Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200905405/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2009, kenmerk 2008-018697, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beuningen (hierna: de raad) bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Bongerd-Zuid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905405/1/R1.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Beuningen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2009, kenmerk 2008-018697, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beuningen (hierna: de raad) bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Bongerd-Zuid".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009 en het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2009, beroep ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 augustus 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college van burgemeester en wethouders heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.H. Blom, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en mr. A.J.M. Elschot, ambtenaar in dienst van de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, eveneens vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en mr. A.J.M. Elschot, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgronden die zien op de plangrens en het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan beoogt de bouw van 69 nieuwe woningen in de kern Winssen mogelijk te maken. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Van Heemstraweg, aan de westzijde door de Leegstraat, aan de noordzijde door de bestaande woningen aan De Bongerd en aan de oostzijde door de N. Stephanus Roesstraat. In de huidige situatie bestaat het plangebied voornamelijk uit grasland. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het oostelijke deel van het plan, waar onder andere zes woningen waren voorzien, en het plan voor het overige goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende is onderzocht of het plan financieel haalbaar is. Er is geen specifiek marktonderzoek gedaan naar de belangstelling voor het type woningen in de voorgestane prijscategorie. [appellant sub 1] vreest derhalve dat leegstand zal ontstaan.

2.4.1. Het college sluit zich op dit punt aan bij het standpunt van de raad, zoals dit is verwoord in de Nota Zienswijzen. De raad verwacht op basis van de lokale woningmarkt, waarvoor onder andere navraag is gedaan bij makelaars, dat voldoende belangstelling bestaat voor de nog te bouwen woningen in het plangebied, waarvan 25 huurwoningen. Voor dit plan is geen specifiek marktonderzoek gedaan omdat een dergelijk onderzoek alleen bij de bouw van een groter aantal woningen geschiedt, aldus de raad. Voorts is een exploitatieplan opgemaakt waaruit blijkt dat het plan financieel haalbaar is.

2.4.2. Gelet op het relatief kleine aantal woningen dat is voorzien in het plan, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen volstaan met een beperkt onderzoek naar de behoefte aan het soort woningen dat zal worden gebouwd. Nu uit dit onderzoek van voldoende behoefte aan dergelijke woningen is gebleken en het plan een periode van 10 jaar bestrijkt, heeft de raad kunnen afzien van het verrichten van een nader marktonderzoek. Voorts blijkt uit de exploitatieopzet dat het plan een batig saldo heeft. [appellant sub 1] heeft niet onderbouwd waarom aan de gehanteerde cijfers in de exploitatieopzet dient te worden getwijfeld. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat het streekplan niet voorziet in bebouwing op de locatie van het plangebied en dat het plan afbreuk doet aan het karakter van het open gebied van de Van Heemstraweg. Verder voert [appellant sub 1] aan dat het plan leidt tot een verlies van zijn huidige vrije uitzicht over het agrarisch gebied en dat zijn privacy wordt aangetast, omdat de vier nieuwe woningen die ten noordwesten van zijn woning zijn voorzien zullen leiden tot inkijk in zijn tuin en woning.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bouw van de nieuwe woonwijk beperkte gevolgen kan hebben voor omwonenden onder andere wat betreft privacy en uitzicht. Volgens het college zijn die gevolgen niet zodanig dat dit een reden is om goedkeuring te onthouden aan het plan. Ter zitting heeft het college daaraan toegevoegd dat het plan niet in strijd is met het streekplan "Gelderland 2005" (hierna: het streekplan), omdat het plangebied binnen de woningcontour ligt zoals die in het Regionaal Plan 2005-2020 van de Stadregio Arnhem-Nijmegen is opgenomen. Dit Regionaal Plan is een formele uitwerking van het streekplan, aldus het college.

2.5.2. Blijkens de streekplankaart is het plangebied gelegen binnen de aanduiding 'Multifunctioneel platteland'. Het streekplan sluit niet uit dat binnen deze aanduiding woningen mogen worden gebouwd. Aangezien het Regionaal Plan een uitwerking is van het streekplan en het plangebied binnen de hierin opgenomen woningcontour is gelegen, is het plan derhalve niet in strijd met het provinciale beleid.

