Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200906035/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met vrijstaande garage op een terrein aan de [locatie] te Wassenaar (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906035/1/H1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Wassenaar,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juli 2009 in de zaken nrs. 09/1840 en 09/1213 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met vrijstaande garage op een terrein aan de [locatie] te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college het door appellanten (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2010, waar [appellant] vertegenwoordigd door mr. B. Bernard, advocaat te Den Haag en [een van de appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te Den Haag, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft, voor zover thans van belang, een vrijstaande woning op het perceel met een bouwdiepte van 18 m. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Villawijken" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wijkvoorzieningen, school". Het is hiermee in strijd. Teneinde realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling daarvan verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, neergelegd in de door de gemeenteraad op 23 januari 2006 vastgestelde notitie "Ruimtelijke uitgangspunten ontwikkeling kavel aan de Bremhorstlaan" van 4 april 2006 (hierna: de notitie), niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu het bouwplan niet binnen de in de notitie geformuleerde ruimtelijke uitgangspunten past, omdat de voorziene woning meer dan één bouwlaag telt, een bebouwingsdiepte van 18 m en geen schuin dak heeft.

2.2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied, aldus die bepaling.

Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften, voor zover van belang, wordt onder bouwlaag verstaan: een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met uitsluiting van het gedeelte van het gebouw dat geheel of voor het grootste gedeelte is gelegen beneden het maaiveld, en van de zolderverdieping.

2.2.2. Volgens de notitie, voor zover thans van belang, wordt, rekening houdend met de wensen uit de buurt, gekozen voor bebouwing in één laag met een kap. Voor het overige wordt voor de op het perceel te bouwen woning aangesloten bij de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing - E20s".

Ten aanzien van het aantal bouwlagen past het bouwplan binnen deze uitgangspunten. Daarbij is van belang dat het bouwplan voorziet in één bouwlaag in de zin van artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften. De woning telt drie verdiepingen, waarvan de zolderverdieping en de verdieping beneden het maaiveld, ingevolge die bepaling niet als bouwlaag gelden. In dat verband heeft het college onder zolderverdieping terecht verstaan "een onder de dakconstructie gelegen ruimte". De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2001 in zaak nr. 200002275/1 kan hem niet baten, omdat in het in die zaak aan de orde zijnde bestemmingsplan een andere betekenis aan de term bouwlaag was toegekend.

Voorts past het bouwplan ook wat betreft de vorm van het dak en de bouwdiepte binnen de in de notitie neergelegde ruimtelijke uitgangspunten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in artikel 3, derde lid, onder b, van de planvoorschriften het college de bevoegdheid is verleend om ten aanzien van de bestemming "Eengezinshuizen in open bebouwing - E20s" vrijstelling te verlenen voor het bouwen van een woning met een bouwdiepte van ten hoogste 18 m. Het betoog faalt.

2.3. Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de door het college met de buurt gemaakte afspraken, waarvan de uitgangspunten zijn bekrachtigd in de notitie, faalt ook dat betoog reeds omdat niet gebleken is dat het bouwplan niet binnen de ruimtelijke uitgangspunten, vervat in de notitie, past.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

270-543.