weg op de parkeerhavens ten zuiden van de inrichting aan de Tweede Hoefweg. Ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig zal zijn om overlast van geparkeerde auto's te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Verder is aannemelijk gemaakt dat op het terrein van de inrichting voldoende ruimte beschikbaar is om, zo nodig, overige voertuigen, zoals vrachtwagens, te parkeren. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in werking zijn van de inrichting niet zodanige parkeerhinder tot gevolg zal hebben dat de vergunning om deze reden had moeten worden geweigerd of dat met betrekking tot deze aspecten nadere voorschriften hadden moeten worden gesteld. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 1] voert aan dat van een te lage geluidbelasting van verkeer van en naar de inrichting is uitgegaan, omdat er geen rekening is gehouden met geluid dat wordt veroorzaakt door het stationair draaien van motoren van vrachtwagens en het manoeuvreren van vrachtwagens op de openbare weg ten behoeve van het laden en lossen.

2.9.1. Uit de aanvraag volgt dat in de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode vier koelvrachtwagens de inrichting aandoen om vlees op te halen. Deze vrachtwagens worden ter plaatse van de overheaddeuren van de nog te realiseren expeditieruimte geladen. In zowel het akoestisch onderzoek van april 2007 als in het aanvullende akoestisch onderzoek van 20 februari 2008 is bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting rekening gehouden met het manoeuvreren van vrachtwagens ter plaatse van de expeditieruimte. Het af- en aanrijden van de hiervoor aangeduide koelvrachtwagens is meegenomen in de beoordeling van de geluidbelasting van verkeer van en naar de inrichting. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat in zoverre is uitgegaan van een te lage geluidbelasting vanwege verkeer van en naar de inrichting. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.9.2. Uit de vergunning volgt volgens het college dat de overige laad- en losactiviteiten slechts op het terrein van de inrichting mogen plaatsvinden. Gelet hierop hoeven de vrachtwagens niet op de openbare weg te wachten en zal er geen overlast van stationair draaiende motoren plaatsvinden. Ter zitting heeft het college met betrekking tot dit punt verklaard te bezien in hoeverre aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen op grond van de Wegenverkeerswet ter voorkoming van parkeeroverlast en blokkades als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

2.9.3. Uit de bij de aanvraag behorende akoestische onderzoeken blijkt weliswaar dat de laad- en losactiviteiten slechts op het terrein van de inrichting mogen plaatsvinden, maar dit is in de vergunning niet vastgelegd. De aanvraag en daarmee de akoestische onderzoeken maken geen deel uit van de bij het bestreden besluit verleende vergunning nu dat noch in het dictum van het bestreden besluit noch in de vergunningvoorschriften is vastgelegd. Nu ter zitting is gebleken dat het college wel heeft beoogd in de vergunning vast te leggen dat de laad- en losactiviteiten slechts op het terrein van de inrichting mogen plaatsvinden, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

2.10. [appellant sub 1] stelt dat de geluidbelasting van de condensorunits op het dak van de slachtplaats is onderschat, aangezien bij de beoordeling daarvan ten onrechte rekening is gehouden met afscherming. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de luiken van de condensorunits open kunnen staan, aldus [appellant sub 1].

2.10.1. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat voor de condensorunits op het dak van de slachtplaats bij de berekening van de geluidbelasting geen rekening is gehouden met afscherming. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

2.10.2. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek van april 2007 is aan de hand van metingen in de opening aan de bovenzijde van de condensorunits bepaald wat het bronvermogen van de condensorunits is. Uit het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van april 2007 blijkt dat de condensorunits zijn voorzien van een omkasting, bestaande uit houten platen, die naaddicht op elkaar zijn aangesloten. Aan de binnenzijde zijn de platen voorzien van geluidabsorberend schuim en aan de bovenzijde is de omkasting open in verband met de benodigde ventilatielucht. Uit voorschrift 2.8 volgt, voor zover hier van belang, dat binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning maatregelen aan de condensoren moeten zijn getroffen zoals vermeld in het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van april 2007. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel de door het college uitgevoerde metingen aan de bovenzijde van de condensorunits onvoldoende zijn om het bronvermogen te bepalen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het oordeel dat bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting is uitgegaan van een te lage geluidbelasting van de condensorunits op het dak van de slachtplaats. De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 1] voert aan dat de geluidbelasting van de aangevraagde dieselheftruck is onderschat. Hij stelt in dit verband dat de beoordeling van de geluidbelasting van de dieselheftruck niet conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 is uitgevoerd, omdat er slechts indicatieve metingen zouden zijn verricht.

2.11.1. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Aangevraagd is een dieselheftruck met een bronvermogen van 96 dB(A). Daarvan is bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting uitgegaan. [appellant sub 1] heeft niet door het aanvoeren van feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat een bronvermogen van maximaal 96 dB(A) voor een dieselheftruck geen realistisch uitgangspunt is. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat niet van dit bronvermogen kon worden uitgegaan bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting. De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] stelt dat het bronvermogen van de bloedtank is onderschat.

2.12.1. In het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek van april 2007 is voor de binnen de inrichting aanwezige bloedtank uitgegaan van een bronvermogen van 71,1 dB(A). In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het bronvermogen van de bloedtank is bepaald aan de hand van metingen en dat er geen reden bestaat om aan te nemen dat het bronvermogen van de bloedtank is onderschat. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze conclusie niet juist is. De beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant sub 1] stelt dat met het te plaatsen geluidscherm niet wordt gewaarborgd dat aan de gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan.

2.13.1. In het akoestisch onderzoek van april 2007 is ervan uitgegaan dat op de grens van de inrichting geluidschermen worden geplaatst. In voorschrift 2.7 is bepaald dat binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning geluidschermen geplaatst dienen te worden aan de oost- en westzijde van de inrichting. De schermen dienen overeenkomstig de uitgangspunten van voornoemd akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek van april 2007 volgt dat aan de in voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het college heeft derhalve terecht gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

2.14. De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover in voorschrift 2.13 geen uitzondering is opgenomen voor het doorlaten van een terreinwagen met aanhanger in de avond- en nachtperiode ten behoeve van het incidenteel aanvoeren van vee voor noodslachtingen en voor zover in het bestreden besluit niet is gewaarborgd dat laden en lossen slechts op het terrein van de inrichting mag plaatsvinden.

2.15. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen van 6 januari 2009, voor zover in voorschrift 2.13 geen uitzondering is opgenomen voor het doorlaten van een terreinwagen met aanhanger in de avond- en nachtperiode ten behoeve van het incidenteel aanvoeren van vee voor noodslachtingen en voor zover niet is gewaarborgd dat laden en lossen slechts op het terrein van de inrichting mag plaatsvinden;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 1] en € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

492.