2.5.3. De afstand tussen het door [appellant sub 1] bedoelde bouwvlak voor vier woningen dat is aangegeven in de noordoostelijke hoek van het plangebied en zijn woning bedraagt ongeveer 35 meter en de afstand van zijn woning tot de plangrens is ongeveer 30 meter.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. [appellant sub 1] noch andere omwonenden kunnen derhalve aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht.

Gezien de relatief grote afstand tussen zijn woning en het plangebied, de situering van zijn woning ten opzichte van de vier nieuwe woningen, de omliggende bestaande bebouwing en de aanwezige beplanting, die reeds deels het zicht op zijn woning en perceel ontnemen, heeft het college het verlies aan uitzicht en privacy voor [appellant sub 1] als gevolg van het plan in redelijkheid niet onevenredig nadelig behoeven te achten.

2.6. [appellant sub 1] voert aan dat de nieuwe woonwijk waarin het plan voorziet, zal leiden tot geluidsoverlast vanwege de toename van het aantal verkeersbewegingen in de nabije omgeving, stankhinder en lichthinder.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bouw van een woonwijk beperkte gevolgen kan hebben voor omwonenden op het gebied van lichthinder en stankoverlast. In dit geval ziet het college in de gevolgen van het plan geen aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.6.2. Ten behoeve van het plan is door BRO akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting vanwege de nabijgelegen Van Heemstraweg. Uit dit akoestisch rapport van 12 juli 2007 blijkt dat in het plangebied aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) ingevolge de Wet Geluidhinder (hierna: Wgh) zal worden voldaan. De geluidsbelasting van de ontsluitingsweg in het plangebied is niet onderzocht, omdat voor deze weg een 30 km-regime zal gaan gelden. In de plantoelichting is vermeld dat de geluidsbelasting vanwege de interne ontsluitingsweg beperkt zal zijn, omdat deze weg enkel zal worden gebruikt door bewoners van het plangebied.

Gelet op het akoestisch onderzoek en hetgeen in de plantoelichting is vermeld, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een geluidsbelasting die voor een goed woon- en leefklimaat onaanvaardbaar is.

2.6.3. Met betrekking tot de gestelde negatieve gevolgen voor de gezondheid vanwege de verwachte lichthinder en de stankoverlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de uitlaatgassen van verkeer, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] de gestelde gevolgen hiervan voor zijn gezondheid niet heeft onderbouwd. Gezien het feit dat [appellant sub 1] in de kern Winssen woont waar 's nacht reeds verlichting aanwezig is, de beperkte ruimtelijke ontwikkelingen waarin het plan voorziet en het beperkte aantal verwachte verkeersbewegingen in het plangebied, heeft het college in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders

2.8. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het roodomlijnde deel van de plankaart en daarmee aan de plandelen met de bestemmingen "Woongebied", "Verkeer en Groen" en "Water" die binnen dit deel van het plangebied zijn gelegen. De reden hiervoor is dat volgens het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de zogeheten spuitzone rondom de fruitbomen die net buiten het plangebied langs de oostelijke plangrens op het perceel van [appellant sub 1] staan. Het college hanteert als vaste gedragslijn een minimale afstand van 50 meter tussen percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt en functies die daarvoor gevoelig zijn. Een kortere afstand is mogelijk, indien de gemeente dit deugdelijk onderbouwt. Daarvan is volgens het bestreden besluit geen sprake. In het plan is een afstand van 25 meter tussen de dichtstbijzijnde voorziene woning en de fruitbomen aangehouden.

2.9. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het oostelijke deel van het plangebied voorzover daarin 6 woningen waren voorzien.

Hiertoe wordt aangevoerd dat geen sprake is van bedrijfsmatige teeltactiviteiten door [appellant sub 1] op zijn perceel. Hij teelt voor eigen gebruik en de omvang van de teeltactiviteiten kan als kleinschalig worden beschouwd gezien het feit dat het om 50 tot 60 fruitbomen gaat die op een oppervlakte van 350 m2 staan. Hoewel de bestemming "Agrarische doeleinden" die aan het perceel van [appellant sub 1] is toegekend bedrijfsmatige teelt- en kweekactiviteiten niet uitsluit, is het perceel te klein voor intensivering van het bestaande gebruik dan wel bedrijfsmatige teeltactiviteiten.

