Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200910067/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Marne (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een installatie voor de productie van biogas en elektriciteit aan de Haarlanden te Ulrum, kadastraal sectie […], nummers deels […] en […]. Dit besluit is op 20 november 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2422
JOM 2011/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910067/2/M1.

Datum uitspraak: 16 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], wonend onderscheidenlijk te [woonplaats] en [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van De Marne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Marne (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een installatie voor de productie van biogas en elektriciteit aan de Haarlanden te Ulrum, kadastraal sectie […], nummers deels […] en […]. Dit besluit is op 20 november 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] (hierna: [verzoekers sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, hebben [verzoekers sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [verzoekers sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. W. Dodde, werkzaam bij de gemeente, en ing. H. Westra, adviseur, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeur], en ing. H. Westra, adviseur, als partij gehoord.

[verzoeker sub 1] is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

2.2.2. Ter zitting is gebleken dat [verzoekers sub 2] op een zodanig grote afstand van de inrichting wonen dat, de aard en de omvang van de inrichting in aanmerking genomen, het niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Voorts is ter zitting gebleken dat de percelen van [verzoeker sub 2B] op een afstand van ongeveer één kilometer van de inrichting zijn gelegen. Het is niet aannemelijk dat op een dergelijke afstand nog milieugevolgen ten gevolge van de inrichting kunnen worden ondervonden. De voorzitter gaat er daarom vanuit dat de Afdeling bij de behandeling van het beroep tot het oordeel zal komen dat [verzoekers sub 2] niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt en het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. Er bestaat in zoverre geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoeker sub 1] voert aan dat het college ten onrechte de onderhavige vergunning heeft verleend, omdat deze in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij wet van 25 juni 2009 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.3.2. Uit artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegd gezag bij strijd met het bestemmingsplan niet verplicht, maar bevoegd is de gevraagde milieuvergunning te weigeren.

2.3.3. De voorzitter komt het standpunt van het college dat vergunningverlening niet leidt tot een met het bestemmingsplan strijdige situatie niet onjuist voor. In hetgeen [verzoeker sub 1] aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college met het oog op het bestemmingsplan de vergunning had moeten weigeren. De voorzitter ziet hierin dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.4. [verzoeker sub 1] vreest voor geluidhinder. Zij voert in dit verband aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat de dichtstbijzijnde woning van derden op een afstand van ongeveer 230 meter van de grens van de inrichting is gelegen. Volgens [verzoeker sub 1] is de dichtstbijzijnde woning gelegen aan de [locatie] en is de afstand tussen deze woning en de inrichting ongeveer 214 meter. Nu in het akoestisch rapport wordt uitgegaan van een onjuiste afstand, is niet duidelijk of aan de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden kan worden voldaan, aldus [verzoeker sub 1]. Voorts voert zij aan dat het verkeer van en naar de inrichting zal toenemen.

2.4.1. In het akoestisch rapport van 17 juli 2009 dat is gevoegd bij de vergunningaanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, wordt vermeld dat de metingen en berekeningen van de geluidniveaus vanwege de inrichting uitgevoerd zijn in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. De in het akoestisch rapport genoemde afstand van 230 meter is derhalve de afstand van de dichtstbijzijnde geluidbron tot de dichtstbijzijnde woning. Ter zitting heeft het college dit bevestigd. Voorts volgt uit dit akoestisch rapport dat ook de geluidhinder veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld is. De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het akoestisch rapport. In dit opzicht bestaat evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. [verzoeker sub 1] vreest voor geuroverlast als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

2.5.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geurhinder heeft het college de voorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.11 aan de vergunning verbonden. In voorschrift 1.2.5 is bepaald dat de opgeslagen vaste grondstoffen geheel moeten worden afgedekt om geuremissie tegen te gaan. De vergunning staat het opslaan van onvergiste mest niet toe. Voorts kan het college gelet op voorschrift 1.2.8 een geuronderzoek verlangen indien structurele en gegronde klachten met betrekking tot het aspect geur worden ontvangen. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de aard van de inrichting en de afstand ervan tot de woning van [verzoeker sub 1], is de voorzitter van oordeel dat voor onaanvaardbare geurhinder niet behoeft te worden gevreesd. Ook in zoverre ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. [verzoeker sub 1] vreest voor verstoring van het uitzicht als gevolg van de komst van de inrichting. Voorts vreest zij een aanzienlijke waardedaling van haar woning.

2.6.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college zich, mede gelet op de ligging van de inrichting op het bedrijventerrein Ulrum Oost, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

Een mogelijke waardedaling van de woning van [verzoeker sub 1] heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer kan daarom met deze grond geen rekening worden gehouden en kan dientengevolge geen aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Ook in hetgeen [verzoeker sub 1] overigens aanvoert, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010

159-625.