Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200902579/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hilvarenbeek bij besluit van 3 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Laag Spul Hilvarenbeek".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902579/1/R2.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hilvarenbeek bij besluit van 3 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Laag Spul Hilvarenbeek".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Ruimte voor Ruimte I C.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[een van appellanten sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, is verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ir. M. Lier, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Ruimte voor Ruimte I C.V., vertegenwoordigd door C.J.M. Swart, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Hilvarenbeek, direct grenzend aan het bebouwde deel van de Molenakkers. Het plan voorziet onder meer in een woonwijk met 32 woningen, die worden ontsloten via de Godfried Bomanslaan en de Molenstraat/Laag Spul.

2.1.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] betoogt dat de nieuw te bouwen woningen binnen de geurcontour van de nabijgelegen veehouderijen zullen komen te liggen. Onder deze omstandigheden zal er geen goed woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd voor de toekomstige bewoners. Hij stelt verder dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd door de realisatie van de woningen. Het standpunt van de raad dat de geurcontour rond de veehouderijen samenvalt met de gevel van de dichtstbijgelegen woning, is volgens hem onjuist. Hij voert aan dat niet is gebleken wat de grondslag is geweest voor de geurberekeningen en op welke wijze de geurcontour is berekend. Hij stelt in dit kader verder dat bij de berekeningen van de geurbelasting als gevolg van zijn bedrijf, is uitgegaan van een onjuist aantal vergund stuks vee en de hoeveel geproduceerde odourunits.

2.2.1. Het college heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de gehanteerde berekeningsmethode en uitkomsten van het geuronderzoek. In navolging van de raad heeft het college erop gewezen dat het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de berekeningsmethode die is voorgeschreven in de Wet geurhinder en veehouderij. Nu geen van de voorziene woningen in de geurcontour van het bedrijf van [appellant sub 1] ligt, is het college van mening dat er geen beperkingen zijn voor diens bedrijfsvoering.

2.2.2. Op 15 mei 2008 heeft de raad een geurverordening voor de gemeente Hilvarenbeek vastgesteld. Hierin is onder meer bepaald dat voor het plangebied een geurnorm van maximaal 7 odourunits geldt. Aan de geurverordening ligt een op 28 maart 2008 opgestelde gebiedsvisie (hierna: de Gebiedsvisie) ten grondslag. Voordat deze Gebiedsvisie is opgesteld is een inspraakronde gehouden. De bezwaren van de zijde van de houders van agrarische bedrijven hebben geleid tot aanpassingen in de Gebiedsvisie.

Blijkens de door de raad overgelegde meest recente onderzoeken bedraagt de geurbelasting vanwege de veehouderij van [appellant sub 1] ongeveer 3,5 odourunits ter plaatse van de dichtst bij de veehouderij gelegen bouwkavel. De te bouwen woningen vormen daarom geen belemmering voor de exploitatie van de veehouderij van [appellant sub 1], zelfs niet indien van de door [appellant sub 1] gestelde hoeveelheid vergund vee zou worden uitgegaan. De hoeveelheid odourunits die veroorzaakt wordt door de hoeveelheid vee waarvan [appellant sub 1] stelt dat deze is vergund, verschilt in zeer geringe mate van de hoeveelheid odourunits waarvan de raad is uitgegaan. De woningen in het plangebied staan ook een eventuele uitbreiding van de veehouderij niet in de weg. Daarvoor zijn bepalend de burgerwoningen [locaties], waarvan vast staat dat deze dichterbij liggen dan het plangebied.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de bouw van de woningen in het plangebied zal leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1]. Evenmin is er aanleiding om te oordelen dat ter plaatse van deze woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Het beroep van [appellanten sub 2].

2.3. [appellanten sub 2] voeren in de eerste plaats aan dat enkele van de te bouwen woningen niet voldoen aan de "Ruimte voor Ruimteregeling". Aldus wordt een aanmerkelijk bedrag misgelopen om de sloopvergoedingen voor bedrijfsgebouwen te financieren.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op een aspect dat in het kader van het bestemmingsplan kan worden geregeld, en kan reeds om die reden in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.4. [appellanten sub 2] vrezen dat door het realiseren van de woonwijk een sluiproute zal ontstaan door de bestaande woonwijk de Molenakkers voor zwaar en/of breed landbouwverkeer dat nu via de dorpskern of via de provinciale weg gaat om de landbouwbedrijven aan onder meer de Kromstraat te bereiken. De infrastructuur in die wijk is hierop niet berekend, aldus [appellanten sub 2]. Verder bepleiten zij dat de blokkade voor doorgaand verkeer die tijdens de bouwfase zal worden aangebracht, er permanent moet blijven, totdat de gemeente een verkeersplan ter zake heeft uitgevoerd.

2.4.1. Het college heeft, in navolging van de raad, betoogd dat de nieuwe woonlocatie zelf in beperkte mate extra verkeer zal genereren. Dit verkeer kan afgewikkeld worden over de bestaande wegen. Verder wijst het college op de toezegging van de raad dat na openstelling van de aansluiting voor autoverkeer - bij het gereedkomen van de woningen tot uiterlijk twee jaar daarna - de verkeerssituatie gevolgd zal worden. Indien blijkt dat als gevolg van de realisatie van de nieuwe woonlocatie sluipverkeer ontstaat door de wijk de Molenakkers of de nieuwe woonlocatie, zal overwogen worden de aansluiting bij de Kromstraat ontoegankelijk te maken voor gemotoriseerd verkeer dat geen bestemming heeft in de nieuwe woonwijk of in de Molenakkers.

2.4.2. Blijkens de plankaart krijgt de F. Timmermanslaan, waar [appellanten sub 2] aan wonen of zeer dichtbij wonen, geen aansluiting met wegen in het plangebied. Aan het plandeel dat betrekking heeft op de verbinding tussen het uiteinde van de F. Timmermanslaan en de nieuwe weg die door het plangebied loopt, is de bestemming "Groen" toegekend. Deze bestemming laat geen weg toe. Het is daarom niet aannemelijk is dat sluipverkeer via de F. Timmermanslaan zal rijden. Een wijziging van een bestemming is niet mogelijk zonder een aparte procedure daarvoor.

Ter zitting heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het landbouwverkeer geen gebruik zal maken van de toekomstige woonwijk om bij de verderop gelegen landbouwgronden aan de Kromstraat te komen, omdat dit vanwege het bestaande wegenpatroon en wegprofiel een onlogische route is. Gelet hierop en gelet op de mogelijkheid om verkeersmaatregelen te treffen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen ernstige verkeershinder behoeft te worden verwacht in de wijk de Molenakkers.

Voor zover [appellanten sub 2] nu al een permanente afzetting wensen, merkt de Afdeling op dat dit een kwestie is die in het kader van de Wegenverkeerswet moet worden geregeld en niet in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kan komen.

De beroepsgrond slaagt niet.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

361.