Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200906174/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van het college van 17 januari 2007, waarbij het zijn aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor het afmeren van een woonschip aan de [locatie] te [plaats] heeft afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906174/1/H3.

Datum uitspraak: 24 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 juni 2009 in zaak nr. 09/339 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van het college van 17 januari 2007, waarbij het zijn aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor het afmeren van een woonschip aan de [locatie] te [plaats] heeft afgewezen, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juni 2009, verzonden op 7 juli 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door E.P. Blaauw, werkzaam bij (Juridisch) Advies, Procedures, Botenzaken, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Toxopeus-Hulsebos en mr. A. ten Bruin, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.3.1.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad (hierna: de APV) wijst het college gedeelten van openbaar water aan waar het is toegestaan met een vaartuig ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het verboden om in openbaar water in de gemeente Zaanstad met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen anders dan op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water.

Ingevolge artikel 5.3.3.1, eerste lid, is het innemen van een ligplaats met een woonschip op krachtens artikel 5.3.1.2, eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water slechts toegestaan indien daartoe door het college een ligplaatsvergunning is verleend. Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en scheepsgebonden.

In het Aanwijzingsbesluit conform de artikelen 5.3.1.1 en volgende van de APV (hierna: het Aanwijzingsbesluit), zoals gewijzigd bij besluiten van 8 april 2003 en 1 april 2004, zijn onder II als gedeelten van openbaar water waar het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen, aangewezen alle openbare wateren in Zaanstad, behoudens:

a. de hierna onder III bepaalde gedeelten openbaar water, zoals ingetekend in de bij dit besluit behorende overzichtkaart;

b. de niet onder a. genoemde gedeelten openbaar water die op een andere wijze als ligplaats zijn aangewezen;

c. de niet onder a. en b. genoemde gedeelten openbaar water, waar het innemen van een ligplaats met een woonschip uitdrukkelijk is toegestaan krachtens een onherroepelijk goedgekeurd bestemmingsplan.

Onder III van het Aanwijzingsbesluit is de locatie De Poel, Kalfkade, aangewezen als kade waar het geoorloofd is met vaartuigen van de categorie a, zijnde vaartuigen tot een lengte van 20 meter, inclusief pleziervaartuigen, ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen, enkel aan de pleisterplaats voor maximaal 3 keer 24 uur.

2.2. Eerder heeft het college bij besluit van 12 april 2007 het bezwaar van [appellant] tegen het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag van 17 januari 2007 ongegrond verklaard. Het hiertegen door [appellant] ingestelde beroep is door de rechtbank in haar uitspraak van 8 november 2007 in zaak nr. 07/3373 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hiertegen door [appellant] ingestelde hoger beroep in haar uitspraak van 29 oktober 2008 in zaak nr. 200709008/1 gegrond verklaard, deze uitspraak vernietigd, het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 12 april 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

In de uitspraak van 29 oktober 2008 heeft de Afdeling overwogen dat niet in geschil is dat de ligplaats niet is aangewezen op grond van onderdeel II, onder a en c, van het Aanwijzingsbesluit maar dat het college heeft nagelaten te beoordelen of de ligplaats op een andere wijze is aangewezen op grond van onderdeel II, onder b, van het Aanwijzingsbesluit. Het besluit van 12 april 2007 was om deze reden niet deugdelijk gemotiveerd.

2.3. Bij het besluit van 13 januari 2009 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. Hiertoe heeft het zich op het standpunt gesteld dat onder "op een andere wijze aangewezen" als bedoeld in onderdeel II, onder b, van het Aanwijzingsbesluit dient te worden verstaan de situatie waarin een ligplaatsvergunning is verleend bij besluit van het college van een gemeente die na samenvoeging is komen te vallen onder de gemeente Zaanstad en de vergunning niet in het register van de ligplaatsvergunningen is opgenomen en ook niet op de overzichtskaart of in het bestemmingsplan is beland, of de situatie waarin een ligplaatsvergunning is verleend door het provinciaal bestuur van de provincie Noord-Holland nog voordat de bevoegdheid tot het uitgeven van ligplaatsvergunningen is overgegaan op de gemeente. Volgens het college doen beide situaties zich niet voor.

2.4. [appellant] stelt dat hij het woonschip in 1999 heeft gekocht en hij betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat het de vorige eigenaar van het woonschip werd toegestaan ligplaats in te nemen met dat woonschip en dat de ligplaats daarmee is aangewezen op grond van onderdeel II, onder b, van het Aanwijzingsbesluit.

2.5. Dit betoog faalt. Voorop wordt gesteld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het geding beperkt is tot de vraag of het college de aanvraag van [appellant] terecht heeft afgewezen op de grond dat zijn ligplaats niet is aangewezen op grond van onderdeel II, onder b, van het Aanwijzingsbesluit. De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken, en dat [appellant] ook niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de ligplaats aan de [locatie] is aangewezen als ligplaats. De rechtbank is terecht voorbij gegaan aan de stelling van [appellant] dat de vorige eigenaar het woonschip ter plaatse permanent bewoonde, nu deze stelling, wat er ook van zij, onverlet laat dat de ligplaats niet is aangewezen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Idema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2010

512.