Daarnaast is volgens het college van burgemeester en wethouders aannemelijk dat [appellant sub 1] zijn fruitbomen handmatig bespuit en niet machinaal, omdat de kosten van een spuitmachine niet opwegen tegen de beperkte opbrengsten van de kleinschalige boomgaard. Bovendien staan de fruitbomen te dicht op elkaar om deze machinaal te kunnen bespuiten. Bij handmatig bespuiten is de zogeheten drift - het verwaaien van de bestrijdingsmiddelen - zeer beperkt. De spuitzone van 50 meter geldt volgens het college van burgemeester en wethouders alleen voor boomgaarden die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

In dit geval zorgen de hiervoor genoemde omstandigheden ervoor dat het aanhouden van een kortere afstand dan 50 meter gerechtvaardigd is en kunnen gezondheidsrisico's op een afstand van 25 meter in redelijkheid uitgesloten worden, aldus het college van burgemeester en wethouders.

Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat, ongeacht het oordeel over de omvang van de spuitzone, in ieder geval de onthouding van goedkeuring aan de gronden met de bestemming "Verkeer en Groen" en "Water" dient te worden vernietigd, omdat dit geen gevoelige bestemmingen zijn wat betreft spuitzones en deze plandelen noodzakelijk zijn voor waterberging en een veilige verkeerssituatie in het plangebied.

2.10. Uit de gedingstukken is gebleken dat het college als vaste gedragslijn een afstand van 50 meter aanhoudt tussen gevoelige bestemmingen en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juni 2004 in zaak nr. 200400297/1) heeft het college de toepassing van deze vuistregel voor spuitzones voldoende onderbouwd en acht de Afdeling de toepassing van deze vuistregel in het algemeen niet onredelijk.

2.10.1. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de spuitzone van 50 meter niet uitsluitend van toepassing is op boomgaarden die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

Voorzover het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot het hobbymatig gebruik in zijn schriftelijke uiteenzetting verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1, overweegt de Afdeling dat uit deze uitspraak niet volgt dat het enkele feit dat sprake is van hobbymatige teelt aanleiding geeft voor het oordeel dat in dergelijke gevallen geen spuitzone behoeft te worden aangehouden. Afgezien van een situatie waarin de bijzondere omstandigheden van het geval rechtvaardigen dat een kleinere afstand aangehouden mag worden, geldt de afstand van 50 meter die het college als vaste gedragslijn aanhoudt derhalve in beginsel niet uitsluitend voor bedrijfsmatige teelt, maar evenzeer voor hobbymatige teeltactiviteiten.

2.10.2. Verder heeft het college van burgemeester en wethouders ter zitting betoogd dat het Lozingenbesluit Open teelt en Veehouderij (hierna: het Lozingenbesluit) van toepassing is, op grond waarvan driftreducerende maatregelen getroffen dienen te worden en dat hierdoor sprake is van een kleinere spuitcirkel.

Daargelaten de vraag of het Lozingenbesluit van toepassing is op de boomgaard van [appellant sub 1] en de aan te houden afstanden in dat besluit gerelateerd zijn aan oppervlaktewater en niet aan woningen, heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1) dat het feit dat op grond van andere wet- en regelgeving verwacht mag worden dat mogelijke risico's voor de omgeving worden beperkt er niet aan af doet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld dient te worden of een bestemmingsplan leidt tot een aanvaardbare situatie.

2.10.3. Niet in geschil is dat in het plandeel waaraan het college goedkeuring heeft onthouden, op aanzienlijk kortere afstand dan 50 meter van de boomgaard op het perceel van [appellant sub 1] woningen waren voorzien. Op de raad rustte derhalve de verplichting om afwijking van deze vuistregel van 50 meter nader te onderbouwen in het plan.

