Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200906747/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2009, kenmerk 2009/0043638, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor wijziging in de bedrijfsvoering van een bestaande veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906747/2/R2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009, kenmerk 2009/0043638, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning onder voorschriften verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor wijziging in de bedrijfsvoering van een bestaande veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 juli 2009, kenmerk 2009/0099781, nr. A'09-043, heeft het college het door de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft MOB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft MOB de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 januari 2010, waar MOB, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning heeft betrekking op een wijziging in de bedrijfsvoering van een bestaande veehouderij en strekt tot het realiseren van de uitbreiding van een varkensstal waarbij deze wordt voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem.

2.3. Volgens MOB is niet uit te sluiten dat de vergunde uitbreiding zal leiden tot significante negatieve effecten op de natuurwaarden in het nabijgelegen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, zodat een passende beoordeling had moeten worden opgesteld. Zij wijst er daarbij op dat in het bestreden besluit ten aanzien van de gevolgen van de uitbreiding voor de ammoniakdepositie ten onrechte is vergeleken met de voor het bedrijf verleende vergunning uit 2003 op grond van de Wet milieubeheer. Dit is volgens MOB in strijd met de uitspraken van de Afdeling van 1 april 2009, nrs. 200802600/1 en 200807857/1.

2.4. Ter zitting is gebleken dat het dak van de nieuwe stal is aangebracht en dat momenteel de stalinstallaties worden gerealiseerd. Als die zijn aangebracht kunnen de stallen in gebruik worden genomen. Gelet hierop acht de voorzitter een voldoende spoedeisend belang aanwezig.

2.5. Aan de hand van de artikelen 19d tot en met 19h van de Nbw 1998 dient het college te beoordelen of een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet kan worden verleend. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van het gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.6. Voor de veehouderij is niet eerder een vergunning krachtens de Nbw (oud) dan wel krachtens de Nbw 1998 verleend.

2.7. In het bestreden besluit is gesteld dat met de vergunde uitbreiding van de varkensstal sprake is van een vermindering van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Uit het besluit omtrent vergunningverlening blijkt dat bij de berekening van de depositie de gegevens over de bedrijfsvoering na uitbreiding zijn vergeleken met de situatie zoals vergund op grond van de Wet milieubeheer. De conclusie van de berekening is dat de nieuwe depositie een reductie van 10% oplevert.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 1 april 2009 in de zaken nrs. 200802600/1 en 200807857/1 is, anders dan het college heeft aangenomen, het bestaan van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer niet relevant voor de vraag of een vergunning krachtens de Nbw 1998 is vereist en kan worden verleend en betekent het evenmin dat er vergunde rechten zouden zijn waarmee bij het verlenen van de vergunning krachtens de Nbw 1998 rekening zou kunnen worden gehouden. Niet kan zonder meer worden aangenomen dat bij het verlenen van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, dezelfde activiteiten in dezelfde omvang ter beoordeling hebben gestaan.

2.8. Volgens het besluit omtrent vergunningverlening is na uitbreiding van de varkensstal sprake van een ammoniakdepositie van het bedrijf op het Natura 2000-gebied van 7,76 mol per hectare per jaar. Ook overschrijdt volgens dat besluit de achtergronddepositie bij het bedrijf thans al ruimschoots de kritische depositiewaarden voor de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Gelet daarop kon naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet op grond van objectieve gegevens worden uitgesloten dat de vergunde uitbreiding afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten heeft voor het gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, zodat ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt.

De voorzitter verwacht gelet hierop dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

2.9. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure, zoals door MOB verzocht, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 23 juli 2009, kenmerk 2009/0099781, nr. A'09-043, en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 18 maart 2009, kenmerk 2009/0043638;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van de bij coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

568-608.