Door het college van burgemeester en wethouders is in de schriftelijke uiteenzetting aangekondigd dat door de Universiteit van Wageningen onderzoek zou worden gedaan naar de omvang van de spuitzone rondom de desbetreffende boomgaard. Ter zitting is van de zijde van de gemeente meegedeeld dat deze onderzoeksopdracht is ingetrokken. Daarmee staat vast dat ten behoeve van het plan geen onderzoek is gedaan naar de wijze en frequentie van bespuiten en andere specifieke omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de omvang van de spuitzone van deze boomgaard en de mogelijke gezondheidsrisico's voor de bewoners van de nieuwe woningen in het plangebied.

[appellant sub 1] heeft ter zitting verder gesteld dat, anders dan waarvan het college van burgemeester en wethouders is uitgegaan, ongeveer 90 fruitbomen op ongeveer 550 m2 van het perceel staan. Voorts wordt niet uitsluitend voor eigen gebruik geteeld, maar ook voor derden en wordt de boomgaard wel machinaal bespoten. Verdere uitbreiding van de boomgaard is volgens [appellant sub 1] goed denkbaar gezien de ruimte op het perceel, dat ongeveer 3.500 m2 beslaat. Verder is het perceel in het verleden wel bedrijfsmatig geëxploiteerd, onder andere door zijn vader en hemzelf.

Nu [appellant sub 1] de aannames omtrent zijn boomgaard van het college van burgemeester en wethouders heeft weerlegd en kennelijk geen navraag is gedaan bij [appellant sub 1] of anderszins onderzoek is verricht naar de feitelijke situatie met betrekking tot de boomgaard, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de afwijking van de aan te houden afstand van 50 meter in dit geval onvoldoende is onderbouwd.

2.10.4. De verwijzing door het college van burgemeester en wethouders naar de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2002 in zaak nr. 200004634/1 leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak betreft geen vergelijkbaar geval, omdat het in die zaak ging om een perceel met heesters, welke blijkens het verhandelde ter zitting minder frequent en gedurende een kortere periode per jaar worden bespoten dan fruitbomen. Daarnaast was in die zaak sprake van handmatig bespuiten, terwijl [appellant sub 1] zijn boomgaard machinaal bespuit. Het betoog faalt in zoverre.

2.11. De hiervoor genoemde vaste gedragslijn van het college is er slechts op gericht om binnen een straal van 50 meter rond een boomgaard waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt bestemmingen te weren die gevoelig zijn voor dergelijke bestrijdingsmiddelen. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat vanwege de spuitzone goedkeuring moet worden onthouden aan de woningen die daarbinnen zijn voorzien. Uit de overwegingen blijkt niet dat aan de voorziene watergang en nieuwe ontsluitingsweg - voorzover deze binnen de spuitzone liggen - om dezelfde reden eveneens goedkeuring dient te worden onthouden.

Desgevraagd is ter zitting namens het college meegedeeld dat de voorziene ontsluitingsweg en waterberging niet als gevoelige bestemmingen in het kader van spuitcirkels worden beschouwd, maar dat bij wijze van automatisme aan alle plandelen binnen de spuitcirkel goedkeuring is onthouden. Alsnog goedkeuring verlenen aan deze twee plandelen stuit niet op bezwaren bij het college.

2.12. De conclusie is dat hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Water" en "Verkeer en groen" binnen het roodomlijnde gebied op de plankaart in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin goedkeuring aan deze twee plandelen te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.6.2., 2.6.3. en 2.11. is overwogen ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb en goedkeuring te verlenen aan deze beide plandelen zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart.

2.13. Het college dient ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 5 juni 2009, kenmerk 2008-018697, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan de bestemmingen "Verkeer en Groen" en "Water" binnen het roodomlijnde gedeelte op de plankaart zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

III. verleent goedkeuring aan de bestemmingen "Verkeer en groen" en "Water" binnen het roodomlijnde gedeelte op de plankaart zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit genoemd onder II.;

V. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen voor het overige ongegrond;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij het college van burgemeester en wethouders van Beuningen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan het college van burgemeester en wethouders van Beuningen het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

429-571.